De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Ik ben Rus in Amsterdam. Ik moet scharrelen, omdat ik illegaal ben. Eerst kopte ik leliën, nu pel ik garnalen. Eerst woonde ik bij dames, vrouwen, meisjes. Nu heb ik ontdekt dat buiten de steden uitgebreide dorpen zijn van caravans, huisjes, hutjes, datsja's, die buiten de zomer leeg staan.

Wie in een leeg huis trekt is een kraker. Wie in een leeg zomerhuisje trekt is een dief. Ik kan kraker noch dief zijn, want ik kan mij niet veroorloven met de politieman in aanraking te komen.

Maar een gemeenteraadslid-ondernemer van de Noordhollandse plaats Sint-Petersbrug heeft mij en mijn vriend Oralaboro een leeg zomerhuisje aangeboden in een groot zomerhuizenkamp. Kost ons niets! Kosto niets vertellen?

Ik had nog nooit een Hollandse datsja gezien. Wat een luxe! Badkamers, wc's met stromend water, warm water, televisie. Waar hebben we dit aan te danken? Eerst even naar Amsterdam om eten te kopen.

Gelukkig ben ik op de Dappermarkt in Oostelijk Amsterdam. Daar staan vier matrozen van de Baltische vloot. Ze verkopen voor twintig piek hun matrozenpetten. Ik ben geschokt. Mijn schokbrekers zijn stevig, maar dit konden zij niet aan.

Mijn vader zaliger, zo vertelde mijn moeder, zo vertelde mijn tante, was naar het strafkamp gestuurd omdat hij zijn staatspet was kwijtgeraakt bij een harde stoot van de wind. “Hij zal die pet wel verpatst hebben”, had mijn moeder tegen mijn tante gezegd, zo vertelde tante mij. Voor mij is een pet een zaak van leven en dood.

En hier, in de windstille Dapperstraat, verkochten die vier domweg hun staatspetten om voor het geld videobanden en andere Westerse lekkernijen te kunnen aanschaffen. Ik zag hun witte haren en dacht: dus Oko heeft gelijk, toen hij me laatst door de telefoon zei dat de Sovjet-Unie weg is.

Een Rus heeft altijd iets op zijn hoofd: hoed, pet, muts, desnoods baret, zakdoek, soldatenhelmbinnenkant. Een blootshoofd is verdacht.

Hier is het andersom. De Hollandse man loopt met bloot hoofd en zijn vrouw ook. Iemand met een hoed is een wittebroodcrimineel die op weg is naar een bank om die op te lichten. Iemand met een pet is een buitenlander die op een bank zit te luieren. Iemand met een muts is een rover op weg naar zijn bank.

Oralaboro heeft zelfs in de hitte altijd een roodwollen mutsje op. Maar hij heeft toch niets te verliezen: hij is zwart. Als ik zwart was, zou ik ook me durven kleden zoals ik wou.

In de avond kwam onze weldoener-gemeenteraadslid-ondernemer op bezoek met een paar flessen drank, die hij, zo zei hij, soldaat wilde maken.

“Jullie maken toch wel flink lawaai?”

“Neehoor”, zei ik braaf, “wij zijn heel stil.”

“Och”, zei onze weldoener, “je mag best wat lawaai maken. Het kan geen kwaad als iedereen hier merkt dat er buitenlanders zitten.”

“Hoezo?” vroeg Oralaboro, terwijl hij de televisie wat harder zette.

“Een beetje leven in de brouwerij is goed”, sprak het gemeenteraadslid, terwijl hij nog eens bijschonk. “Hoezo?” vroeg Oralaboro.

De ondernemer legde het uit. De gemeente wil het zomerhuisjeskamp aan WVC verkopen die er een vluchtelingencentrum van wil maken. “En aangezien mijn broer nu de eigenaar is, zit er voor onze familie wel wat aan. Nu zijn er een paar hardnekkige caravanbewoners die niet weg willen. Als jullie hier een beetje de boel verzieken, dan sodemieteren ze wel op. De zaak moet volgende week rond zijn.”

Wordt vervolgd