Oude schoeners kunnen steeds minder opboksen tegen grote stalen schepen: Buginese zeelui stevenen af op hun ondergang

In alle Indonesische havenplaatsen genieten de Buginezen faam als kundige zeelui die zonder kompas of sextant de reusachtige archipel doorkruisen met hun fraaie schoeners, zoals ze dat al eeuwen hebben gedaan. Steeds minder slagen ze er echter in om het hoofd boven water te houden tegen de moordende concurrentie van grotere en sterkere stalen schepen. Het stamgebied van de Buginezen, van huis uit helemaal geen zeelieden maar boeren, ligt in de provincie Zuid-Sulawesi, het smalle schiereiland in het zuidwesten van Celebes. De circa 3,5 miljoen Buginezen kunnen bogen op een rijke culturele traditie. Ambitieus zijn ze ook. “Kan de Buginees in eigen omgeving geen succes boeken, dan zoekt hij het elders”. De verklaring waarom een groot deel van het volk in de diaspora is terecht gekomen.

JAKARTA-UJUNG PANDANG, 6 SEPT. In Sunda Kelapa, de oude haven van Jakarta, lijkt de tijd stil te staan. Arbeiders lossen gezaagde boomstammen uit grote houten schepen. De boten liggen zij aan zij afgemeerd, de voorsteven naar de kade, de boegsprieten in een schilderachtige slagorde. Dit zijn de roemruchte pinisi, traditionele schoeners uit Zuid-Sulawesi, en bemand door Buginezen, de zeenomaden van de Indonesische Archipel. Deze schepen vormden tot voor kort de laatste grote zeilvloot ter wereld.

Maar de tijd staat niet stil. De afgelopen vijftien jaar kregen alle pinisi een zware scheepsdiesel aan boord en verdween de tweede mast. De Buginezen hebben hun schoeners gemotoriseerd om bij te blijven in de race om het vrachtvervoer tussen de eilanden. Want de stalen schepen zijn in opmars. Zo'n tien kilometer ten oosten van Sunda Kelapa ligt de moderne zeehaven Tanjung Priok, waar tankers, kustvaarders en containerschepen het beeld bepalen.

Deze moderne vloot onderhoudt niet alleen het zeetransport met het buitenland, maar verzorgt ook een steeds groter deel van het vervoer tussen de vele eilanden van Indonesië. De Buginezen met hun trage, houten schepen worden verdrongen naar de meer afgelegen eilanden van de archipel en naar het soort vracht waarbij snelheid niet zo'n rol speelt: hout, cement en kopra. Wat op tijd moet zijn, gaat niet meer naar de Buginezen.

Toch vormen de ruim drieduizend houten pinisi nog steeds een indrukwekkende handelsvloot. Karakteristieke spitse voorstevens beheersen het beeld in de vele kleinere havens van Indonesië, van Bali tot Timor en Buginese zeevaarders doorkruisen zonder kompas de Javazee om hout uit Kalimantan (Indonesisch Borneo) naar Jakarta te brengen. Buginese scheepsbouwers laten nog steeds nieuwe houten vrachtschepen van stapel lopen langs de stranden van Zuid-Sulawesi. Nu daar wegens de ontbossing het timmerhout dreigt op te raken, verleggen de Buginese scheepsbouwers hun activiteit naar Zuid- en Oost-Kalimantan waar het tropische hout nog in overvloed voorhanden is.

Die trek is kenmerkend voor de zeevarende Buginezen, die al eeuwen geleden begonnen uit te zwermen over de archipel op zoek naar emplooi: als huursoldaten in dienst van vreemde vorsten, als rondtrekkende handelaren of als kolonisten. Die eeuwenlange migratie heeft geleid tot een Buginese diaspora; ongeveer een kwart van de 3,5 miljoen Buginezen in Indonesië woont buiten Zuid-Sulawesi, hun traditionele woongebied. Zij waren transmigranten avant-la-lettre: van de Lampung in Zuid-Sumatra tot de kusten van Irian Jaya vinden we Buginese landbouwers, vissers en handelaren met hun kenmerkende houten paalwoningen.

Het waren de huurlingen en zeevarende kooplieden die de Buginezen het imago hebben opgeleverd van vechtersbazen, mannetjesputters en avonturiers. Toch zijn de zeevaarders altijd in de minderheid geweest. De Buginese samenleving was en is een agrarische maatschappij, de overgrote meerderheid is boer en menige Buginees heeft nog nooit de zee gezien.

Het oorspronkelijke woongebied van de Orang Bugis is de provincie Zuid-Sulawesi, het smalle schiereiland in het zuidwesten van Celebes, dat zij delen met de verwante Makassaren. Hier stichtten de Buginezen in de loop der eeuwen een aantal koninkrijkjes zoals Luwu, Wajo en Bone, die met elkaar en met het Makassaarse rijk Goa oorlog voerden om de suprematie in het gebied. De Buginezen gingen pas in de 17de eeuw over tot de islam , maar behoren tegenwoordig tot de vroomste moslims van Indonesië. Zij boden taai verzet tegen de Hollanders. Pas in 1905, na de zogenoemde Bone-expeditie, werd Zuid-Celebes gepacificeerd en onder rechtstreeks Nederlands bestuur gebracht.

De "Bugi's' beschouwen zichzelf als veel beschaafder dan andere volken in Indonesië. Ze maken hun buren, de Makassaren, uit voor achterlijke boeren en de bewoners van de andere eilanden, die ze steevast "Javanen' noemen - ook al komen ze uit Sumatra - beschouwen ze als halve barbaren. Een kenner van de Buginese cultuur is de Nederlandse taalkundige dr. Roger Tol, die in Jakarta meedraait in het ILDEP-project, een samenwerking tussen het Indonesische Instituut voor Taalkunde en de Rijksuniversiteit Leiden. Hij moet lachen om de Buginese opschepperij over de eigen kwaliteiten, maar bevestigt dat de Bugis kunnen bogen op een rijk cultureel erfgoed.

Tol: “De Buginezen hebben een eigen schip dat oorspronkelijk uit India stamt. Hun taal is heel complex en kent een lange literaire traditie. De Buginese literatuur heeft het langste epos ter wereld, I La Galigo, voortgebracht dat zich afspeelt in de tijd dat de goden afdaalden naar de aarde. Er bestaat in het Buginees een reeks tamelijk betrouwbare historische werken. De tientallen staatjes in het gebied hadden elk hun eigen kroniek, waarin de legendarische afstamming van de vorst stond opgetekend en de geschiedenis van het land werd behandeld. Dat zijn uitzonderlijke dingen binnen de Indonesische literatuur”.

Toch hebben de Buginezen vooral naam gemaakt als zeevaarders en handelaren. Hun navigatiekunst staat hoog aangeschreven in Indonesië en hun kennis van wind en stromingen is verbluffend. Buginezen kunnen koers houden zonder kompas of sextant en beweren dat ze een koraalrif op afstand ruiken. Er zijn aanwijzingen dat Buginese zeelieden met hun houten pinisi al eeuwen geleden de Indische oceaan overstaken naar Madagaskar. Roger Tol: “Een collega van me, een expert in de vergelijkende taalkunde, heeft Buginese elementen ontdekt in het Malagasy, de taal van Madagaskar, een sterke aanwijzing dat er intensieve contacten hebben bestaan”.

Al lang voor de komst van de Hollanders naar de Indonesische archipel beschikten de Buginezen over een eigen handelsnetwerk, dat onderdeel uitmaakte van de Aziatische zeehandel tussen India en China. Wegens oorlogen tussen de Javaanse vorstendommen, na de Portugese inname van Malakka in 1511, verplaatste het centrum van de handel in Molukse specerijen zich naar Makassar op Zuid-Celebes. Het waren de Buginezen die gebruikmakend van de moessonwinden jaarlijks naar de Molukken voeren om de waardevolle peper en kruidnagelen naar de haven van Makassar te brengen.

In de loop der eeuwen hebben tienduizenden Buginezen hun geboortegrond verlaten om zich elders in de archipel te vestigen. Zainal Abidin, een Buginese wetenschapper, brengt zowel de handelslust als dit trekgedrag in verband met het Buginese warensysteem. De Buginese samenleving is een uitgesproken competitieve maatschappij, waarin niet alleen afkomst maar ook prestatie iemands status bepalen. De Buginese man zou zijn persoonlijke eer boven alles stellen. Kan hij geen succes boeken in de eigen omgeving, dan zoekt hij het elders, stelt Abidin. Buiten de eigen streek is men verlost van de boeien van de adat, het gewoonterecht, en kan men zijn innerlijke drang uitleven. Juist de migranten werden vaak succesvolle ondernemers.

De pieken in de Buginese migratie waren het gevolg van binnenlandse onrust en hongersnood. De eerste grote golf volgde op de verovering van Makassar door de Hollanders in 1669. De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) veroverde het monopolie op de handel in Molukse specerijen en verdrong de Buginezen. Die vertrokken toen in groten getale naar elders op zoek naar nieuwe handelsmogelijkheden.

De meest recente migratiegolf kwam op gang in de jaren vijftig en zestig, toen de beweging Darul Islam poogde gewapenderhand een islamitische staat te vestigen in Indonesië. In Zuid-Sulawesi werd de opstand geleid door de Buginees Abdul Qahhar Mudzakkar (1921-1965), wiens guerillaleger de provincie vijftien jaar onveilig maakte. Het was een bloedige burgeroorlog, die een diepe kloof heeft geslagen binnen de Buginese maatschappij. Duizenden verlieten hun geboortegrond en vestigden zich elders in Indonesië, onder andere in het zuiden van Sumatra, waar zij tot vandaag een gesloten gemeenschap vormen van boeren en vissers. De Buginezen waren zo mobiel omdat de migranten gebruik konden maken van de kennis en contacten van de zeevaarders.

De bakermat van de Buginese handelsvloot vormen de scheepshellingen van Tanah Beru, een desa op het uiterste puntje van Zuid-Sulawesi, waar elk erf een scheepswerf is. In Tanah Beru ontmoet ik Usman Hasan, voormalig scheepskapitein en voorzitter van Kopinkra, de Coöperatie van Ambachtelijke Scheepsbouwers. Hij neemt me mee naar het strand, waar zo'n 20 houten schepen op stapel liggen en het geluid van de branding wordt overstemd door hamerslagen. Kopinkra bestaat uit negen arbeidscollectieven van zo'n 25 man, die meestal familie van elkaar zijn.

Usman: “Wij bouwen nog grotendeels volgens de traditie. We verwerken alleen hout en er komen geen werktekeningen aan te pas. Onze gereedschappen zijn in de loop der jaren niet veranderd, al maken we nu wel gebruik van elektrische boormachines. De planken voor de kielen worden uit boomstammen gehakt en met behulp van houtvuren in de gewenste vorm gebogen. Alle schepen, van kleine vissersboten, tot pinisi van meer dan 100 ton, worden met houten pennen in elkaar gezet. Buitenstaanders beweren dat metalen bouten sterker zijn, maar metaal en hout gaan niet samen. Het metaal slijt het hout uit en het vochtige hout doet de bouten roesten. Vroeger kregen scheepsbouwers de vakkennis van huis uit mee. Jongens liepen mee met hun vaders en oudere broers, keken hoe het moest en konden het op den duur zelf. Nu moeten de jongens naar school. Kiezen ze daarna voor de scheepsbouw, dan moeten we hen alles uitleggen. Het vakmanschap wordt niet meer aangeboren, maar moet worden aangeleerd”.

De pinisi, vanouds het pronkstuk van de Buginese vloot, wordt in zijn oorspronkelijke vorm nauwelijks meer gebouwd. Usman: “De traditionele pinisi was een zeilschip, een schoener met twee masten die zeven zeilen voerde. Maar sinds de overheid de motorisering van de vloot ging subsidiëren, hebben we de achterkant van de kiel verlengd om plaats te maken voor machinekamer en hulpmotoren. De grote schepen die we nu bouwen zijn dan ook aanpassingen van het oude pinisi-model. Maar de karakteristieke spitse voorsteven blijft gehandhaafd. Die bepaalt het gezicht van de Buginese vloot”.

Jaarlijks glijden zo'n honderdvijftig houten schepen van de hellingen in Tanah Beru, hoofdzakelijk vissersboten en kleinere vrachtschepen. Usman: “Sinds de motorisering komt de pinisi-vloot steeds meer in handen van niet-Buginese reders, dikwijls Chinezen. De motor kost evenveel als het schip zelf en een houten casco van 200 ton kost al gauw 40 miljoen rupiah (40.000 gulden)”.

Dat is nog steeds een schijntje vergeleken met de prijs van stalen schepen met een vergelijkbaar tonnage. Die geringe bouwkosten en de lage lonen voor de Buginese bemanningen - meestal familieleden van de kapitein - zijn de enige reden waarom de zeehandel per pinisi voor de langzame vracht en op de afgelegen trajecten commercieel nog net haalbaar is. Maar de schepen worden snel afgeschreven, want ze zinken regelmatig. De houten casco's trillen uit elkaar onder het geweld van de veel te zware motoren en de gebruikte, vaak inferieure houtsoorten worden snel aangetast door de wormen.

De kleinere houten schepen kunnen het nog lang uithouden in deze uitgestrekte archipel met zijn duizenden eilanden, die dikwijls geen haven hebben en voor bevoorrading zijn aangewezen op de kleine vrachtvaart tegen lage kosten. Maar de zeehandel per pinisi lijkt ten dode opgeschreven. Om te voorkomen dat deze schilderachtige schepen uit de wateren van Indonesië verdwijnen, stelt het ministerie van toerisme een subsidie beschikbaar voor schoeners die hun masten blijven voeren. Het zal niet lang meer duren of uitgekookte touroperators gaan toeristische zeereizen organiseren per pinisi. Het is maar de vraag of de Buginezen daar zelf van zullen profiteren.