YERSEKE

Naar aanleiding van de bespreking van "Elk vist op zijn tij. Een historisch-antropologische studie van een Zeeuws maritieme gemeenschap.

Yerseke 1870 - 1914' door Rob van Ginkel, in het Boekenbijvoegsel van zaterdag 24 augustus jl. wil ik graag het volgende opmerken:

In de Zierikzeesche Courant van 1 januari 1889 is een artikel geplaatst waarin diverse gebeurtenissen uit het voorbije jaar in dichtvorm worden beschreven. Hieronder volgt een interessante alinea:

""Ook is het naar men zegt te danken Aan dit ongunstige klimaat, Dat vele Zeeuwse oesterbanken Bedorven zijn door 't mosselzaad. Men ziet het aan met lede ogen Hoe d'oevers van Zuid-Beveland Van velen 't burgerlijk vermogen Begroeven in 't drassig zand. Gaf dit aan vrouwen en aan mannen eertijds een middel van bestaan, Thans ziet men ongekalkte pannen In rijen naast elkander staan. Toch tracht men het niet te proberen Met Sociale politiek, Maar gaat veel liever emigreren Naar d'Argentijnse Republiek.''

In de boekbespreking is er sprake van "andere tegenslagen'.

De bovengenoemde oesters-verstikkende mosselzaadval zou volgens bovenstaand citaat een van die tegenslagen kunnen zijn. Het in rijm geschreven jaaroverzicht in de Zierikzeesche Courant is voor zover ik weet de enige bron waarin deze buitengewone mosselzaadval wordt vermeld.

In 1888 vertrokken 75 Yersenaren naar Amerika, 50 naar Argentinië en 3 naar Zuid-Afrika. In 1989 vertrokken 118 inwoners naar Amerika en 96 naar Argentinië (bron: "1000 jaar Yerseke' door W.E.P. van IJsseldijk. Drukkerij F. v.d. Peyl, Kruiningen).

Volgens de Zierikzeesche Courant van 8 december 1888 vertrokken in dat jaar 110 Yersenaren, behorende tot 14 gezinnen naar Buenos Aires.

Bovenstaande gegevens zijn afkomstig uit het archief van de amateur-historicus J. Schot B.W.zn te Zierikzee.