Recht voor allen

Het presidium van de Tweede Kamer heeft de naamgeving van de zalen en de spreekkamers in het nieuwe Kamergebouw aan het Binnenhof niet à bout portant vastgesteld, maar een raadplegingsprocedure gevolgd die enigszins doet denken aan de schriftelijke voorbereiding van de totstandkoming van een wetsontwerp. Zorgvuldig dus. Met een bijzondere naamgevingscommissie, een "inbreng' van alle Kamerfracties en een evenredige verdeling van "naamborden' die alle staatkundige stromingen recht heeft gedaan. Dat één van de spreekkamers in het nieuwe gebouw een naam zal krijgen die een groot deel van de Kamer tegenstaat (en Kamervoorzitter Deetman nu toch enigszins nerveus heeft gemaakt) ligt dus niet aan het presidium, maar aan de politieke groepering die met die naam voor den dag is gekomen.

De fractie van Groen Links heeft voor één van de dertien spreekkamers die naar oud-Tweede Kamerleden zullen worden vernoemd, Marcus Bakker genomineerd en de ex-fractievoorzitter van de CPN als enige eigen vertegenwoordiger van de radicale geschiedenis naar voren geschoven. Of Marcus Bakker, gegeven zijn paulinische verhouding tot het stalinistische verleden van de Sovjet-Unie, daarmee te veel eer is bewezen, zoals de oud-parlementaire redacteur J. Prillewitz eerder op deze pagina heeft betoogd, is een kwestie van historische en van politieke appreciatie. De kwestie is veeleer waarom de fractie van Groen Links, die de ex-fractievoorzitter van de CPN voor vernoeming heeft genomineerd, zich zo enkelvoudig van de zaak heeft afgemaakt en geen namen heeft voorgedragen die de talrijke stromingen in de links-radicale traditie veel beter tot hun recht doen komen? Ferdinand Domela Nieuwenhuis komt daar veel meer voor in aanmerking, niet in de laatste plaats omdat hij de eerste radicaal-socialist was die in de Tweede Kamer werd gekozen (na een half jaar eerder nog op veroordeling van majesteitsschennis in de gevangenis te hebben gezeten), maar vooral omdat hij één van de beste politieke sprekers was die er, blijkens de Handelingen van de Kamer, ooit zijn geweest. Domela Nieuwenhuis was van alles wat: uitstekend parlementariër (hoe frusterend en ondankbaar het geploeter in de oppositie ook voor hem was), vrijheidslievend socialist, volkstribuun, anarchist, antimilitarist, republikein, publicist en uit het christendom weggelopen atheïst.

Wat voor de Groen Linksfractie geldt (die men wegens haar leeftijd haar gebrek aan historische wortels ook weer niet al te kwalijk kan nemen), geldt overigens niet minder voor de gevestigde fracties, die ook niet allemaal de beste kandidaten uit hun geschiedenis naar voren hebben geschoven. Aletta Jacobs, akkoord (al heeft men door haar als radicale vrijzinnig-democrate bij D66 in te delen op een potsierlijk geforceerde manier ijzer met handen willen breken); Suze Groeneweg, akkoord; Marga Klompé, akkoord; Annelien Kappeyne van de Copello, even eigenzinnig als goed, ook akkoord. Maar waarom Haya van Someren-Downer, en de freule Wttewaall van Stoetwegen (wier naam in de nominaties van de fracties op vier verschillende manieren is gespeld!)? Die waren in hun parlementaire vak niet zo'n klasse apart dat ze een vereeuwiging in het nieuwe gebouw verdienen. Hier wreekt zich de moeilijkheid dat het presidium geen kwalitatieve norm heeft gehanteerd maar tevoren al het aantal "historische' vrouwelijke Kamerleden heeft vastgesteld. Het zou bevredigender zijn geweest als men de kwaliteit zwaarder had laten wegen en dan maar meer mannen uit de "top tien' had toegelaten. Per slot van rekening is de Tweede Kamer in de eerste honderd jaar van haar bestaan vrijwel uitsluitend een zaak van mannen geweest.

Volgens de (voorgeschreven) rechtvaardige verdeelsleutel zijn voor de overige twaalf spreekkamers in het nieuwe gebouw uit de bus gekomen: Kuyper, Schaepman, Schaper, Schouten, Zandt, Oud, Donker, Tilanus, Drees, Vondeling, Romme en Jongeling. Aan Den Uyl en Burger was al bij voorbaat een zaal dan wel enigerlei andere ruimte toegevallen, evenals aan Thorbecke, Groen van Prinsterer, De Savornin Lohman, Nolens, Goeman Borgesius, Marchant en Troelstra. Maar waarom blijft Van der Goes van Naters buiten de eregalerij? Zou niemand meer weten dat de instelling van de parlementaire enquêtecommissie die het regeringsbeleid in de jaren 1940-1945 heeft onderzocht (en de daarvoor noodzakelijke aanpassing van de enquêtewet) hoofdzakelijk aan hem te danken is geweest? En als dat niet genoeg is: zou iemand die belangrijke wetenschappelijke publikaties over het parlement en de organisatie van de staat op zijn naam heeft staan, niet veel meer een zaal of een spreekkamer in het gebouw van het parlement verdienen dan oud-Kamerleden aan wie die eer alleen maar op grond van geslacht of zelfs van louter uithoudingsvermogen is toegekend? Kan niet iemand alsnog een voorkeurstem op Van der Goes van Naters uitbrengen? En laat hij dan meteen J.H. Scheps in ere herstellen, een man met historische verdiensten voor het parlementaire stelsel, groot democratische pedagoog en eminent verzetsman (met eigen illegale uitgeverij). En insgelijks: Van der Spek, één van de meest toegewijde en effectieve parlementariërs; Fedde Schurer, christen-socialist en moreel hoogstaand pacifist in de jaren van de Koude Oorlog; de antirevolutionairen Schakel, Diepenhorst en Bruins Slot; en niet te vergeten: de katholieke drukker, verzetsman en latere voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie Th. Koersen. En in ieder geval de socialist Koos Vorrink, op wie koningin Wilhelmina in Londen haar hoop had gevestigd als de verpersoonlijking van de naoorlogse politieke vernieuwing. In de categorie Kamerleden met een groot verzetsverleden zou ook de communist Gerben Wagenaar niet mogen ontbreken. En in de categorie intellectuele zwaargewichten niet: H.J. Hofstra, Jac. de Kadt en W.J. Geertsema. En wat de vooroorlogse lichting betreft, waarom heeft men W.H. Vliegen, de vrijzinnig-liberaal Treub of de Indië-specialist van de sociaaldemocraten Van Kol buitengesloten? Evenals, last but not least, de categorie Indonesische Kamerleden?

Maar nog eenmaal Domela Nieuwenhuis, wie men onherstelbaar onrecht aandoet als zijn naam niet alsnog op de één of andere manier in het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer wordt vereeuwigd. Domela heeft op de meest herosche wijze weerstand geboden aan de hatelijke bejegening die hij jarenlang in en buiten het parlement van de gevestigde orde moest verdragen: hij werd met de nek aangekeken, gemeden, gesoleerd en toen hij over de hoofden van de hem negerende overige negenennegentig Kamerleden, de held van het op kiesrecht wachtende arbeidersvolk was geworden, werd hem buiten de Kamer het spreken door de gewapende macht vrijwel onmogelijk gemaakt. Na één termijn gaf hij zich in het parlement gewonnen en zag van herverkiezing af, maar in de korte tijd waarin hij als eenling in de Tweede Kamer had gefigureerd, was hij een sieraad voor het parlementarisme geweest. De Kamer is hem ten minste een spreekkamer verschuldigd. Maar meer nog een zaal.