Memoires (slot)

Het was een vriend die me erop attent maakte. Achterop NRC Handelsblad, zei hij een paar weken geleden tegen me, schrijft iemand zijn memoires onder jouw naam. Mijn naam, zei ik. Ja, Heijne, zei hij. Bas Heijne. Ik had een tijdje geen kranten gelezen en ik vroeg hem waar die memoires over gingen. O, zei hij, ze gaan terug tot ver vóór je geboorte, jij bent het niet, het is alleen je naam. Op dat moment zag ik hem aarzelen. Wat is er, vroeg ik. Eh... zei hij. Jij deed als kleuter toch altijd Beatrix na tijdens haar huwelijk? Ik knikte. Dat kwam er wel in voor, zei mijn vriend. En je hebt me ooit verteld van feestjes bij die dichter en zijn vriend. Daar stond ook iets over.

Ik werd direct ongerust. Bij het gebruik van mijn naam kon ik nog aan een grap denken, al begreep ik die dan wel niet, maar het feit dat iemand met mijn verleden op de loop ging, bezorgde me een misselijk makende onbekende angst. Hoe wist de schrijver dat van Beatrix en het feestje? Wie had dat hem verteld? Kende ik hem? En waarom gebruikte hij mijn naam?

Ik belde naar de krant en vroeg hen wie die memoires schreef. Gewoon, degene die ze schrijft, luidde het antwoord. Bas Heijne. Maar hoe heet hij echt, vroeg ik en ik merkte dat mijn stem geforceerd klonk. Zo heet hij, hoorde ik de stem zeggen. Waar woont hij dan, vroeg ik. Dat kan ik u niet zeggen. Zeg hem dat hij op moet houden, zei ik, kwaad nu. Hij gebruikt mijn naam, hij misbruikt mijn herinneringen.

Bij het archief van de krant vroeg ik alle afleveringen op. Ze arriveerden twee weken geleden in een grote, bruine envelop. Nerveus scheurde ik hem open: er zat een flink stapel krantenknipsels in, eenentwintig om precies te zijn. Het was waar: onder ieder stuk zag ik mijn eigen naam staan. Ik ging achter mijn bureau zitten en begon te lezen, met mijn poes Cleo op schoot.

Het was ongelooflijk. In de eerste aflevering, die bijna een half jaar daarvoor was verschenen, beschreef de auteur (ik durfde hem niet bij zijn naam te noemen) omstandigheden die precies op de mijne leken (tot en met mijn Cleo!) en, erger nog, een geestesgesteldheid die ik herkende als de mijne. Hij schreef dat hij altijd het gevoel had gehad geen gezicht te hebben, dat hij nooit geweten had wie hij was. Hij had zich altijd verloren in de ervaringen van anderen. Hij hoopte, schreef hij, zijn eigen persoonlijkheid in de belevenissen van anderen te ontdekken.

De memoires zelf waren nog vreemder. Ze gingen precies een eeuw terug, tot 1891, en de hoofdpersoon, die net zo heette als ikzelf, baande zich een moeizame weg door de geschiedenis. Hij was overal bij geweest, hij had Couperus ontmoet, hij had het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt, kende Troelstra, sprak met W. H. Auden, was getuige van de Reichstagbrand, enzovoort, enzovoort. Hij was overal bij geweest, en toch had hij steeds weer het gevoel alles net gemist te hebben. Onderweg wisselde hij steeds van gedaante, nam hij steeds weer andere persoonlijkheden aan. Nu eens was hij twintig en student, dan weer was hij een oude, teleurgestelde man, het ene moment was hij getrouwd en had hij kinderen, het andere lag hij met een jongen in bed; de chronologie en logica van zijn verhaal leek buiten hemzelf te liggen. Zijn eigen persoonlijkheid leek af te hangen van uiterlijke omstandigheden. Hij had tientallen gezichten. En dus geen.

Maar het allervreemdste, en dat maakte me blij en bang tegelijk, was dat al die herinneringen wel degelijk over mij gingen. Hoewel ik de meeste gebeurtenissen die deze Heijne beschreef alleen uit de geschiedenisboekjes kende, herkende ik mezelf toch in wat hij beschreef. Deze memoires droegen wel degelijk mijn autobiografie in zich; ik herkende talloze voorvallen en emoties en gedachten. Alleen was alles hopeloos versnipperd en had de schrijver al deze persoonlijke, intieme details aan de grote klok van de geschiedenis gehangen. Ik begreep wel waarom. Hij probeerde zichzelf (en mij) een verleden te geven. Wie zichzelf verbonden weet met de geschiedenis, heeft een gezicht. Zelf zou ik het net zo hebben gedaan.

Maar wie was hij? Ik moest hem ontmoeten, dat was duidelijk. Ik moest erachter zien te komen waar hij woonde. Ik keek in het telefoonboek, maar daar zag ik alleen mijn eigen naam en nummer. In een opwelling draaide ik het. Ik kreeg in gesprek.

Ik stuurde een kort briefje naar NRC Handelsblad, met het verzoek of ze een bijgesloten brief wilden doorsturen naar Heijne. Er ging een week voorbij zonder dat ik iets hoorde. Toen, op zaterdagochtend (de dag dat de drieëntwintigste aflevering van zijn en mijn memoires zouden verschijnen), lag er een ansichtkaart op mijn mat. Op de voorkant stond het bekende schilderij van Magritte met de man die recht voor de spiegel naar zijn eigen rug kijkt. Op de achterkant stond alleen: "Zaterdag a.s. 15.00. Bij jou'.

Ik begreep het. Hij wilde me in spanning houden. Maar naarmate onze ontmoeting dichterbij kwam, nam de angst en boosheid die ik voelde vreemd genoeg af. Op een bepaalde manier had ik hem al ontmoet: in zijn memoires. Ik kon mij een beeld van hem vormen, geen haarscherp beeld, dat was waar, daar waren zijn herinneringen te verknipt voor, maar ik had niettemin het gevoel dat zijn persoonlijkheid mij vertrouwd was. Ik vond hem interessant en dacht dat ik wel met hem zou kunnen opschieten. Zonder dat hij wist wie hij was had hij zijn memoires geschreven; daar herkende ik mezelf in. Met onze aanstaande ontmoeting was het als met een bezoek aan de tandarts; het moment zelf zou veel minder angstaanjagend zijn dan de gedachte aan het moment.

Dat was afgelopen week. Nu is het zaterdagmiddag en ik zit achter mijn bureau. Ik wacht op hem. Ik ben niet zenuwachtig meer, want ik weet wie ik kan verwachten. Ik aai mijn poes en wil de radio aanzetten, maar ik hoor de bel gaan. Ik sta op en loop de kamer uit. Ik wandel rustig door de gang en dan open ik de voordeur en daar staat