Eredivisie-tennis kind van de rekening

Tussen 1963 en 1990 steeg het aantal in de KNLTB georganiseerde tennissers van 59.000 naar circa 690.000. Maar tennis is een recreatiesport bij uitstek. Van de bij de KNLTB aangesloten leden speelt ruim de helft (375.000) nooit een wedstrijd in het kader van de KNLTB competitie. De tennisbond heeft zijn beleid daar ook grotendeels op afgestemd. Aan de ene kant wordt er veel aandacht en geld besteed aan de prestaties van individuele topspelers en hun plaats op de wereldranglijst. Een nadruk die recent is uitgemond in de verzelfstandiging van het toptennis. Een exponent van deze stroming is bondscoach Stanley Franker. Anderzijds besteedt de KNLTB ook veel aandacht aan het recreatieve aspect bij de clubs.

Daardoor is de scheidslijn tussen recreanten en toptennis de laatste jaren alleen maar groter geworden. Het kind van de rekening dreigt daarbij de competitie in de eredivisie te worden. Het is een bron van frustraties voor alle betrokkenen. Er wordt in deze competitie vaak op niveau getennist, er is veel tijd, organisatie en geld mee gemoeid, maar er komt nauwelijks publiek kijken en er is nagenoeg geen belangstelling van de media voor dit fenomeen. Het Instituut voor sociaal wetenschappelijk onderzoek van de Katholieke Universiteit van Brabant is eens in deze problematiek gedoken via het opstellen van een wetenschappelijk essay. Met als thema de veranderende relatie tussen het recreatieve en competitieve tennis op verenigingsniveau tegen de achtergrond van de historisch gegroeide verhoudingen in de Nederlandse tenniswereld.

Daaruit blijkt dat de dilemma's in het Nederlandse tennis groot zijn. Vroeger bestond er tussen het niveau van de recreant, die vanwege de afwezigheid van tv-beelden van Wimbledon, Roland Garros of de US Open geen flauw benul had wat tennis op wereldniveau nu eigenlijk inhield, en de topspeler weinig verschil. Maar sinds Nederland vijf tennissers in de top 100 van de wereldranglijst voor tennisprofs heeft staan is die situatie wel veranderd.

De competitie in de eredivisie vormt daarbij één van de nauwelijks oplosbare dilemma's. Als een club besluit op dit niveau te gaan spelen kost het vele tienduizenden guldens aan startgelden voor toppers en wordt vaak het recreatieve karakter van de vereniging aangetast. Rob Spaan, directeur van Popeye Gold Star, mag weliswaar beweren dat de eredivisie de hoeksteen van het vaderlandse tennis is, de praktijk wijst veelal anders uit. Het tijdstip voor topspelers om in de eredivisie uit te komen is uitermate ongelukkig om zich voor te bereiden op de internationale toernooien. Wat dat betreft is het belachelijk dat Paul Haarhuis afgelopen donderdag op het cement de kwartfinale van de US Open afwerkte en twee dagen later op het gravel van ELTV een competitiewedstrijd speelde. Voor de topper is die combinatie een zenuwentoestand. Vaak kiest hij daarom voor een lucratievere buitenlandse competitie of speelt hij helemaal niet meer op landelijk niveau. Wat weer zijn weerslag heeft op de prestaties en de belangstelling.

Toch azen de clubvoorzitters nog steeds op de incidentele topspeler, die weliswaar voor veel geld wordt binnengehaald maar ten minste voor het publiek nog enige attentiewaarde heeft, om de eredivisie een volwaardig aanzien te geven. Zij staan daarmee lijnrecht tegenover bondscoach Stanley Franker, die vindt dat de eredivisie een heel andere functie zou moeten hebben. Voor hem is het een ideale kweekvijver voor jong talent voor de landenploegen.

Doorstroming van het recreatieve- naar het prestatieve tennis vindt vooral bij de jeugd plaats. Ook vindt Franker de scheidslijn tussen recreatiesport en professionele sport scherper moet worden gesteld. Franker: “Kweekvijver is de recreatiesport zeker, want daar begint het voor een kind. Maar toptennis kan niet zonder mensen boven de achttien. Toptennis put uit de recreatief spelende achterban geen kandidaten. Franker wil de gesloten clubidentiteit doorbreken. Hij pleit voor een tenniscultuur. “Haarhuis, Krajicek, Koevermans, Siemerink en Eltingh hebben een voorbeeld-functie, zodat men zich met die mensen gaat identificeren als role-models. Ook daar kan de eredivisie een zekere rol in spelen”.