Eenstemmigheid over nationale economie ontbreekt

DEN HAAG, 7 SEPT. Een discussie over de vitaliteit van de Nederlandse economie leidt onvermijdelijk tot de vraagstukken waarmee de politieke en economische elite van Nederland nu al ruim tien jaar beroepsmatig worstelt. Uit de resultaten van een enquête die NRC Handelsblad half juni publiceerde, blijkt dat in Nederland geen eenstemmigheid bestaat over de economische doelstellingen die moeten worden nagestreefd en evenmin over de instrumenten die daarvoor het beste kunnen worden ingezet.

Dit gebrek aan overeenstemming in een land dat gewoonlijk als een concensussamenleving wordt beschouwd, verklaart wellicht waarom Nederland al zo lang onmachtig is een aantal chronische, in het oog springende sociaal-economische problemen op te lossen. De recente golf van politieke verontwaardiging over voorstellen tot aanpassing van WAO, Ziektewet en koppeling bevestigt dit.

De enquête vormde het begin van een Nationaal Economiedebat, waartoe de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO) samen met NRC Handelsblad, het economenblad ESB en de Koninklijke Vereniging voor de Staatshuishoudkunde het initatief hebben genomen. Een opmerkelijk groot aantal van ruim zesduizend enquetes werd ingevuld teruggestuurd.

Het Nationale Economiedebat heeft tot doel een openbare gedachtenwisseling uit te lokken over de toekomst van de Nederlandse economie en hierover met vertegenwoordigers van de grote politieke partijen in debat te gaan. Uit de talrijke toegevoegde opmerkingen op de enquêteformulieren blijkt dat bij veel deelnemers een grote behoefte bestaat hun mening kenbaar te maken. Via de formele politieke kanalen hebben ze daarvoor naar hun gevoel onvoldoende mogelijkheden.

Uit de resultaten komt naar voren dat de belangrijkste problemen voor de Nederlandse economie volgens de deelnemers dezelfde thema's zijn die in de dagelijkse berichtgeving over de sociaal-economische situatie van Nederland centraal staan. Uit bijgaande tabel (tabel 1) blijkt bijna tien procent de arbeidsparticipatie als grootste zwakte van Nederland te noemen. Direct hierop volgen het financieringstekort van de overheid en de omvang van de collectieve sector. Ook de hoogte van de langdurige werkloosheid scoort als zwak aspect van de Nederlandse economie. De belastingdruk, de regelgeving en verschillende aspecten van de loonpolitiek werden eveneens genoemd. Opvallend laag was het aantal keren dat milieukwesties als een zwakte werden genoemd.

De antwoorden op de enquête tonen opmerkelijke verschillen die kunnen worden teruggevoerd op de persoonlijke omstandigheden van de respondenten en op de aard van de arbeidsorganisaties waarin ze werkzaam zijn. Zo zijn er tegenstellingen tussen respondenten die werken bij de overheid en het bedrijfsleven, tussen vrouwen en mannen, tussen jonge en oudere deelnemers, tussen verschillende politieke voorkeuren en tussen hogere of lagere functies die mensen in hun werk bekleden.

In de enquête werd gevraagd naar het sterkte-zwakte oordeel over 42 kenmerken van de Nederlandse economie, die ter wille van de overzichtelijkheid zijn gegroepeerd in negen verschillende thema's. Een analyse per thema maakt duidelijk hoezeer er verschillen van mening bestaan over de sterke en zwakke kanten van de Nederlandse economie. 1. Arbeid en arbeidsmarkt. De meningen over het aanbod van geschoolde arbeidskrachten en over de sociale zekerheid in Nederland lopen zeer uiteen. Een groep respondenten ziet hierin een sterk aspect van de Nederlandse economie, terwijl anderen deze punten juist als uitgesproken zwaktes beschouwen. Ook wat het loonkostenniveau betreft, is sprake van verschillende opvattingen. Daarentegen zijn de antwoorden eenduidig over de werking van de arbeidsmarkt. Het verschil tussen bruto en netto loon, tussen minimumloon en uitkeringen, de koppeling, de flexibiliteit van het arbeidsaanbod, de arbeidsparticipatie en het aantal werklozen worden door driekwart van de respondenten of meer als zwaktes van de Nederlandse economie beschouwd. 2. Kapitaal en kapitaalmarkt. Over de werking van de kapitaalmarkt wordt tamelijk positief geoordeeld. Meer dan de helft van de respondenten ziet de financiële weerbaarheid van het bedrijfsleven en de omvang van de particuliere besparingen als sterke kanten van de economie. Over het aanbod van risico-dragend kapitaal lopen de meningen uiteen. 3. Overheid en politiek. Ook hier staan de meningen op enkele punten diametraal tegenover elkaar. De respondenten noemen het gevestigde CAO-overleg even vaak een sterkte als een zwakte van Nederland. Grote overeenstemming is er evenwel over de belastingdruk, de omvang van de collectieve sector, de mate van regelgeving, de invloed van partijpolitiek op de economische besluitvorming en de omvang van het financieringstekort van de overheid. Deze aspecten worden in overweldigende mate als zwakke punten van Nederland genoemd. 4. Milieu. Het aantal vragen dat hierop betrekking had, was beperkt. De antwoorden tonen grote verdeeldheid over de vraag of het energieaanbod op termijn een kracht of zwakte van Nederland is. Een meerderheid beschouwt de bodemverontreiniging als zwakte. 5. Infrastructuur. De ligging van Nederland wordt door vrijwel alle respondenten als een pluspunt beschouwd en ook de faciliteiten voor elektronische telecommunicatie staan goed aangeschreven. De helft van de respondenten ziet het wegennet als een zwak punt. 6. Onderwijs en opleiding. Ook dit thema toont tamelijk grote meningsverschillen. Een meerderheid vindt de talenkennis een pluspunt en de relatie onderwijs-bedrijfsleven een minpunt. De kwaliteit van het lagere beroepsonderwijs wordt eveneens als een zwakte beoordeeld. 7 Technologie en innovatie. Als sterke aspecten van de Nederlandse economie scoren de ontwikkeling van de biotechnologie en van de informaticatechnologie. Het oordeel over de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven is gelijk verdeeld over sterkte, zwakte en neutraal. 8. Ondernemerschap en concurrentiekracht. De handelsgeest van Nederlanders en de openheid van de Nederland scoren onverminderd hoog als sterke kanten van Nederland. Minder zeker zijn de respondenten over de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven en als een uitgesproken zwakte worden de invloed van Nederland op de besluitvorming in de EG en het risico-mijdende gedrag van ondernemers genoemd. 9. Managementskwaliteiten en medezeggenschap. De opvattingen over het management lopen uiteen en bijna de helft van de respondenten zoekt het veilige midden van een neutrale beoordeling als het gaat om sterkte of zwakte van het management. Eveneens bijna de helft noemt de medezeggenschap van werknemers een sterk aspect van de Nederlandse economie.

Zoals te verwachten viel, leverde de enquête verschillen op in de visie van verschillende groepen respondenten. Aan de hand van de antwoorden op een aantal persoonlijke vragen zijn de respondenten ingedeeld in zes typologieën: de volgzame werker, de individualist, de pionier-vakman, de carrière-zoeker, de zekerheidszoeker en de toegewijde aan het gezin. Daarnaast is een onderscheid gemaakt naar visie van de respondenten op de economie, waarbij verschillen optreden tussen een sociale gerichtheid en een markt-oriëntatie. Deze laatste laat zich onderverdelen in een internationale en een meer binnenlandse oriëntatie op de economie.

Bovendien is een onderscheid gemaakt naar criteria als geslacht, leeftijd, opleiding, politieke voorkeur, de economische sector en de functie waarin de respondent werkzaam is.

Het blijkt dat vrouwen en jongeren over het algemeen minder negatief oordelen over de economie dan mannen. Vrouwen oordelen positiever over de flexibiliteit van het arbeidsaanbod, de hoogte van het minimumloon en de bescherming bij gedwongen ontslag. Ook jongeren oordelen positiever over de flexibiliteit van de arbeidsmarkt.

Het negatieve oordeel over overheid en overheidsbeleid komt uit alle geledingen. Ook vrouwen en jongeren oordelen negatief over belastingdruk en de omvang van de collectieve sector, maar iets minder dan ouderen en mannen.

Opmerkelijke verschillen doen zich voor bij de partijpolitieke voorkeur van de deelnemers. Aanhangers van de PvdA en Groen Links behoren vaker tot de "individualisten', terwijl CDA-stemmers meer "toegewijd' zijn. VVD-stemmers zijn overwegend "carrière-zoekend', terwijl D66'ers het meest aansluiten bij de gemiddelde samenstelling van alle deelnemers.

Ten aanzien van de oriëntatie op de economie lopen de meningen van de respondenten van verschillende politieke stromingen sterk uit elkaar. PvdA-aanhangers zijn voor driekwart aanhangers van een sociale oriëntatie, voor 18 procent van een marktoriëntatie en hebben voor slechts negen procent oog voor de internationale oriëntatie van de economie. Een vergelijkbare verdeling doet zich voor bij stemmers op Groen Links.

De helft van de CDA-stemmers heeft een voorkeur voor een (binnenlandse) marktoriëntatie terwijl de andere helft van de CDA-stemmers zijn voorkeur verdeelt over de internationale en de sociale oriëntatie. VVD'ers zijn in meerderheid voor een marktoriëntatie, een derde voor een internationale en slechts in 13 procent voor een sociale oriëntatie in de economie. Bij D66'ers houden de voorstanders van een sociale en een marktoriëntatie elkaar met 40 procent in evenwicht terwijl 20 procent een uitgesproken internationale oriëntatie aanhangt.