NOORDEINDE

Paleis Noordeinde door Piet Lekkerkerk 95 blz., geïll., De Walburg Pers, 1991 (Kleine monumenten reeks), f 17,50 ISBN 90 6011 748 4

Sinds kort heeft P. den Boers "Het huys int Noorteynde' uit 1986 een jong broertje, eveneens bij De Walburg Pers. Dit is kleiner, enkel in zwart-wit geïllustreerd en een stuk goedkoper, en blijkbaar is er een markt voor. Aanleiding voor deze nieuwe publikatie is de tentoonstelling in het Haags Historisch Museum over "Het Oude Hof' in Den Haag, zoals het Noordeinde lange tijd werd genoemd. Aanleiding voor die tentoonstelling is het feit dat het vierhonderd jaar geleden is dat de eerste Oranje het gebouw betrok en de toon zette voor een traditie, die door koningin Beatrix tot vreugde van de Hagenaren is opgepikt.

Op aandrang van prins Maurits verliet Louise de Coligny Middelburg en vestigde zich op het Noordeinde, dichter bij de macht, en dat kon alleen maar goed zijn voor Frederik Hendrik, halfbroer en opvolger van Maurits. Hier werd de toon gezet voor zijn belangstelling, die naast het bedwingen van steden uitging naar de kunst en nieuwe paleizen. Bij het Noordeinde kocht hij diverse percelen achter het huis om er voor zijn moeder, de weduwe van Prins Willem I van Oranje een tuin aan te leggen, de Princessetuin.

Frederik Hendrik, niet alleen de bouwmeester van het Huis ten Bosch, Honselaarsdijk en het Huis te Rijswijk, liet het Noordeinde aan de smaak van de tijd aanpassen door Jacob van Campen, architect van onder andere het Paleis op de Dam. Die gevels aan het Noordeinde bepalen nog steeds het uiterlijk van het gebouw, dat vooral aan de achterzijde in het begin van de vorige eeuw ingrijpend werd gewijzigd om het huis geschikt te maken tot koninklijk paleis voor koning Willem I. Veranderingen aan de voorgevel, kosmetische laagjes, zijn bij de laatste restauratie ongedaan gemaakt: alleen het balkon mocht blijven.

De meeste Oranjes hebben korte of langere tijd in het huis verbleven en meestal moest er wel een aanpassing worden gepleegd om het interieur aan de telkens wisselende eisen te laten voldoen; dat was ook bij de restauratie van 1977-84 onvermijdelijk. De geschiedenis van het paleis is er niet alleen een van opeenvolgende bewoners, maar ook een van voortdurende verbouwinkjes, en de auteur is er een nauwgezet chroniqueur van. Misschien een beetje te braaf, want het handzame boekje laat na een indruk te maken, laat staan een diepte. Temidden van de talrijke illustraties hadden een plattegrond en wat architectuurfoto's er overigens nog wel afgekund.