En zo werd het september

In de tussentijd ben ik een weekje wezen logeren bij de bewakers van Engelsmanplaat, middenin de Waddenzee. Ze hielden verblijf in een huisje op palen. Als je 's morgens rechtop ging zitten, was het een en al licht en ruimte om je heen. Water, slik en vogels.

Op zekere ochtend vertrokken de beide bewakers voor werkzaamheden naar een naburige zandbank. Met enig gezag bekleed bleef ik bij het huisje achter. Ik zat in de zon op de veranda en zag aan de zuidkant van de plaat een tjalk droogvallen.

Er gingen een paar dames aan land, wat bij laagwater is toegestaan. Ze kwamen mijn kant oplopen, maar bleven halverwege steken. Zeker een kwartier lang stonden ze om zich heen te kijken en te beraadslagen. Toen nam ik de telescoop om te zien wat voor dames het eigenlijk waren. Ze zwaaiden. Ik zwaaide terug en eindelijk liepen ze door.

Ze waren met z'n vijven. Ze kwamen uit Arnhem. Ik kom ook uit Arnhem. Was me dat even een toeval!

""Maar waarom'', vroeg ik, ""bleven jullie daar zo lang staan wachten?''

""Er zat een groepje vogels'', zeiden ze, ""en we waren bang ze te verstoren.''

Ik begon te grijnzen. Er hadden inderdaad een stuk of twintig scholeksters tussen ons in gezeten, maar het verstoren van een stuk of twintig scholeksters is wel ongeveer het kleinste kwaad dat je op de Wadden kunt aanrichten. Zo was het mede aan de argeloosheid van deze dames te danken, dat ik met een tamelijk rooskleurig mensbeeld van Engelsmanplaat terugkeerde.

Daarna was ik een paar dagen thuis en op één van die dagen ben ik naar Amsterdam gegaan, want je kunt natuurlijk niet over Nederland schrijven zonder in Amsterdam uit te komen.

In de gebruikelijke drukte op de Dam, deze merkwaardige samenloop van toeristen en armoedzaaiers, zaten drie arbeiders in stoffige overalls hun twaalfuurtje te eten. Ze beten gretig in hun welverdiende boterhammen en namen enorme slokken koffie. Nu en dan wisselden ze een woord met het Surinaamse oudje, dat het andere uiteinde van de bank bezet hield. Ze verkocht duivenvoer voor ƒ 1 per zakje.

Er werd gemusiceerd en gedanst door mensen uit Mongolië. Ze droegen kleurige gewaden, die een zachte gewaarwording van vergankelijkheid opriepen. Ze hadden ondoorgrondelijke Aziatische gezichten. Ze hadden net als iedereen geld nodig. Iemand ging met een Mongools mutsje rond en ik bracht mijn portemonnee over van mijn achterzak naar een zijzak.

Tussen honderden voeten lag een grote zwarte hond te slapen. Hij had iets Duits over zich. In Amsterdam maak ik mij altijd zorgen over de honden. Bij wie horen ze? Zijn ze wel veilig? Mogen ze weleens uitrennen? Wat krijgen ze te eten?

Toen er een duiveveertje langswaaide, deed de hond zijn ogen even open.

Ik liep verder.

Op het Leidseplein kwam ik Saskia tegen. We gingen op een terrasje zitten. Saskia wees waar ze als kind gewoond en gespeeld had en ik besefte dat je aan Amsterdam net zulke herinneringen kunt hebben als aan een dorp.

Saskia vroeg zich af wat de komende winter de trends zouden zijn in het culturele leven. Ze werkt namelijk voor de tv.

""De toekomst'', zei ik. ""Wat heeft iedereen tegenwoordig toch met de toekomst?''

Of het nou het weer is of de ontbinding van de Sovjet-Unie, iedereen lijkt bezeten van de vraag wat er gaat gebeuren. Zou het aan de opmars van de computer liggen? In de computer is de toekomst gefixeerd, hij weet steeds precies wat er komt en als je de juiste toetsen aanslaat weet jij het ook.

Ik hou niet van computers en dit schrijf ik op papier. Deze stukken behoren tot de laatste bijdragen aan deze krant die op papier worden ingeleverd. En wat de toekomst betreft - de toekomst is gewoon een voortzetting van het verleden, alleen een tikje erger.

We namen op gepaste wijze afscheid. Na een tijdje kwam ik op het Museumplein terecht en daar ging ik in de schaduw zitten. In het zand lagen Heinekendoppen. Lipjes van blikken fris. Vorkjes om patat mee te prikken. Een papierenzakdoekjeszakje. Propjes plastic. Een Jaffa-juice-kartonnetje. Een Gouda's-Glorie-mosterdzakje. Wikkels van Ola, Mentos en Mars. Rietjes, sigarettefilters, glasscherven, onduidelijke stukjes hout, vieze papiertjes en een vertrapte plattegrond van het centrum. Dat alles alsof het uit de bomen was komen dwarrelen.

Ik ging eens na hoe ik vanaf het Centraal Station gelopen was en kwam tot de slotsom dat ik ongemerkt de kortste weg had genomen naar de Frans van Mierisstraat, waar vrienden wonen. Nu had ik opeens een doel.

In de Frans van Mierisstraat waren ze niet thuis.

Ik dacht: er gebeurt vandaag niets in Amsterdam en dat is misschien maar beter ook.

Ik stapte op lijn 5. Op de Overtoom kwam ons een tram tegemoet waarvan de bestuurder zijn arm naar buiten had hangen. Je mag aannemen dat zo'n man heel goed weet wat hij wel en wat hij niet met zijn arm moet doen - toch zag ik het fout gaan met die arm en op dat moment bekroop me het vertrouwde, martelende gevoel van naderend onheil, dat altijd weer het sein is om te vertrekken. Dat ligt niet aan Amsterdam hoor, er is niets mis met Amsterdam, dat ligt aan mij.

Daarna zijn we een paar dagen wezen kamperen in Rolde. We hebben de elf door Staatsbosbeheer in het stroomgebied van de Drentse Aa uitgezette wandelingen gedaan. Wat opviel was dat alle fietsers en wandelaars elkaar hier al van verre hoi, hallo of goeiedag toeroepen omdat ze op het platteland zijn. Bij deze taferelen wendt de plaatselijke bevolking decent het hoofd af.

's Morgens was het al herfst, 's middags nog volop zomer. Haviken, buizerds en wespendieven cirkelden in de zinderende hemel boven de laatste heidevelden.