STRAFFEN

Om de persoon van de dader door J.A. Janse de Jonge 245 blz., Gouda Quint 1991, f 62,50 ISBN 90 6000 811 1

"Straftheorieën en voorlichting door de reclassering' vormen het thema van deze Utrechtse dissertatie door een medeweker van het Willem Pompe Instituut voor strafrechtswetenschappen ter plaatse. Maar het eigenlijke onderwerp is, zoals de auteur zelf zegt, ""een diep gewortelde verwondering over de strafrechtelijke gang van zaken'. Deze betreft niet het feit dàt de overheid mensen straft voor wat ze hebben misdaan, maar veeleer ""hoe onpersoonlijk en mechanisch, hoe onverschillig, er gestraft blijkt te kunnen worden'.

Deze verbazing wordt er niet beter op door de manier waarop het moderne "strafrechtsmanagement' pleidooien voor het persoonlijke element afwijst door zijn accent op de strafrechtpleging als een soort continubedrijf. ""Een heilloze onderneming', aldus de auteur. Al was het alleen omdat het afscheid van de persoon van de dader tegelijk het vaarwel betekent van een ander hoofdpersonage in de strafrechtspleging: de rechter. Voor al te veel rechterlijke individualiteit is in de justitiële bedrijfsfilosofie geen plaats. Toch moet de overtuigingskracht van het rechterlijk vonnis het in veel gevallen juist mede hebben van persoonlijke kwaliteiten als intuïtie.

De huidige ideologie van een gedistantieerde strafrechtpleging vormt in elk geval een breuk met een solide Nederlandse traditie. Tamelijk veel inwoners van het kleine Nederland hebben zich door de tijden heen, al dan niet betaald (vaak niet), ingezet voor de persoon van de dader - met name in de reclassering. ""Om hun opvolgers in deze tijd van herbezinning een hart onder de riem te steken', behandelt Janse de Jonge de diverse theorieën in het strafrechtelijke veelstromenland vooral aan de hand van leven en werk van twee coryfeën op dit gebied, dr. Nico Muller en prof. dr. G.Th. Kempe.

De eerste was een rechter die zich meer dan vijftig jaar, van het begin van de eeuw tot aan het begin van de jaren zestig, heeft ingezet voor de opvoedingsgedachte in de strafrechtspleging. Befaamd waren vooral zijn hoofdartikelen in het Maandblad voor berechting en reclassering. In de juridische vakpers publiceerde Muller weinig: ""ik schrijf niet voor onbevoegden' - waarmee hij maar wilde zeggen dat juristen van huis uit vaak weinig benul hebben van de werkelijke werking van de reclassering en het strafstelsel. Het recht van de juristen moest volgens Muller worden omgevormd tot wat hij noemde het ""recht der werkelijkheid'.

De Utrechtse criminoloog Kempe (1911-79) was wat men noemt een gereserveerde persoonlijkheid, wiens hele leven, studie en werk zich afspeelde in de Domstad. Tegelijk was hij een begaafd redenaar en jarenlang leefde hij zich ook uit in het opstellen van indringende rapporten over verdachten in strafzaken ten behoeve van de justitie - een soort doorlopende documentatie van de condition humaine. Kempes visie was, als bij zoveel van zijn generatiegenoten, gevormd door de oorlog. Centraal stond de ontmoeting met de delinquente medemens: goed luisteren en goed kijken (met als achterliggende gedachte dat dit niemand onberoerd kan laten). Bij zijn afscheid van de universiteit in 1976 kon hij niet anders dan gedesillusioneerd heten.

In zijn slotwoord betwijfelt Janse de Jonge zelf ook of de cri de coeur van de persoonlijke benadering veel kans heeft door de ""dubbele beglazing van het justitieel bedrijf' heen te dringen. Zijn boek zal inderdaad wel als ""nostalgisch' worden afgedaan. Maar het geeft te denken.