O-Europa: de democratie is nog altijd kwetsbaar; Coup in Moskou creëerde schrikbeeld van een Sovjet-Unie-oude-stijl

De staatsgreep van 18 augustus tegen Michail Gorbatsjov heeft, ook na de dramatische mislukking ervan en de snelle ineenstorting van het Sovjet-staatsbestel, de Oosteuropeanen één ding duidelijk gemaakt: er moet meer haast worden gemaakt met de Oosteuropese integratie in Europa.

De coup joeg schokgolven van schrik door Oost-Europa: een paar dagen lang was het lot van Gorbatsjov onzeker, en dat leverde het schrikbeeld op van een Sovjet-Unie-oude-stijl die wellicht zou trachten het wiel van de geschiedenis - dus de resultaten van de revoluties van 1989 - terug te draaien.

Een van de eerste maatregelen die de Poolse president Lech Walesa op de ochtend van 19 augustus nam was het bevel, de mobilisatie van de Poolse strijdkrachten op gang te brengen. Hij stelde zich bovendien in verbinding met de Tsjechoslowaakse en de Hongaarse autoriteiten, die al de volgende dag politieke en militaire leiders naar Warschau stuurden om te nemen maatregelen te coördineren. Op 20 augustus kwamen ze tot een gemeenschappelijke verklaring over de staatsgreep in Moskou en spraken Walesa, zijn Tsjechoslowaakse ambtgenoot Havel en de Hongaarse premier Antall af op korte termijn voor topoverleg bijeen te komen.

Tsjechoslowakije versterkte ijlings zijn troepen langs de grens met de Sovjet-Unie, verbood Sovjet-troepen die uit Duitsland naar de Sovjet-Unie worden teruggetrokken, de doorreis via Tsjechoslowaaks grondgebied en nam maatregelen om te voorkomen dat ontslagen agenten van de vroegere Tsjechoslowaakse geheime politie alsnog ten behoeve van de (toen nog vast in het zadel zittende) Sovjet-junta in actie zouden kunnen komen. In Hongarije vergaten alle in het parlement vertegenwoordigde partijen even hun onderlinge geschillen en verenigden ze zich in een gemeenschappelijke verklaring tegen de Moskouse junta en verzekerde premier Antall zich snel van rugdekking in telefoongesprekken met Westerse leiders als Bush en Kohl. In Roemenië en Bulgarije hielden de regering, de oppositie en de media zich van louter schrik en onzekerheid in die eerste dagen van de staatsgreep volledig op de vlakte. De enige uitzondering vormde de krachtige verklaring van de Bulgaarse president Zjelev, die al direct na de coup stelde dat de nieuwe machthebbers in Moskou hun land naar “onvoorziene ontwikkelingen, burgeroorlog, terreur, nationalisme, chauvinisme en de uiteindelijke ruïnering van hun land” leidden. Zelfs Albanië - waar president Alia de staatsgreep in niet mis te verstane termen veroordeelde - kondigde niet nader gespecificeerde “militaire maatregelen” aan.

De coup in Moskou drukte even de Oosteuropeanen met de neus op een paar ongemakkelijke feiten. In eigen land zijn de democratisering en de hervormingen niet terug te draaien. Maar met hulp van een nieuw, ideologisch orthodox regime in Moskou zouden de oude, uitgerangeerde krachten van het socialisme zich wel veel makkelijker tegen de nieuwe democratie kunnen mobiliseren. Warschaupact en Comecon zijn verdwenen, maar de Sovjet-Unie heeft nog altijd een aantal machtsmiddelen die de democratische leiders van Oost-Europa parten kunnen spelen. Het eerste: troepen langs de grenzen. Het tweede: contacten van de KGB - waarvan chef Krjoetsjkov in de Moskouse junta zat - met de in sommige gevallen slechts ten dele ontmantelde veiligheidsdiensten in Oost-Europa. En het derde en belangrijkste: de economische afhankelijkheid van Oost-Europa. De meeste Oosteuropese landen zijn nog steeds op de Sovjet-Unie aangewezen waar het hun olie en gas betreft en Moskou zou, als het dat zou willen, de economieën van sommige Oosteuropese landen kunnen verlammen en de democratische regimes in een economische wurggreep kunnen nemen door die energieleveranties te staken. De Oosteuropese industrie is voor een belangrijk deel nog altijd aangewezen op de Sovjet-Unie als afzetmarkt en alle Oosteuropese landen hebben van Moskou nog miljarden dollars te goed. Interventie van Sovjet-Unie, zo realiseerde men zich in Oost-Europa, hoeft niet per se het karakter van een militaire invasie à la Tsjechoslowakije 1968 te hebben - ze zou ook het karakter van een geleidelijke politieke en economische destabilisering kunnen aannemen.

Na de roemloze val van de junta en de terugkeer van Gorbatsjov week het gevaar en week de schrik. Maar verdwenen is die niet: in de Oosteuropese hoofdsteden is men er zich wel van bewust dat ook nu nog het gevaar van een militaire staatsgreep in Moskou, te volgen door een militaire dictatuur en de instelling van een dogmatisch law-and-order-bewind in de Sovjet-Unie niet denkbeeldig is.

De coup in Moskou en de vrees voor een eventuele herhaling heeft de noodzaak van een snellere aansluiting bij Europa in de ogen van de Oosteuropeanen alleen maar groter gemaakt. Al op 23 augustus brachten de leiders van Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije de EG die noodzaak nog eens onder de aandacht en op dezelfde dag stelde de Poolse onderminister van buitenlandse zaken Jerzy Makarczyk dat “nu de tijd is gekomen” om gedane beloften in te lossen.

De boodschap lijkt ditmaal eindelijk te worden begrepen. Nog tijdens de staatsgreep in Moskou stelden de EG-ministers van buitenlandse zaken dat Tsjechoslowakije, Polen en Hongarije “zo spoedig mogelijk” de status van geassocieerd lid moeten krijgen en diverse Europese ministers en de Europese Commissie hebben zich nadien in soortgelijke termen uitgelaten. Misschien dat president Havel zelfs gelijk zou kunnen krijgen met zijn opmerking dat de staatsgreep in Moskou “onze vooruitgang in de richting van West-Europa paradoxaal genoeg wel eens zou kunnen worden versneld” door de greep naar de macht van de dogmatici in Moskou.