Onder onvermoeibare Lehner klinkt Haydn echt als Haydn

ROTTERDAM, 7 SEPT. “Don't frighten me”, zegt Eugene Lehner, voormalig altviolist van het legendarische Kolisch Quartett (1929-1939), tegen de eerste violiste van het Tommy Kwartet. “Bruno Walter zou hebben gezegd: speel het met een glimlach.” Voor de derde keer klinkt de inzet van het Allegro Moderato uit Haydn's Strijkkwartet in G, opus 77 nr. 1. Maar al na enkele maten onderbreekt Lehner de leerlingen van het Rotterdams Conservatorium opnieuw. Uitbundig zingt hij in dubbelforte het openingsthema voor: “Here I am, t da dom” en dan heel zachtjes en verleidelijk: “Tadie da dá, tadie da dá”. Lehner slaat een arm om de gespannen primus inter pares heen, geeft een komische demonstratie met een van de strijkstokken en onderstreept hier en daar een paar belangrijke noten in de partijen. “Wij hebben nu eenmaal geen betrouwbare authentieke bronnen”, zegt hij, “maar als jullie deze melodielijn nou eens op deze manier zouden spelen. Laten we de beste oplossing kiezen. Voor vandaag tenminste.”

Onder aanvoering van de driftig dirigerende, dansende, stampende en grapjes makende Lehner laat het Tommy Kwartet ten slotte alle zenuwen varen, zodat Haydn werkelijk als Haydn begint te klinken.

Later op de dag verklaart Lehner: “Ik geloof dat muziek uit drie elementen bestaat: zingen, dansen en praten. Welke van de drie het belangrijkst is weet ik niet, maar dikwijls denk ik dat het praten is. In onze westerse notatie kan de componist veel dingen niet aangeven. Vergelijk het met een toneelstuk van Shakespeare. Een goede acteur is intelligent genoeg om precies te weten hoe hij zijn rol moet invullen, op welke plaats hij harder of zachter moet praten, welke woorden hij accenten moet geven en wanneer hij zijn zinnen moet laten stokken of juist versnellen. Toch heeft Shakespeare nooit in zijn tekst geschreven: "Nu een beetje luider, nu fluisteren, nu sneller, nu langzamer, nu even aarzelen, nu een grote keel opzetten.' Zo is het ook met muziek.”

Eugene Lehner, op 5 juli 1906 als Jenö Léner in het Hongaarse Bratislava geboren - en volgens de New Grove-encyclopedie op 4 november 1948 in New York gestorven -, is ondanks zijn 86 jaar nog altijd springlevend en onvermoeibaar. Nadat hij vanaf 's ochtends tien uur strijkkwartetten heeft gecoacht in de Willem Pijper Zaal van het Rotterdams Conservatorium, raakt hij tussen vier en vijf uur s middags niet uitgepraat over zijn kleurrijke verleden. Met Bartók, wiens moeder bevriend was met zijn familie, trad Lehner in Bratislava voor het eerst in het openbaar op met de Vioolsonate in A van Brahms. “Niet dat ik dat stuk als tienjarig jongetje al kon spelen. Maar omdat de pianopartij voor mijn vader veel te moeilijk was en ik het zulke ontzettend mooie muziek vond, deed ik gewoon alsof. Na afloop zei Bartók: 'Jenö, zou je niet echt viool willen leren spelen?' Hij was degene die mijn ouders ervan overtuigde dat ik violist moest worden. Zo kwam ik kort na de Eerste Wereldoorlog op het Conservatorium van Boedapest terecht.”

Eerst studeerde Lehner bij onder meer Kodaly (“Een afschuwelijk strenge man, met een ongelooflijk geheugen. Hij kende echt alle muziek uit zijn hoofd”) en de violist Hubai, de directeur van het Conservatorium. “Iedere dag liet Hubai zich in een door vier witte paarden getrokken koets naar de school brengen. Hij was de keizer, de tsaar, hij was God zelve. Les geven deed hij eigenlijk nauwelijks. Maar àls hij zich al eens verwaardigde om één van zijn studenten aan de piano te begeleiden, dan deed hij dat met zoveel passie en overtuigingskracht, dat hij grijze muizen in brullende leeuwen wist te veranderen.”

Aan Arnold Schönberg, van wie het Kolisch Quartett onder meer het Derde en Vierde Strijkkwartet in première bracht, komt Lehner tenauwernood toe. Wel benadrukt de altviolist dat Schönberg, die in zijn ogen een "Heilige drieëenheid' vormde met zijn leerlingen Berg en Webern, allesbehalve "een gortdroge theoreticus of een arrogante mathematicus' was: “Hij was een bijzonder inspirerende en warme persoonlijkheid. Schönberg bracht mij en de andere leden van het Kolisch Quartett onze liefde en vreugde voor de muziek bij. Hij gaf ons innerlijke kracht en moreel verantwoordelijkheidsbesef. Niemand weet door welke poort de onsterfelijken de hemel binnen gaan, maar voor Schönberg deed God de deur zeker open.”

Schönberg, die vanaf 1924 was getrouwd met de zuster van zijn leerling Rudolf Kolisch, speelde een belangrijke rol in de oprichting van het Kolisch Quartett. Op zijn verzoek formeerde Kolisch in 1922 het Wiener Streichquartett, dat een paar keer van samenstelling wisselde totdat het in 1929 werd herdoopt tot het Kolisch Quartett (met Felix Khuner als tweede viool; Lehner als altist en Benar Heifetz als cellist). Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verwierf dit kwartet zich grote faam met zijn glasheldere uitvoeringen van zowel de klassieke meesters als de avantgarde. Van Beethovens Grosse Fuge tot en met Bergs Lyrische Suite en Weberns Strijkkwartet opus 28 (waarvan het Kolisch Quartett de eerste uitvoering gaf); van Schuberts Rosamunde Kwartet tot en met de wereldpremières van het Vijfde en Zesde Strijkkwartet van Bartók, alles speelde het Kolisch Quartett uit het hoofd. In een tijd waarin het virtuozendom en de daaruit voortvloeiende muzikale excessen hoogtij vierden, stelde het Kolisch Quartett de analyse van de partituur centraal, zonder daarbij echter tot mechanische starheid te vervallen. Want juist dank zij de grondige voorbereiding en het uit het hoofd spelen, kon het kwartet op concerten met een enorme vrijheid en spontaniteit musiceren.

Eugene Lehner: “Begrippen als "goed' en "mooi' hadden volgens Schönberg in de muziek weinig betekenis. Hij wilde de "waarheid', altijd weer hamerde hij op "helderheid'. Een geschoolde luisteraar zou het door ons uitgevoerde stuk na één keer horen zonder problemen moeten kunnen opschrijven. Maar daarnaast roemde hij onze "zigeunerachtige' aanpak. Hoe warmer en menselijker de muziek had geklonken, hoe enthousiaster Schönberg reageerde.”

De Rotterdamse Strijkkwartetdagen duren tot en met morgen. Dagelijks masterclasses van Eugene Lehner in de Willem Pijper Zaal van het Rotterdams Conservatorium. Concerten op 7 sept (Daniel Kwartet) en 18 sept (Orlando Kwartet) in de Kleine Zaal van de Rotterdamse Doelen, aanvang 20.15 uur.