Openluchtmuseum in Siberië voor Sebald Justinus Rutgers; 'Een glorieuze kolonist'

Vanaf de hoge oever kijk ik uit over de Tom. Op de linkeroever tekent zich het kolossale silhouet van de zwaar rokende cokesfabriek af en links daarvan de eindeloze rijen flats van de nieuwbouwwijken van Kemerowo, de 500.000 inwoners tellende regionale hoofdstad van het Siberische Koezbass-bekken.

Wat zou Rutgers gedacht hebben, vraag ik me af, als hij zijn blik over de stad zou laten gaan? Sebald Rutgers (1879-1961), Nederlands ingenieur en communist, die in 1921 hier neerstreek met in zijn kielzog een bont gezelschap van avonturiers en idealisten uit Europa en de Verenigde Staten. Geruggesteund door Lenin kreeg hij toestemming om een in verval geraakte kolenmijn te exploiteren. Het land moest weer opgebouwd worden. Honderden kolonisten zetten zich daarvoor in. Zes jaar later werd de "Autonome Industriële Onderneming Koezbass' (AIK) ingelijfd in het staatsbestel. Voor de buitenlandse kolonisten was de lol er af en de meesten trokken huiswaarts. “Toch is ons experiment geslaagd”, zei hij in 1927. “Onze kleine internationale in Siberië heeft een grote industriële onderneming geschapen. Dit alles zal blijven en groeien.”

Hij zou gelijk krijgen. Kemerowo en de Koezbass groeiden uit tot een van de belangrijkste industriegebieden en het centrum van de chemische industrie van de Sovjet-Unie.

Zestig jaar later, in 1986, was de kabelveerpont, die de kolen van de rechter- naar de op de linkeroever gelegen cokesfabriek vervoerde vervangen door een brug. De houten woningen, waar de eerste kolonisten woonden, werden bewoond door Russen. In het stenen kantoor van de AIK was een naaivakschool gevestigd. Een leerlinge van de school overhandigde ons een bos rode Siberische tulpen. In Rutgers' stenen woonhuis was een crèche gevestigd. Tientallen po's stonden in genummerde rekjes - voor ieder kind een aparte po. In de Tsjaikovski-school aan de Rutgersstraat was een plaquette gemetseld: “Deze straat draagt de naam van Sebald Justinus Rutgers (1879-1961), Hollands communist, internationalist en organisator van de Autonome Kolonie Koezbass.”

In de in 1924 geopende cokesfabriek was een permanente expositie ingericht over de glorieuze kolonisten. En de volksschilder Aleksej Golkov toonde zijn atelier, dat behangen was met schilderijen en studies van Rutgers en zijn companen. In de historische faculteit was een tijdelijke tentoonstelling ingericht met de in het Russisch vertaalde werken van Mulisch en Wolkers. Het was een initiatief van professor Jevgenia Krivosjeva, die het werk van de kolonisten beschouwde als een "toonbeeld van international solidariteit'. Ze opperde van het voormalige AIK-complex een openluchtmuseum te maken.

Vijf jaar later. In hotel "Koezbass' signeert ze haar boek over de kolonie. De Sovjet-Unie staat aan de rand van de afgrond. De mijnwerkers van Kemerowo hebben al de nodige keren gestaakt. De levensomstandigheden zijn abominabel. De vervuiling is gigantisch. Het land is weer terug bij af. Maar de ideeën voor een openluchtmuseum staan nog overeind. In gezelschap van ene dr. Sergej Pletnev, directeur van het regionale departement tot bescherming van cultuurmonumenten vertelt Krivosjeva trots over de planeen. De gemeente en particulieren hebben reeds meer dan een half miljoen roebel toegezegd. Er kan een begin worden gemaakt met de restauratie van het AIK-complex. De crèche in Rutgers' voormalige woonhuis en de naaivakschool in het voormalige AIK-kantoor worden elders ondergebracht.

Niet bekend

Jevgenia Krivosjeva schuift ongeduldig op haar stoel heen en weer. Als Pletnev is uitgesproken neemt ze haar kans waar. “Een prachtig plan”, roept ze, “maar het is anti-historisch.” Rutgers heeft volgens haar een grote rol gespeeld in de geschiedenis van de Koezbass. Daarom moet hij geëerd worden. Maar hij was niet de enige; de geoloog Volkov ontdekte reeds twee eeuwen eerder kolenlagen in het gebied. Met de steun van de tsarina Catharina II werden deze door de Frans-Belgische onderneming Kopikoez NV geëxploiteerd.

“We mogen onze prerevolutionaire geschiedenis niet vergeten. Ook de tsaren hebben een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van ons land.”

Ze wil dat de hele zone op de hoge oever van de Tom - zo'n veertig vierkante kilometer - tot reservaat wordt uitgeroepen. Pletnev lacht minzaam. “Dat duurt veel te lang. We moeten beginnen.”

“Ja”, zegt Krivosjeva, “hij is pragmaticus.”

“Ik zal u het rekeningnummer van het Rutgersfonds geven”, zegt Pletnev. “Nederland is toch medeverantwoordelijk voor het welslagen van dit project?”