FRIEDRICH ENGELS; Als feminist

The Life and Thought of Friedrich Engels. A Reinterpretation door J.D. Hunley 184 blz., Yale University Press 1991, f 56,50 ISBN 0 300 04923 4

Denkt u ook zo vaak aan Fried-rich Engels als u staat te wachten tot het theewater eindelijk kookt? Waarschijnlijk niet. Dan ontgaat u dus dat zich in uw keteltje dagelijks de revolutionaire omslag van kwantiteit in kwaliteit afspeelt.

Het voorbeeld van het koken van water werd door Friedrich Engels, vriend, medestrijder en financier van Karl Marx, in 1878 gebruikt in zijn boek Heer Eugen Dührings Omwenteling der Wetenschap, een van die vele schotschriften van de filosofen van het "wetenschappelijk socialisme' waarin het schelden tot stijlfiguur is verheven. Ik heb nog een mooi gebonden exemplaar van de in 1938 door de vroegere communistische uitgeverij Pegasus verzorgde Nederlandse vertaling in de kast staan: ruim 300 dichtbedrukte bladzijden dialectiek met paragrafen als: de negatie van de negatie; vrijheid en noodzakelijkheid; kapitaal en meerwaarde; moraal en recht. Aan "de Anti-Dühring', zoals het boek onder communisten heette, ontleenden vele generaties zich in het marxisme "scholende' arbeiders de illusie dat hùn utopie onomstotelijk op wetenschappelijke gronden was gevest en dus geen utopie was maar rationele toekomstvoorspelling, geen geloof maar realiteit. Zoals immers bij toenemende hitte water ineens verandert in een andere stof, zo zou ook de ontwikkeling van de produktiekrachten onder het kapitalisme resulteren in een kwalitatieve omslag: de produktieverhoudingen zouden socialistisch worden.

Maar helaas: hoewel water nog steeds damp wordt (of ijs, bij kwantitatieve veranderingen de andere kant uit) worden de ijzeren ontwikkelingswetten die Marx en Engels in het sociale leven meenden te hebben ontdekt, nog slechts door weinigen waargenomen. Het is een ironische speling van het lot dat ik dit stuk over de principiële atheïst Engels schreef op de dag dat bekend werd dat de uitgeverij van het Sovjet-partijblad Pravda tien miljoen bijbels gaat drukken, vermoedelijk grotendeels voor de zwarte markt, waar er een half maandloon voor wordt betaald. Inderdaad ongeveer de prijs van opium, schat ik. Het verbaast me dan ook enigszins dat er pas nog een serieuze academische biografie over Engels is verschenen.

LIEFDESLEVEN

Met Engels' levensloop en denken was ik al enigszins vertrouwd. Tot de literaire opvoeding van wie, zoals ik, niet opgroeiden met de bijbel of de Donald Duck, maar met het culturele erfgoed van Marx, Engels en Lenin, hoorde meestal zo'n meter Theun de Vries, waaronder zijn trilogie 1848, het geromantiseerde levensverhaal van Marx en zijn getrouwe compaan, de rijke textielfabrikant. Mij sprak van kameraad Engels (die leefde van 1820 tot 1895) vooral zijn liefdesleven aan; terwijl Marx een typisch burgerlijk-patriarchaal huwelijksleven bleek te hebben geleid en - banaler kan toch niet! - zijn dienstmeisje bezwangerde, leefde en werkte Engels ongehuwd samen met een actieve politiekbewuste jongedame, de fabrieksarbeidster Mary Burns. Tot de feministische interpretatie, dat dat eigenlijk een vorm van machtsmisbruik was, had ik me tot nu toe nooit laten bekeren. Maar nu ben ik toch gaan twijfelen. De onomwonden male-chauvinist visie van zijn recentste biograaf aangaande de houding van de statige revolutionair tegenover Mary, haar zus en zijn overige vriendinnen (onder wie wederom de huishoudster van Marx) heeft mijn romantische illusies vergald.

Meer dan zijn praktijk is natuurlijk Engels' theorie aangaande de positie van vrouwen voor de linkse politiek van belang geweest, tot vrij kort geleden zelfs. In zijn boek De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat uit 1884 analyseerde Engels de monogamie en de onderschikking van vrouwen, die daar volgens hem bij hoort, als een voorbijgaande historische fase - als een vorm van huwelijk die met het ontstaan van privébezit was opgekomen en zou ondergaan. De monogamie (die immers alleen voor vrouwen gold) was uitgevonden om het familiebezit veilig te stellen: mannen wensten zeker te weten dat hun erfgenamen inderdaad de hunne waren (in biologische zin). Voor de bevrijding der vrouw waren dientengevolge twee zaken vereist: het privébezit moest worden opgeheven - dan viel er niets meer te erven en verdween de grondslag voor de mannelijke bezitsdrang; en in de socialistische samenleving zou ieder door arbeid buitenshuis zijn en haar eigen inkomen verwerven - dan hoefden vrouwen zich niet langer in liefdeloze huwelijken te prostitueren en zou de liefde vrij zijn van oneigenlijke bindingen.

De eerste pijler van dit verhaal werd in grote lijnen door latere communisten onderschreven (de slechte positie van vrouwen als gevolg van het kapitalisme) en door feministen bekritiseerd (er zijn nog wel meer mannelijke machtsbronnen dan economisch bezit en in de socialistische landen is het voor vrouwen niet beter, integendeel). De tweede, de economische zelfstandigheid van vrouwen, die juist feministen wel beviel, is door Engels' politieke erfgenamen van meet af aan vervalst of weggewerkt. Zo was zijn stelling dat mannen wegens hun economische macht in het gezin de bourgeoisie zijn en vrouwen het proletariaat, de laatste CPN-voorzitster, Truus Divendal, afkomstig uit de communistische vrouwenbeweging, nog in 1971, in een herdenkingsartikel ter gelegenheid van Engels' honderdvijftigste geboortedag, een doorn in het oog. Communisten anno 1971 moesten van tegenstellingen tussen de seksen (en dus binnen de "arbeidersklasse') niets weten; die klasse leefde toen allang naar het kleinburgerlijk gezinsideaal met zijn mannelijke kostwinner en diens (t)huisvrouw. Engels schreef bovendien dat naast de wijze waarop een samenleving haar produktie regelt, ook de verhoudingen waaronder de reproduktie plaatsvindt, de voortplanting van de menselijke soort, bepalend zijn voor de cultuur van die samenleving (eveneens een punt waarop feministen hem hebben gewaardeerd). In mijn roodleren in Moskou uitgegeven vertaling van De oorsprong is aan die zin een noot toegevoegd: Engels was hier ""onnauwkeurig'; hij bedoelde, verklaart de redactie, dat de ""materiële productie in de ontwikkeling van de maatschappij de hoofdfactor is'. Exact dus wat hij tegensprak.

LINTWORM

Hoe achterhaald en tekortschietend zijn analyse ook is, ik heb eerlijk gezegd enigszins de neiging Engels tegen zijn volgelingen te beschermen, die vanuit hun economisme en vanuit hun masculiene belangendefinitie niets van zijn radicale visie moesten weten. Het was toch sympathiek dat hij de sekseverhoudingen tot onderwerp koos en poogde een niet-moralistische theorie van de liefde te ontwerpen vanuit een dynamisch ontwikkelingsperspectief, een analyse waarin maatschappelijke verandering ook op dit terrein het uitgangspunt was. En ik moet nog steeds een beetje lachen om zijn vrolijke bestrijding van de godsdienst (waar overigens de kiem voor een mooie sociologie van het geloven bij hoorde) en om zinnen als deze: ""Wanneer strenge monogamie het toppunt van alle deugd is, dan komt de erepalm aan de lintworm toe, die in elk van zijn 50-200 proglottiden of geledingen volledige vrouwelijke en mannelijke geslachtsorganen bezit en zijn hele leven doorbrengt met in ieder dezer geledingen zich zelf te bevruchten'. Leg dat maar eens naast de doorsnee stichtelijke tekst waarmee eind negentiende eeuw het lagere volk bestookt werd.

Maar De oorsprong bestaat net als Anti-Dühring voor het overgrote deel uit quasi-wetenschap, uit historisch-materialistische scholastiek. En dat geldt voor de meeste delen uit de enorme rij Marx Engels Werke (in de jaren zeventig door velen familiair "de MEW' genoemd). Wat Engels aangaat lijkt mij vooral De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (uit 1845) blijvend nuttig, om de concrete beschrijving die hij daarin geeft van de erbarmelijke levensomstandigheden van het Engelse proletariaat.

VERVALSING

Wat de nu verschenen biografie betreft: Hunley wil Engels vrijwaren van de beschuldiging dat de kwalijke kanten van het marxistisch determinisme vooral van hem afkomstig waren. Zoals het een aantal decennia terug bon ton was "de jonge Marx' los te weken van het gangbare marxisme, zo blijken er nu kenners te zijn die menen dat de manco's van wat eens "het reëel bestaande socialisme' heette, moeten worden geweten aan de invloed van Engels. George Lichtheim bijvoorbeeld, die in de jaren zestig een boekje wijdde aan de toen onder intellectuelen populaire marxistische filosoof Lukàcs. Hunleys doelwit zijn de zogenaamde "dichotomisten', marxisten die een scherp onderscheid maken tussen Marx (als tolerant en pluriform wetenschapper) en Engels (als deterministisch-materialistisch dogmaticus en positivist). Zij beschuldigen Engels van vervalsing van Marx' intellectuele nalatenschap, wat onder meer te zien zou zijn in het tweede en het derde deel van Het kapitaal, uitgaven die Engels na het overlijden van Marx in 1883 verzorgde. Ik kan over die twist niet oordelen en ik vind de vraag ook niet echt interessant. Van mij hoeft Marx niet gered te worden. Van belang is hoe het denken van Marx en Engels, dat als geheel het "marxisme' vormt, is ontvangen, hoe het heeft gefunctioneerd, wat het voor de aanhangers heeft betekend. Hoe konden goede bedoelingen zo verkeerd uitpakken? Het lijkt me in elk geval onzin om te doen alsof het zoeken naar een wetenschappelijke theorie van de heilstaat niet des Marx' was. Aan dat project hebben Marx en Engels jarenlang eendrachtig gewerkt, en dat terwijl Marx toch met ongeveer al zijn andere vrienden en medestrijders op den duur wel ruzie kreeg. Samen publiceerden zij in 1848 het fameuze Communistisch manifest: ""Een spook waart door Europa - het spook van het communisme...'.

Hunley, een militair historicus nota bene, verbonden aan de United States Air Force, is, naar hij plechtstatig verklaart, geen marxist. Wel bewondert hij Engels' eruditie, zijn brede belezenheid en zijn interdisciplinaire intellectuele creativiteit. Ik moet zeggen dat die bewondering zijn boek er niet spannender op maakt. Het is een wat brave hagiografie, met keurige kleine samenvattingen van Engels werk en vol gepast-kritische opmerkingen over de praktijk van het communisme - dat spreekt. De speculatieve stelling dat beide geleerden, Marx zowel als Engels, de onderdrukking zouden hebben betreurd waarin hun leer heeft geresulteerd, wil ik desnoods wel voor lief nemen - al beloofden hun eigen omgangsvormen met politieke tegenstanders wat dat aangaat weinig goeds. Maar Hunleys these geldt voor ongeveer elke communist, ook voor hen die wij gaarne het etiket "stalinist' toedichten. Iedereen is toch tegen onderdrukking? Communisten wel in het bijzonder, die bestáán om daartegen te zijn. Het probleem is veeleer dat zij de betreffende samenlevingen nooit als misdadig hebben willen zien. Eventuele onaangenaamheden waren in deze "fase' van de ontwikkeling "objectief noodzakelijk', omwille van het goede doel, waarvan wetenschappelijk was bewezen dat het eraan kwam. Voor de staat kon afsterven moest er tijdelijk wat onvrijheid zijn, zoals water er immers een tijdje over doet voor het eindelijk - maar dan ook plotsklaps - zijn kookpunt bereikt.