Klassieke witte

De dag des oordeels voor de eenjarigen is alweer voorbij: sommige zijn overgegaan met een goed rapport, andere teruggeworpen in de uiterste duisternissen.

Ze werden zonder onderscheid omringd met tedere zorg, geboren in de logeerkamer, geacclimatiseerd in een koude kas opgetrokken uit vier planken en een perspex bovenlicht, uitgeplant in keurig opgemaakte bedden. Keurig maar tijdelijk, het zijn inderdaad hotelbedden: eenjarige planten hebben iets van een reizend toneelgezelschap, ze arriveren met veel rumoer en geven een serie opvoeringen waardoor de permanente bezetting van het theater tijdelijk wat naar de achtergrond wordt gedrongen; zo is het in het zomerseizoen een komen en gaan van comedianten uit verre landen - uit China, Damascus, Kaapstad, Zanzibar, Mexico en Peru. Maar na hun kortstondige heldenrol is het afgelopen, ze schminken zich af, pakken hun koffers en verdwijnen van het toneel, waar het vaste repertoire weer zuchtend wordt hervat.

Niet alle geroepenen zijn uitverkorenen; in mei blijkt de tuin veel te klein te zijn om plaats te bieden aan alle zaailingen. Bestellen in de winter, als er boven de grond weinig te zien is, leidt tot optimisme. Enkele juffertjes in 't groen slaagden er zelfs in al in de zaaibak tot bloei te komen, een interessante dwergvarieteit in het leven roepend, liggend in plaats van staand.

In feite blijken heel wat zaailingen zich aangetrokken te voelen tot de horizontale positie, de aanblik opleverend van een stoet kreupelen, leunend op elkaars potten en in sommige gevallen de indruk gevend naast hun eigen pot te groeien. Pas nadat ze hadden geëxperimenteerd met alle liggende posities probeerden ze het, als om ons te treiteren, eens verticaal. Dat zijn zo de geneugten van een te donkere tuin. Woekeren met de lichte plekken en stutten en opbinden zijn het enige verweer.

De keuze was geen probleem: ik bestelde alle planten aanbevolen voor schaduw door Margery Fish (in Gardening in the Shade). Sommige waren mij totaal onbekend, hetgeen de onderneming alleen maar opwindender maakte: wat was bijvoorbeeld Phacelia campanularia? Zou het de ontdekking van de zomer worden? Bescheiden naar een grote bloemenmassa wijzen en achteloos zeggen: ""O, die heb ik uit zaad geteeld''? Ontknoping volgende zomer: ze begonnen heel aardig maar toen werd hun bed door de katten als bak gebruikt en de slakken, die dit jaar een babyboom schijnen te hebben, ruimden de rest op.

Andere onbekenden is het beter vergaan. In weerwil van een aanvankelijk omvalsyndroom ontpopte zich de witte onschuld (Omphalodes linifolia), gelijkend op een soort witte vergeetmenietjes, als een plant van grote schoonheid; zij had ook de gratie nog wat door te bloeien nadat we uit het buitenland terug waren, in juli. Dan was er Crepis rubra (Rose streepzaad), verleidelijk aangeprezen als "een rose paardebloem'; de zaden waren in feite herkenbaar als de gedroogde bestanddelen van zo'n pluisbol. Misschien is het nodig voor de zielerust één keer in je leven paardebloemzaden te hebben gekocht: het is iets als elastiekjes kopen inplaats van gewoon oprapen; ook aan het resultaat heb je trouwens voor je verdere leven genoeg.

Als één eenjarige het verdient om tot vaste plant te worden verheven is het de siertabak. Ik heb wat omschreven wordt als "klassieke witte', Nicotiana nana "White Bedder', en behalve die eenjarigheid weet ik niet wat er aan zou kunnen worden verbeterd. De door mij gekweekte zijn een hoofd groter dan degene die je in een kwekerij koopt en samen met de witte Japanse anemonen maken ze deel uit van de nachttuin: terwijl die van de Japanse anemonen bij het vallen van de duisternis met een klap dichtgaan sperren de bloemen van de nicotiana zich 's avonds wijd open (voor slapeloze bijen?) en worden dan bijna lichtgevend; ze bezwangeren dan de lucht meters in de rondte met een dronken makende zware geur, veel sterker dan je op grond van de afmetingen van de bloemen zou verwachten. Een groep ervan kwam door een gelukkig toeval naast het meest begane pad in de tuin terecht: als je s nachts naar of van het zomerhuis komt, achter in de tuin, overvalt je elke keer die bedwelmende geur alsof er een wolk hangt waar je doorheen loopt.

De modieuze groene tabaksplant, N. alata "Limegreen', daarentegen, is meer een gewone bedrieger. Ze mogen er op een warme dag verfrissend koel uitzien maar hun geur is hoogstens waarneembaar voor speurhonden en mensen die nooit in hun leven gerookt hebben of verkouden zijn geweest (niet voor mij dus); hun kleur is volgens mij ook niet echt groen maar meer het groen van een lijder aan geelzucht.

Het kweken van borderplanten uit zaad is op zichzelf al heel bevredigend, maar nog opwindender is het iets uit zaad te zien groeien dat heel groot wordt. Bijna alles wat verticaal is in onze tuin en maar een straaltje zonlicht opvangt gaat schuil achter een dichte massa Cobaea scandens (klokwinde), een Mexicaans equivalent van de bruidssluier (niet aanbevolen door Margery Fish: heeft zon nodig). Daarginds in Mexico moeten ze die plant vervloeken: zelfs hier tussen de gringos kun je hem al bijna zien groeien; ook komen er fijne tentakels aan die naburige planten in minder dan geen tijd bij de keel grijpen. Elke dag ga ik de tuin in om te beletten dat de zeeuwse knoopjes worden gewurgd.

En dat komt allemaal uit een zaadje ter grootte van een dubbeltje, binnenshuis gestart en uitgeplant in mei; vier ervan hebben het open latwerk aan de voorgallerij van het zomerhuis in die korte tijd totaal bedekt. De plant is hier niet winterhard (wel in Mexico, als ze daar winters hebben) en dat is misschien maar goed ook, anders zou je na een paar maanden het hele zomerhuis niet meer in kunnen.

Hij kan ook bloeien, in een warme zomer schijnt hij veel grote klokvormige bloemen te kunnen voortbrengen die geelgroen beginnen en later verkleuren naar paars, doorbloeiend "tot de eerste nachtvorst'. Vorig jaar had ik er ook al een paar gezaaid, maar te laat om bloemen te krijgen; dit jaar, mijn hele schaduwtuin met een wat pessimistischer blik in ogenschouw nemend, trachtte ik de cobaea te zien als een pure bladplant. Soms onderzocht ik hem, me afvragend waar bij een bloeiend exemplaar de bloemen zouden komen, en keek dan geresigneerd naar de fraaie kleurenfoto in mijn tuin-encyclopaedie. Ook placht ik gaande en komende bezoekers uit te leggen dat er geen bloemen aankwamen, om die te zien moest je naar Mexico.

Toen, een paar dagen geleden, mij met mijn machete een weg banend door het steeds dichter wordende bladergordijn, ontdekte ik iets vreemds: een groengeel uitgroeiseltje, klein maar duidelijk anders dan de bladknoppen. Kon het zijn? Ja waarachtig, het kon: een bloemknop, op de nieuwe loten aangegroeid tijdens het recente warme weer. Nog een, en nog een; zestien telde ik er. Als het mooie weer nog wat aanhoudt zal ik ze zien: de bloemen van de Cobaea scandens, waarvan de naam mij altijd onweerstaanbaar aan een guinese big (Cobaya in het Latijn) doet denken. De klimmende cavia, the scrambling Mexican guinea-pig: !Olé!