Stof opdoen

De tram zat vol gebruinde AOWers, WAOers en jongeren die door hun koptelefoon naar aanlopende fietswielen luisterden.

Deze zin bevalt me zo goed dat ik erover denk, het daarbij te laten. Maar ik werk op stukloon, de baas zou misschien denken dat ik lui was en een deel van mijn geld inhouden. De tram reed dus verder en bereikte de halte Overtoom - Nassaukade, vergelijkbaar met het station Ede - Wageningen op de Veluwe; zo'n nondescripte verplichting.

Hier wilde een moeder met haar kind in wandelwagen naar binnen. Het was een zwaar wagentje, met dubbele draaiende voorwielen, een stevige duwstang waaraan een mandje met boodschappen hing. Hoe trots een moeder is valt vaak uit het wandelwagentje af te leiden. Het kind zat rechtop, keek verbaasd, hield zich rustig.

Een passagier stak de helpende hand toe maar toch vergde het inladen nog betrekkelijk veel tijd. Op het ogenblik dat het wagentje binnen was en de moeder nog op de halte stond sloot de bestuurder de deuren en reed weg. Het duurt bij zo'n drama nog wel een seconde voor de eerste omstanders hebben beseft wat er is gebeurd. Toen verhief zich het koor der behulpzamen: Hoo! Stop! enz. De bestuurder remde en de moeder voegde zich bij haar kind. Een dolgelukkige moeder. Hoewel iedereen dat zal begrijpen, hoort het er in dit geval bij: dolgelukkig.

De vier plaatsen van dubbele banken schuin tegenover de ingang werden in beslag genomen door een dakloze met zijn bagage. Een zware vettige man van een jaar of veertig met glanzend bruine ogen waaraan te zien was dat hij teveel had gedronken. Hij had de gebeurtenissen aandachtig gevolgd, misschien wel aandachtiger dan alle anderen. Dronkemansconcentratie is onbeschaamd.

Hij zei: ""Als ik dat mormel zo 'es bekijk was ik op de halte blijven staan.''

*

Toen ik dat allemaal had gehoord en gezien dacht ik: leuk voor de krant? Hm. Tja. Ik kan u nog wel meer vertellen van wat ik hier en daar zie. Bijvoorbeeld: kinderen leggen een portemonnee aan een touwtje op straat en trekken het ding weg als u hem wilt grijpen. Ik heb die sport nooit beoefend. Nu zag ik in de Leidsestraat het complement: een rozige kunsthand die uit een drie meter lange mouw stak, aan het andere eind waarvan tegen de muur op kleermakerswijze een bedelaar zat. Was de hand gevuld dan trok hij die aan de mouw binnen. Hij had zijn best gedaan, met baard en haargroei zich een klassiek Christusgezicht aan te meten, een Heilandshoofd volgens Van Meegeren, waarmee hij wilde zeggen: 't Is zaliger te geven dan te ontvangen.

Dan kom ik iemand tegen die ik ken. Die zegt: ""Je loopt zeker weer stof op te doen voor een stukje in de krant.''

Om u de waarheid te zeggen: ik haat die anekdotes.

*

Ik keer terug tot het eerste verhaaltje. Ik heb het nu vijf keer aan een vrouw en vijf keer aan een man verteld. Kwam ik bij de vrouw aan de passage waarin de bestuurder moeder en kind scheidt, dan volgde er onveranderlijk een reactie van ontsteltenis. Twee toehoorsters hebben daarbij een hand voor de mond geslagen. Had ik de frappe (zoals wij stofopdoeners het noemen) verteld, dan waren ze verontwaardigd.

Bij de mannen ging het heel anders. Het sluiten van de deur veroorzaakte een begin van gegniffel. Was het woord mormel gevallen, dan werd er hardop gelachen. Het is een score van honderd procent.

Hier staan we op de grens waarachter stof opdoen tot wetenschap wordt. Als je honderd proefpersonen had die je onder strikt gecontroleerde omstandigheden aan tien van dergelijke verhaaltjes zou blootstellen, waarbij je met video de reacties vastlegde, dan zou je nauwkeurig kunnen vastleggen wat het verschil is tussen de man en de vrouw ten opzichte van het kind, en impliciet, ten opzichte van elkaar. Het gaat er dan alleen nog om, de terminologie te vinden waarin dat verschil kan worden verwoord, en daarna is de kans groot dat je iets baanbrekends hebt gedaan.

U kunt er ook zelf over nadenken en tot dezelfde conclusie komen. Veel wetenschap is al in ons. Het komt er alleen op aan, een en ander - "de stof' - te herkennen, en dan toe te geven dat u het hebt herkend.