NATUUR VOOR ONTEVREDENEN

The Idea of Wilderness. From Prehistory to the Age of Ecology door Max Oelschlaeger 477 blz., Yale University Press 1991, f 73,85 ISBN 0 300 04851 3

Woorden als ”milieu' of ”natuur' stonden vijfentwintig jaar geleden niet vaak in de krant. Onze bewondering voor de natuur was zo vanzelfsprekend dat zelfs filosofen er zelden over nadachten. ”Natuur is voor tevredenen of legen', luidde dan ook het begin van Bloems inmiddels beroemde gedicht De Dapperstraat uit 1945. De ongerepte, wilde natuur wekte destijds hoogstens de belangstelling van de wijsgerige antropologie die cultuur en natuur tegen elkaar afzette en de westerse mens met primitieve, dicht bij die natuur staande samenlevingen confronteerde.

Inmiddels is dit veranderd. Vooral in de Verenigde Staten houden talloze filosofen met steun van antropologen, literatuurwetenschappers, theologen en historici zich bezig met ecologie en milieufilosofie. Naast wijsgerig-antropologische inzichten dient het romantische gedachtengoed uit de vorige eeuw als inspiratiebron, en ook steeds meer eigentijdse opvattingen uit deconstructivisme, vrouwenstudies en postmodernisme. Deze recente opvattingen hebben met elkaar gemeen, dat ze een aantal fundamentele ideeën wantrouwen; ze vechten ons vermogen tot universele uitspraken aan en ook de objectieve pretentie van wetenschap. Juist de rationele zelfoverschatting en de absolute zekerheid van onze kennis zijn in dergelijke perspectieven verantwoordelijk voor de grote problemen van onze tijd.

Het onlangs verschenen boek van Max Oelschlaeger, The Idea of Wilderness, is in zijn benadering representatief voor veel van wat op het gebied van milieufilosofie verschijnt. Het geeft een historisch overzicht van de manier waarop de mens zich sinds de prehistorie tot zijn natuurlijke omgeving heeft verhouden en is tegelijkertijd een pleidooi voor een radicaal andere opstelling tegenover die natuur. Oelschlaeger begint zijn geschiedenis van het natuurbegrip in het Paleolithicum, toen de mens hoofdzakelijk van de jacht leefde en nog één was met een levende, bezielde en heilige natuur, die als een oermoeder voor haar kinderen zorgde.

Voor Oelschlaeger is het Paleolithicum een Gouden Tijd, waar we van kunnen (en moeten) leren. Daarmee staat hij in een primitivistische traditie die het leven van vroege culturen en wilde stammen ten voorbeeld stelt aan onze maatschappij en die in navolging van Rousseau de westerse beschaving als een terugval opvat.

PLEIDOOI

Zo raakt volgens Oelschlaeger de harmonieuze verhouding van mens en natuur al in het Neolithicum danig verstoord: met de opkomst van de landbouw begint men de natuur te verkavelen, te maltraiteren en te beheersen. Deze ontwikkeling zet zich voort in de Mesopotamische, Oudtestamentische en Griekse beschavingen. Via vroeg-christelijke en middeleeuwse opvattingen belandt Oelschlaeger bij wat hij het Modernisme noemt, de tijd vanaf de renaissance. Modernisme fungeert hier (niet ongebruikelijk in de huidige milieufilosofie) als een containerbegrip, waarin het rationalisme van Descartes, Newtons experimentele natuurbenadering en het positivisme van John Stuart Mill en Auguste Comte moeiteloos worden samengesmeed tot een amalgaam van materialisme, atheïsme en een dictatuur van ”de' technologie, dat de lezer moet doen snakken naar een in het vooruitzicht gestelde bevrijding door de Paleolithische Geest, deep ecology en ecofeminisme.

ECOLOGISCHE HELDEN

Het tweede deel van Oelschlaegers geschiedenis van het natuurbegrip is interessanter. Na een korte bespreking van de Engelse romantische poëzie komen Amerikaanse schrijvers en denkers vanaf de vorige eeuw aan bod. Hier ontmoeten we een aantal ideeën over de natuur die nog altijd de belangrijkste voedingsbodem zijn voor actuele debatten over een op handen zijnde milieucatastrofe.

Allereerst bespreekt Oelschlaeger de nonconformistische romanticus Henry David Thoreau (1817-1862), die twee jaar als kluizenaar in een zelfgebouwde hut aan de Walden-vijver leefde. Diens verslag daarvan, Walden or life in the woods (1854), zijn natuurmystiek en zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid hadden grote invloed op uiteenlopende idealisten als Mahatma Gandhi en Frederik van Eeden (die in 1898 in Het Gooi de kolonie Walden stichtte). Thoreau's vaak aangehaalde dictum, dat in de wildernis het behoud van de wereld ligt, is de centrale gedachte van Oelschlaegers boek.

Thoreau inspireerde ook de Amerikaanse schrijver, botanicus en natuurbeschermer John Muir (1838-1914), een pantheïst die de heerschappij van de mens, Lord Man, over de natuur aan de kaak stelde. In het vocabulair van Oelschlaeger (dat voor het romantisch woordgebruik van Muir soms nauwelijks onderdoet) heet het dat de laatste ””in een bijna Paleolithisch bewustzijn van de relaties tussen mensheid en natuur als een bos begon te denken: de bomen waren verwante geesten'' en, zo besluit hij, ””going into the woods was going home''.

In de ecologische heldengalerij volgen daarna de bosbouwer en publicist Aldo Leopold, de in een (eveneens zelfgebouwde) toren levende Whitman-achtige dichter Robinson Jeffers en de nog levende utopische dichter Gary Snyder, in wiens werk Oelschlaeger vooral de oosterse en indiaanse wijsheid en de spirituele liefde voor het landschap beklemtoont.

GEEN NEW AGE

Lezing van The Idea of Wilderness roept twee vragen op; wat is het als geschiedenis van een idee waard en, ten tweede, welke bijdrage levert het aan actuele discussies over fundamentele oorzaken van een wereldwijde milieucrisis? Om te beginnen, met ideeëngeschiedenis die een vaststaand, eeuwig begrip vanaf de wieg van de mensheid tot aan het al dan niet vermeende graf denkt te kunnen volgen, schieten we meestal niet veel op. Het heeft bij voorbeeld weinig zin het idee vrijheid (of kennis, of democratie, vooruitgang of macht) gedurende duizenden jaren te traceren. ”Vrijheid' betekent in de Oudheid iets volstrekt anders dan in de Franse Revolutie of in het bezette Nederland van 1943. De mogelijkheden van zo'n begripsgeschiedenis zijn dan ook uiterst beperkt.

Zo ook met het natuurbegrip. De natuur die Newton onderzocht verschilt nogal van de natuur van Amerikaanse reservaten, het Griekse natuurbegrip (physis) heeft weinig gemeen met de Natur van de Duitse romantiek en Spinoza's natura is (niet alleen door zijn abstractie) volkomen onvergelijkbaar met wat de holenmens om zich heen zag, àls we daar al iets van kunnen begrijpen. Dit zijn onvermijdelijke problemen voor iemand die (zoals Oelschlaeger het expliciet in zijn voorwoord aankondigt) een ”universele geschiedenis' wil schrijven over ”one steadfast theme'.

Dat is waarschijnlijk ook de reden dat Oelschlaeger vaak van ”wildernis' spreekt, een poging zijn natuurbegrip te specificeren. Maar die term is tijdgebonden en impliceert een romantisch gezichtspunt, waar we ons nog altijd moeilijk van kunnen ontdoen. Of we willen of niet, wanneer we door de bossen lopen, wandelt een stoet van Duitse en Engelse romantici met ons mee. En wanneer Oelschlaeger in de overweldigende eenzaamheid van de bergen meent te verkeren, bevindt hij zich juist in een aanzienlijk gezelschap, van Thoreau tot Muir en van Jeffers tot Snyder.

Blijft de vraag, welke oplossing het programma van The Idea of Wilderness aandraagt. Ondanks het herhaalde beroep op ”spiritualiteit' plaatst het zich verrassend genoeg buiten alles wat met New Age te maken heeft. Deze wereldwijde mode wordt in één halve bijzin als mystiek afgedaan, hoewel de schrijver zich daar elders weinig afkerig van betoont. Wellicht is zijn pleidooi voor postmodernisme en de paleolithische geest stilzwijgend als een alternatief bedoeld voor de door Christopher Lasch onlangs in The True and Only Heaven gepropageerde groen-conservatieve terugkeer naar de eenvoudige burgerlijke waarden van een bescheiden levende Amerikaanse middenklasse. Oelschlaeger is progressiever en radicaler. Hij zoekt het platteland en het recente verleden niet op maar trekt de reservaten in, speurend naar indiaanse wijsheid en de wildernis van een wel heel erg oude geschiedenis.

OPPORTUNISME

Is dit postmodern en van deze tijd, zoals hij ons wil doen geloven? Natuurlijk niet, het is romantisch pur sang. Wie zich het tweehonderd jaar oude programma van de romantiek voor de geest haalt, ziet àlle inmiddels tot op de draad versleten ideeën weer de revue passeren. Verzet tegen de rede en tegen de wetenschap, het organische in plaats van het mechanische, de religieuze natuurbeleving, de gebruikte etymologieën en een persistent holisme. Het aantal clichés in dit boek is zelfs zo groot, dat je af en toe het gevoel bekruipt dat een Amerikaanse Karel van het Reve de overvloedige vrije tijd van het emeritaat met het schrijven van een lijvige persiflage heeft proberen te doden.

Buit het postmodernisme hier misschien het uiterste van zijn ironische mogelijkheden uit? Ook het ongeremde intellectuele opportunisme lijkt daar voor te spreken. Wanneer het zo uitkomt, wordt Spinoza plotsklaps postmodernist. En wat te denken van het tegenwoordig zo populaire huwelijk tussen ecologie en feminisme, waarover Oelschlaeger zo enthousiast is en dat na diepgaand onderzoek vaststelt dat ””fallische mythe en taal de materiële milieuverontreiniging veroorzaken, legitimeren en verhullen''?

We blijven zitten met de vraag of dit soort ecologie louter voor ontevredenen en legen is. Kan er überhaupt wel op een filosofische manier over de milieucrisis worden geschreven? Dat dit niet onmogelijk is, zien we bij het werk van de Nederlandse cultuurfilosoof Ton Lemaire, die een vergelijkbare richting inslaat, ook de indianen bezoekt (getuige zijn vijf jaar geleden verschenen De indiaan in ons bewustzijn) en niet al deze ergernis wekt. Lemaire is erudiet, twijfelt, worstelt en is nieuwsgierig. Zijn werk is historisch interessanter, al biedt ook hij weinig perspectief. Zijn beslissing om de universiteit te verlaten en op het platteland in Frankrijk te gaan wonen is stellig geen louter persoonlijke zaak.

Kunnen we niet beter die achttiende-eeuwse scheiding tussen cultuur en natuur laten varen? Onze planeet is een park geworden waarvoor moet worden gezorgd, of we dat nu leuk vinden of niet. Op de natuur hoef je niet te rekenen, want ”de' natuur bestaat niet, al kunnen Oelschlaeger en vele andere milieufilosofen van dit door de romantiek zo warm aangeklede paradigma geen afscheid nemen. Hoe groen en ecologisch zulke boeken ook proberen te zijn, het is doorgaans weinig in heel veel verpakking en dat hoort in de groene schappen van de milieufilosofie niet thuis.