Defensie de gebeten hond van de industrie

ROTTERDAM, 7 SEPT. Toen zich deze voorzomer honderden vertegenwoordigers van de Nederlandse defensie-industrie in het Haagse Congresgebouw verzamelden, om in een klimaat van internationale ontspanning de zorgelijke situatie in hun bedrijfstak onder ogen te zien, werd onder de aanwezigen een enquête gehouden. Zijn de mogelijkheden van onze industrie te weinig bekend bij het ministerie van defensie? "Ja', antwoordde 73 procent van de aanwezigen. Worden wij tijdig door Defensie over projecten geïnformeerd? "Nee', sprak 74 procent. Het overige kwart van de aanwezigen bestond voornamelijk uit generaals en ambtenaren van Defensie.

De communicatiekloof had kort voor de Haagse bijeenkomst al geleid tot een openlijke botsing tussen scheepswerf De Schelde en het ministerie. Het Vlissingse bedrijf vestigt als traditionele "hofleverancier' van marine-oppervlakteschepen zijn hoop op de bouw van twee nieuwe geleide-wapenfregatten in de latere jaren negentig. Toch mocht De Schelde's bestuursvoorzitter drs B.P.Hiddinga eerder dit jaar uit de krant vernemen dat Defensie met de Duitsers een memorandum of understanding had gesloten om te studeren op de eventuele gezamenlijke bouw van nieuwe geleide-wapenfregatten. Daarbij zouden de Duitsers hun nieuwe ontwerp F-123 fregat inbrengen. De nijdige Hiddinga later tegen de vaste Kamercommissie voor Defensie: “Wij willen in een vroeg stadium betrokken worden bij de onderhandelingen, zodat wij op z'n minst de mogelijkheid hebben om te concurreren met het buitenland. Wij hebben een aantal voorbeelden gezien waar dit in een zo laat stadium gebeurt, dat wij achterlopen bij de kennis die buitenlandse bedrijven hebben over onze eigen materieelbehoefte. Dat lijkt mij volstrekt onjuist”. Staatssecretaris van Voorst tot Voorst tegenover dezelfde Kamercommissie: “Wij vinden het nodig om op overheidsniveau een breder draagvlak te creëren voor de marine-ontwikkeling en ontwerptechnologie”. Al eerder was men er bij De Schelde over gevallen dat het ministerie ter voorbereiding van de bouw van een nieuw marine-bevoorradingsschip eerst contact opnam met de Spaanse marinewerf Bazan en pas later met Vlissingen.

Nu rollen vliegtuigbouwer Fokker en Defensie bijna vechtend over straat, nadat Van Voorst tot Voorst vorige week in een brief aan de Tweede Kamer aankondigde dat de Nederlandse vliegtuigbouwer geen middelgrote transportvliegtuigen mag leveren voor de luchtmobiele brigade. In plaats daarvan zullen Spaanse of Italiaanse toestellen worden aangeschaft. Een serieuze dialoog met Defensie blijkt onmogelijk, klaagde Fokker, dat van de argumenten in de Defensie-brief aan de Kamer weinig heel liet. Onzin, er was volop dialoog, kaatste Defensie terug. Een welingelichte, anonieme bron uit de ambtelijke wereld beaamt dat er wel degelijk samenspraak was - noem het formeel of informeel. Zo stemde Fokker er op aandrang van de luchtmacht mee in de Fokker-50 niet aan te bieden voor de luchtmobiele brigade. Dat toestel lijkt immers erg veel op de nog bij de luchtmacht vliegende F-27. En dan zouden de politici best eens op het idee kunnen komen om de betrekkelijk weinig gebruikte F-27 wat langer te laten rond vliegen. Dat is ook de reden voor het curieuze feit dat de Fokker-50 in de brief van de staatssecretaris helemaal niet wordt genoemd. Dezelfde zegsman: “Dat Fokker vervolgens met zijn F-100 ook niet aan de bak kwam, lag aan het simpele feit dat de invloedrijke luchtmachtchef Louwerse en zijn vliegers van begin af aan hun zinnen hadden gezet op de Spaanse Casa CN-235 M of de Italiaanse Alenia G-222. En die vallen uitgerekend weer in de klasse van de Fokker-50”. Verder stoorde de luchtmachtstaf zich aan Fokkers vrijpostigheid. Het bedrijf had zijn F-100's immers ongevraagd aangeboden in combinatie met drie Hercules-tankervliegtuigen. En dat terwijl de Luchtmacht nu juist zo gretig aast op de aanschaf van twee grote DC-10 "jumbo'-tankers. “In grote lijn geen onjuiste weergave van de gebeurtenissen”, reageert desgevraagd Fokker-zegsman Rob Mol.

Directeur ir D. van Dort van scheepswerf Van der Giessen-de Noord, die ook mijnenvegers pleegt te bouwen, kan zich Fokkers boosheid wel voorstellen. Hij omschrijft zijn relaties met de marine als goed maar die met Defensie als “stroever”. Van Dort: “Ze zijn bij Defensie uiteraard geïnteresseerd in de toekomstige behoeften maar het vertalen daarvan naar de mogelijkheden van de Nederlandse bedrijven komt bij hen niet echt op gang”.

Pag 19

'De Fransen kopen toch Mirages'

Van Dort vindt de besnoeiingen op het defensiebudget alleszins begrijpelijk, “maar dat ontslaat Defensie niet van de plicht de bedrijven tijdig te informeren”.

Volgende week zal de vaste Kamercommissie voor Defensie eerst afzonderlijk Fokker en Defensie horen alvorens zich over de brief van staatssecretaris van Voorst tot Voorst te buigen. “Wij hebben hier te maken met een Nederlands produkt in concurrentie met buitenlandse produkten en daar moeten wij prudent mee om gaan”, vertelt Kamercommissie-lid M. Zijlstra (PvdA). “Dat je het niet eens wordt, kan ik begrijpen. Maar dat je het niet eens bent over de wijze van communiceren moest niet mogen.”

Ir J.H.Dibbitz, directeur van de Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensie-opdrachten (NIID), oordeelt: “Defensie heeft in een heel vroeg stadium al een keus gemaakt die in het nadeel van Fokker uitviel. Later is er wel gepraat maar omdat de dialoog niet echt was ingebed in het al eerder genomen besluit, leverde die niets op. Dan wordt er niet goed naar elkaar geluisterd en blijven er meningsverschillen hangen”.

Hij meent dat communicatiestoringen, zoals tussen Fokker en Defensie, zijn te voorkomen door in de procedures van Defensie tijdig “een stuk verplichte industriële consultatie” in te bouwen. Dibbitz: “Volgens de huidige DMP (Defence Material Procurement)-procedures is er een A-fase waarin operationele eisen worden geformuleerd, gevolgd door een B-fase waarin wordt gestudeerd op de technische realisering. Dan volgt een C-fase waarin de Tweede Kamer wordt ingelicht. Wat wij willen is dat Defensie al in de B-fase wordt verplicht om de Nederlandse industrie te consulteren. Dan hoeft de Kamer zich niet bezig te houden met het beslechten van onnodige conflicten.”

Wat vindt de NIID-directeur van het streven van de staatssecretaris om artikel 223 van het EG-verdrag - dat de defensie-industrie in feite buiten de Gemeenschap plaatst - te laten schrappen en daarmee deze van subsidiëring en protectie verzadigde tak van bedrijvigheid te liberaliseren? Dibbetz zegt: “Op papier is dat een logisch en sluitend streven dat uitstekend zou zijn voor de Nederlandse industrie. Het probleem is alleen dat de grote Europese landen er meer nadeel dan voordeel van verwachten en er niets voor voelen. Daar besteden ze 95 procent van hun defensiebudget in eigen land. Een Franse generaal zou het niet in z'n hoofd halen een Amerikaanse F-16 in plaats van een eigen Mirage-jager voor te stellen. En toen de Britse minister van defensie, Tom King, deze week Westland uitkoos als fabrikant van een nieuwe anti-onderzeeboot-helikopter, sprak hij: “Dit project is van het grootste belang voor de Royal Navy en de Britse industrie”.

Dibbetz vervolgt: “Bij ons komen nooit buitenlanders winkelen. Moeten wij ver vooruit lopen op het schrappen van artikel 223 terwijl anderen nog geen stap verzetten? Ik denk dat zoiets verkeerd is. De theorie mag schoon zijn, je moet als zakenman ook naar de praktijk kijken. Doe je dat niet, dan ga je steeds meer Casa's en Alenia's kopen in plaats van Fokkers verkopen”.