Hampelmann en de brandstichters; Crisis in de CDU

De CDU, de grootste regeringspartij van de Bondsrepubliek, staat in brand. En het is geen klein brandje, zoals Helmut Kohl, partijvoorzitter sinds 1973, wel vaker heeft meegemaakt en die hij volgens zijn beproefde recept "uitzat' en overleefde. Het gaat niet alleen om de kosten van de Duitse eenwording of wetgevende problemen inzake abortus, bejaardenverzekering, de asielpolitiek, de nieuwe Duitse rol in Europa. Nee, er zijn nu een paar verschillende grote vuurhaarden die de CDU intern aanvreten.

De laatste laaide vorige week vrijdag op, werd althans toen goed zichtbaar. In het Adenauer-Haus in Bonn liep een als verzoeningsgesprek gedachte bijeenkomst van het CDU-bestuur onder leiding van Kohl uit op een verbale veldslag tussen "Wessi's' en "Ossi's'. Lothar De Maizière, de laatste DDR-premier (april tot oktober 1990), sindsdien partijchef in Brandenburg en als vice-voorzitter van de CDU ook de eerste plaatsvervanger van Kohl, verweet zijn westelijke partijgenoten niet alleen arrogantie en onaanvaardbare bemoeizucht, maar ook dat zij 26 miljoen mark van de Ost-CDU achterover hadden gedrukt.

De Maizière, een Oostduitse lutheraan, die na een armkwetsuur van altviolist advocaat werd (en voor 1989 onder meer kerkelijke DDR-dissidenten verdedigde), kwam vorig jaar onmiskenbaar als een vreemdeling in de CDU-top. Een antipode, niet alleen fysiek (naast de reus Kohl bijvoorbeeld) maar ook qua levensstijl in deze vaak enigszins vettige omgeving. Hij werkte als DDR-premier voor 3500 mark per maand en woonde (en woont nog) in een onaanzienlijke driekamerflat aan het Treptowerpark in Berlijn. Antipode is hij ook in politiek opzicht, zoals vorig jaar al bleek toen hij alles op alles zette om wat de moeite waard was uit de DDR te bewaren (niet veel dus, volgens zijn partijgenoten in het Westen) en te laten opnemen in het Duitse eenwordingsverdrag.

Over de rand

De Maizière's klacht, mede namens vele oudere Oostduitse partijgenoten: het hoofdkwartier in Bonn, secretaris-generaal Volker Rühe voorop, probeert om grote aantallen Ost-CDU'ers "over de rand' te duwen met zijn hardhandige openlijke pleidooien voor snelle organisatorische en personele vernieuwing van de partij-apparaten in de ex-DDR. Is dat niet een poging tot politieke liquidatie van oudere generaties in de Ost-CDU? Met stilzwijgend als motto: wie Oostduitser is, al maatschappelijk of politiek actief was voor '89 en boven de veertig is, die is dus gecorrumpeerd en heeft in het verenigde Duitsland afgedaan. Dat is nu net wat De Maizière van de Duitse eenwording vreesde, de vergelijking met de eerste ontwikkeling in het na-oorlogse West-Duitsland dringt zich op.

Hij dreigde vorige week vrijdag dan ook voor al zijn partijfuncties te bedanken. ""Ich möchte nicht mehr'', zei hij, volgens een tekst waarvan hij vooraf een deel aan de media had verstrekt. Zodat Kohl via een binnengebracht persbericht het dreigement van zijn plaatsvervanger al onder ogen kreeg vóór deze het uitgesproken had (""Zoiets heb ik in achttien jaar voorzitterschap nog niet meegemaakt'', moet hij woedend hebben geroepen). De Maizières dreigement ging trouwens over toen Kohl beloofde hem zonodig in het openbaar over die 26 miljoen de oren te zullen wassen. Waarna het op de aansluitende persconferentie heette dat de CDU-top "een goed gesprek' had gehad, dat een snel vervolg verdiende.

Een dag later sprak De Maizière in een interview toch weer over die 26 miljoen, wat hem dus de aangekondigde openbare reprimande van Kohl opleverde. Wat Westduitse CDU'ers de vraag ingaf waarom de partijvoorzitter deze Oostduitse "stoorzender' toch had gevraagd om zijn CDU-functies niet op te geven. Dit te meer omdat de laatste DDR-premier deze week alsnog, na inspectie van de partijboekhouding, zijn verwijt moest intrekken dat het Adenauer-Haus geld van de Ost-CDU had verdonkeremaand. Daarmee waren zijn dagen in de CDU-top geteld. Want Kohl, die natuurlijk vooraf moet zijn gekend, heeft het geheugen van een olifant in zulke kwesties. De Maizière weet dat ook: hij heeft gisteren alsnog al zijn partijfuncties neergelegd.

De hoekige Hamburger Rühe, die medio augustus de toestand van zijn partij in Oost-Duitsland "catastrofaal' noemde, weet zich inmiddels geruggesteund door jongere partijgenoten, die zich eraan ergeren dat nog steeds sleutelfuncties toevallen aan Ost-CDU'ers die het tot twee jaar geleden heel aardig konden vinden met het SED-regime. In de tijd dus dat de Ost-CDU nog braaf of graag als Blockflöte ("blokpartij') de muziek van de SED meespeelde.

Drie groepen

Het ledenbestand van de Ost-CDU, dat is ook vandaag nog van belang, viel destijds ruwweg in drie groepen uiteen: 1) mensen die min of meer noodgedwongen lid geworden waren (in verband met de baan of de studie van de kinderen); 2) een kleinere groep waarvan de leden probeerden om binnen zeer smalle DDR-marges iets ten goede te veranderen en 3) een nog kleinere groep, waarvan de leden dicht tegen de oppermachtige SED aanschurkten, wat voor hen in Honeckers boeren- en arbeidersstaat niet zonder aangename gevolgen bleef.

De Maizière voelt zich de advocaat van de beide eerste groepen, Rühe kijkt vooral naar de laatste groep, waarin de onderlinge betrekkingen goed warm worden gehouden (Seilschaften). Voor jongere Oostduitse CDU'ers, die vaak pas na de Wende in de DDR lid werden, is dat verschijnsel - dat het aanzien van hun partij tussen Rostock en Dresden hevig schaadt - onverteerbaar. Zij verlaten de Ost-CDU dan ook weer bij duizenden per maand. Of, zoals deze hele week na de Grote Botsing in Bonn, zij houden juist vergaderingen in hun lokale en regionale afdelingen om met nieuwe moed de verhoopte interne zuiveringen te bespreken. Want, zoveel lijkt zeker, de basis van de Ost-CDU staat geheel achter Rühe.

Citaat van vorige maand uit de Süddeutsche Zeitung: ""Voor de deur, waarboven CDU staat, voor ons was dat de vrijheidslievende westelijke partij, lag een dik lijk: de Ost-CDU, waarin de maden heel actief rondkropen''. Deze typering kwam van Arnold Vaatz, een rijzende ster in de Ost-CDU, die in DDR-gevangenissen zat en voorjaar 1990 van de dissidenten-groep Neues Forum overkwam.

Zulke schetsen van de toestand zijn het CDU-hoofdkwartier in Bonn de laatste maanden natuurlijk evenmin ontgaan als de voortdurende ontmaskeringen van prominente Ost-CDU'ers (onder wie parlementariërs en ministers in de deelstaten) als ex-medewerkers van de DDR-staatsveiligheidsdienst (Stasi). De dertiger Vaatz, die de actie-Rühe als "een bevrijding' verwelkomde en hem afgelopen weekeinde met een aantal medestanders een adhesiebrief stuurde, is nu kanselarij-chef van Saksens CDU-premier Kurt Biedenkopf. Dat is een "Wessi' die met absolute meerderheid regeert en die zich juist deze week, na lang aarzelen, bereid verklaarde om de eerdergenoemde oude Blocki Reichenbach over een paar maanden op te volgen als partijvoorzitter in zijn deelstaat.

Kleren van de keizer

Eind 1990 was kanselier Helmut Kohl nog de man van het jaar, de intuïtieve regisseur van de snelle Duitse eenwording. De man ook die najaar 1989 met overmacht een onvoorzichtige partijrebellie de kop had ingedrukt. Die februari 1990 in allerijl, ondanks toen al bestaande reserves van Rühe, de Ost-CDU, de dissidentengroep Demokratischer Aufbruch en de conservatieve DSU (een ideologische nicht van de Beierse CSU) samenbracht in de "Alliantie voor Duitsland'. Vervolgens won zijn CDU eerst in Oost-Duitsland drie verkiezingsrondes ruim (Volkskammer in maart, gemeenteraden in mei, vier van de vijf Oostduitse deelstaten in oktober), daarna in december ook de Bondsdagverkiezingen en de lokale verkiezingen in het verenigde Berlijn.

Bij de toen ideale internationale termiek (vooral in Moskou) was de combinatie van kanselierschap, D-mark en Duitse eenheid hoegenaamd niet te kloppen. Dat deze kanselier juist deze Gunst der Stunde had aangegrepen en daardoor al die verkiezingen als het ware persoonlijk had gewonnen, viel moeilijk te betwisten. Zeker niet nadat de "gewone' Oostduitse bevolking in de straten de dissidente intellectuelen, theologen en verwante burger-initiatiefgroepen had opgeslokt en de slogan Wir sind das Volk had veranderd in Wir sind ein Volk (lees: weg met de SED-staat). De kleren van de keizer waren weg, de volgens sommigen in het Westen eigenlijk toch betrekkelijk arcadische Nische van de Oostduitser bleek een ongewenst hok. De complete deconfiture van de DDR (democratisch, juridisch, ethisch, economisch, ideologisch, ecologisch) maakte het leven voor gewezen liefhebbers van twee Duitslanden overal in Europa heel moeilijk.

De CDU spon er garen bij. Kohl had de SPD en haar kanselierskandidaat Oskar Lafontaine zwaar beschadigd achtergelaten. Ja, de veelbespotte Hampelmann van voorheen leek als "goede vriend' van Gorbatsjov, Bush, Mitterrand en zelfs van de nieuwe premier in Londen, Major, bijna aan de laagvlakte van de Duitse binnenlandse politiek ontstegen. Niemand minder dan Rudolf Augstein, uitgever van Der Spiegel (een blad dat de kanselier zó verafschuwt dat hij het weigert te lezen), prees deze Helmut Kohl even als geslaagd staatsman en politicus. Wat leek op een compliment van een verstokte Ajax-supporter voor het spel van Feyenoord. Wie zal het zeggen, Kohl was zichzelf bij al die termiek boven zijn rijke Bondsrepubliek misschien ook wel een beetje kwijtgeraakt.

Verbitterd

Hoe dat zij, nu, negen maanden later, bibbert de kanselier met zijn partij weer volop in het Duitse laagland. De CDU-leden zijn verbitterd en lopen in flinke aantallen weg, de partij is hopeloos ondervertegenwoordigd onder jongeren en vrouwen, die klagen dat er voor hen en hun ideeën en wensen in de starre CDU te weinig belangstelling is.

De opiniepeilingen zijn ronduit rampzalig. Zij geven, vergeleken met december, in West- en Oost-Duitsland verliezen van tien tot twintig procent te zien (namelijk tot 35 en 25), terwijl de SPD, zonder dat zij daarvoor zelf zoveel hoefde te doen, in de kiezersgunst bijna overal naar de eerste plaats is opgerukt. Dat zorgt voor extra onrust in de CDU, namelijk bij de lokale en regionale politici die thuis moeten werken met het beeld dat in Bonn ontstaat. (""Word je wel herkozen? Hadden we dat dure huis nu maar niet gekocht, Heinz!'')

Sinds eind vorig jaar heeft de CDU in regionale verkiezingenen alleen maar verloren, het ging zelfs mis in Kohls "thuisstaat' Rijnland-Palts (waar de SPD nu voor het eerst in de geschiedenis van de Bondsrepubliek de kanselarij in Mainz beheert). De CDU regeert in het federatieve Duitsland met zijn zestien Länder nu op regionaal niveau nog slechts in vier Oostduitse deelstaten en Baden-Württemberg (haar zuster CSU heeft een abonnement op de macht in Beieren, dat zij ook na de dood van Franz-Josef Strauss in 1988 heeft weten te bewaren).

In de Bondsdag heeft Kohls coalitie (CDU-CSU en FDP) weliswaar tot 1994 een comfortabele meerderheid, maar in de voor wetgeving onmisbare Bondsraad - die wordt samengesteld naar de politieke krachtsverhoudingen in de Länder - is het omgekeerd. Daar is zij nu in een ongemakkelijke minderheidspositie geraakt, die haar geregeld dwingt om de SPD met de hoed in de hand te benaderen. Dat kan nog erger worden, als - volgend jaar - de christen-democraten ook hun absolute meerderheid in het welvarende Baden-Württemberg verspelen.

Daar is kans op, nu de succesvolle CDU-premier Lothar Späth daar begin dit jaar oneervol moest vertrekken wegens de zogenoemde Traumschiff-affaire (al te ruime financiële steun van het bedrijfsleven voor Späths vakantie- en dienstreizen). In Stuttgart zullen SPD, FDP en Groenen dit publicitair smakelijke pannetje in een parlementaire commissie van onderzoek nog wel eventjes op het vuur willen houden. Späths opvolger als premier, Erwin Teufel, mag erop rekenen dat alle ministers die hij overnam in de loop van de komende maanden omstandig zullen worden ondervraagd.

Oorzaken

De geleerden twisten natuurlijk over de oorzaken van het wel zeer snelle verval van de CDU, maar vermoedelijk hebben ze allemaal een beetje gelijk. De een wijt het aan problemen die een grote volkspartij bij een modern, zoveel heterogener geworden kiezerspubliek na negen jaar regeren eigenlijk altijd mag verwachten, zeker als gaat om zo'n logge, sterk pyramidale "kanselierspartij' als die van Kohl. Een electoraal slijtageproces met het karakter van een natuurverschijnsel dus, dat op een "verzakelijkte' kiezersmarkt, waar de voorkeuren veel sneller wisselen dan vroeger, alleen door de euforie rondom de Duitse eenwording tijdelijk is onderbroken.

De ander ziet de oorzaak in de Steuerlüge van de regeringscoalitie in Bonn. Vorig najaar, in de campagne voor de Bondsdagverkiezingen bezwoer zij nog dat de kosten van de Duitse eenwording zonder belastingverhoging te dragen zouden zijn. Maar inmiddels zijn, mede wegens de miljarden die aan de Golf-oorlog en Oost-Europa werden uitgegeven (een kleine vijftig miljard mark) toch extra belastingen van kracht, 46 miljard tot eind '92. Daarover zijn, daartoe uiteraard aangemoedigd door de SPD, grote groepen Westduitse belastingbetalers heel boos. Te meer omdat, om te beginnen, sinds oktober 1990 geldtransfers van zo'n 140 miljard mark van West naar Oost zijn gegaan, de rente en de inflatie stijgen en het bevriende buitenland steeds bezorgder wordt over de groeiende Duitse schuldenberg. Dat de hoogte van de meeste nieuwe Westduitse cao's voor een ruime compensatie zorgt, en zelfs bijdraagt aan het inflatieverschijnsel, doet daaraan niets af.

Tegelijkertijd verwijten veel Oostduitsers juist de CDU en Helmut Kohl, de kanselier van D-mark (""Helmut!, Helmut!'' riepen zij een jaar geleden), dat het een jaar na de toetreding van de DDR tot de Bondsrepubliek eigenlijk nogal tegenvalt in de sector melk en honing. Weliswaar zijn er eerste tekenen dat de economische ontwikkeling in Oost-Duitsland op gang komt, maar wie veertig jaar heeft gewacht is snel ongeduldig.

Toen het einde van de DDR en de eerste vrije Volkskammer-verkiezingen begin vorig jaar naderden, wilde of kon Helmut Kohl niet te kieskeurig zijn bij het zoeken naar een Oostduitse partnerpartij. Veel alternatieven waren er ook niet, zeker niet als het om bestuurlijke en politieke ervaring ging. Maar voor die snelle keus van toen krijgen de CDU en hij nu een zware rekening gepresenteerd. Of, zoals de Saksische premier Biedenkopf het me vorige week vrijdag misleidend-rozig schetste na ""het mooie en ernstige'' gesprek in de CDU-top: ""Wat we nu beleven is de moeilijkheid, of liever: de uitdaging, die daaruit voortvloeit dat mensen die veertig jaar zeer verschillend gevormd zijn en die weinig van elkaar weten, nu in één land leven en veel van elkaar moeten leren. Ik geloof dat we veel aan tolerantie hebben gewonnen''.

Tolerantie? Dat is nog de vraag. Eergisteren nam het afgesproken vervolggesprek van de CDU-top in Kohls kanselarij niet één uur, zoals was begroot, maar ruim drie uur. De deelnemers hadden zwijgplicht gekregen, maar zeiden na afloop wel dat de ""wederzijdse verschillen van opvatting'' waren bevestigd. ""Het gesprek was openhartig en vriendschappelijk'', stond in een schriftelijke verklaring. Openhartig (een diplomatiek adjectief dat doorgaans grote ruzie moet verhullen) én vriendschappelijk? In het Oostduitse christen-democratische filiaal lijkt eerder een grootscheepse zuivering, een uitgestelde bijltjesdag, op komst. De Maizière is als filiaalhouder alvast vertrokken.

De ontmaskeringen

Er waren verkiezingen geweest in de nieuwe Oostduitse deelstaten, vorig jaar oktober. In vier van de vijf "Neue Bundesländer' was de CDU de grootste partij geworden, in Saksen haalde zij zelfs bijna 54 procent. En zo konden er vier nieuwe regionale CDU-premiers bijkomen. Alleen in Saksen-Anhalt was er een probleem. Daar was de voorziene minister-president Gerd Gies, een veearts die in DDR-dagen lokaal politicus was en nog even voor de Ost-CDU in de Volkskammer had gezeten, namelijk niet in de landdag gekozen.

In de Bondsrepubliek worden parlementariërs rechtstreeks of via de nationale dan wel, zoals in dit geval, de regionale partijlijst gekozen. Voor de landdag in Maagdenburg werden alle CDU-kandidaten rechtstreeks gekozen. Dat zorgde voor een ongemak, want Gies had op de regionale lijst gestaan en kwam dus voorshands op een opvolgingsplaats, terwijl ministers in Duitsland worden gerecruteerd uit het parlement. Wat deed hij? Hij raadde, dringend en vertrouwelijk, enkele wèl gekozen CDU-parlementariërs aan af te zien van hun juist verkregen mandaat.

Dat deed deze politieke leider door zijn geestverwanten vaderlijk uit te leggen dat hun verleden binnenkort wellicht wel eens zó belast zou kunnen blijken - bijvoorbeeld doordat mogelijk bekend zou kunnen raken dat zij ooit voor de DDR-staatsveiligheidsdienst (Stasi) hadden gewerkt - dat zij (dan) toch zouden moeten vertrekken.

"Stasi forever'. Deze interne chantage had in enkele gevallen succes. En zo werd genoemde Gies alsnog lid van de landdag en premier van Saksen-Anhalt. Afgelopen zomer, toen een van de zó vertrokken CDU-parlementariërs kwaad de afgesproken zwijgplicht verbrak, bleek pas hoe Gies zijn zetel in de landdag had verworven. Hij trad terug als minister-president en parlementariër, maar bleef regionaal CDU-voorzitter. En hij zorgde ervoor dat men in het partijhoofdkwartier in Bonn alsnog scherp ging zien dat de fusie van vorig jaar met de Ost-CDU, die in ruim 40 DDR-jaren nauw met de SED samenwerkte, met vertraging een akelig probleem had opgeleverd: veel mensen van voor de omwenteling van '89 maken in de Ost-CDU nog steeds de dienst uit, in hen leeft het DDR-verleden als politieke "Altlast' pijnlijk zichtbaar verder.

Een paar voorbeelden, het is maar een greep uit een lange rij, die per persoon wisselt van gewicht. Mecklenburgs minister-president Alfred Gomolka, eertijds (per definitie met instemming van de SED) wethouder in Greifswald. Of collega-premier Rudolf Duchac (Thüringen), gewezen raadslid in Gotha, die de burgers zomer 1989 nog opriep om "hun burgerplicht te vervullen' en mee te doen aan de gemeenteraadsverkiezingen (waarvan de SED vervolgens de uitslag vervalste, wat trouwens een van belangrijke redenen voor het begin van de Oostduitse omwenteling was).

Of Klaus Reichenbach, ex-CDU-voorzitter in Karl-Marx-Stadt, nu partijvoorzitter in Saksen, lid van het CDU-presidium in Bonn en ook lid van de Bondsdag, die nog op 7 oktober 1989 staatsschef Honecker in een open brief gelukwenste met het 40-jarig bestaan van de DDR (""Alleen het socialisme garandeert veiligheid en geborgenheid.''). Of Otto Mintus, zopas afgetreden als minister van landbouw in Thüringen nadat gebleken was dat hij sinds '57 (tegen betaling) mede voor de Stasi had gewerkt. Of Kersten Radzimanowski, nu regionaal CDU-secretaris in Brandenburg, zomer 1989 co-auteur van de vriendelijke reactie van de DDR op het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking.