Bridge

Van de meeste experts en topspelers hoor je in vele variaties de uitspraak "bridge is a bidder's game', het is een spel voor bieders. Ze willen hiermee zeggen dat voor het behalen van goede resultaten goed bieden uiteindelijk belangrijker is dan goed spelen.

Het is niet onlogisch dat deze mening vrij algemeen heeft postgevat. Als je door schitterend afspel in een ß7-contract 10 slagen maakt, maar je zit niet in 4 ß7, dan is je beloning hooguit de waarde van een of twee overslagen. Wie een moeilijk te bieden 4-ß7-contract bereikt dat zonder veel moeite wordt gemaakt, boekt als winst het verschil in score tussen manche en deelscore als de tegenpartij niet verder dan 3 ß7 is gekomen.

Het lijkt alsof dit minder opgaat voor parenwedstrijden, waarin immers een enkel slagje meer (of minder) een topscore kan opleveren (of een nul). Maar in parenwedstrijden speelt weer mee dat de kunst van het balanceren heel veel punten oplevert: kan ik in een deelscoresituatie nog eentje meer bieden in de hoop dat dit meer verdient dan het tegenspelen van de deelscore van de tegenpartij, of laat de tegenpartij zich hierdoor "liften' naar een hoger niveau en gaat hij down? Of is tegenspelen inderdaad het beste? Wie die kunst beheerst, komt ver.

Wat maakt iemand tot een goede bieder? Beheersing van een goed biedsysteem lijkt het voor de hand liggende antwoord. Maar daaraan gaat iets wezenlijks vooraf: het vermogen om de waarde van een hand goed te taxeren. Ik denk dat de meeste verkeerde biedbeslissingen hun oorzaak vinden in een onjuiste kaartwaardering. In die mening voel ik me gesterkt door een aantal biedsituaties die de coach van het Nederlandse vrouwenteam, Chris Niemeijer, in het bridgetijdschrift IMP de lezers voorlegt. Het zijn biedsituaties waarin leden van het team in het jongste Europese kampioenschap verkeerde beslissingen namen.

1. ß7 H B 2 ß6 3 2 ß5 6 3 2 ß4 A 8 7 3 2

Partner opent (kwetsbaar tegen niet-kwetsbaar) in derde hand met 1 ß7 en springt na uw verhoging naar 2 ß7 onverwachts naar 4 ß5. Wat doet u?

2. ß7 7 6 5 ß6 V ß5 V 9 8 6 3 ß4 H 10 9 6 Biedverloop (N-OW): Z: -- 2 ß5 2 ß7 4 ß4 4 ß6 ?

W: -- pas pas pas pas

N: 2 ß4 2 ß6 3 ß4 4 ß5 4 ß7

O: pas pas pas pas pas

2ß4 is de grote forcing, 2ß5 toont een zwakke hand en 2ß7 is de zogenaamde "second negative', de tweede ontkenning van enige bruikbare kracht.

3. ß7 A 7 ß6 B 2 ß5 A V 9 8 4 3 ß4 5 3 2

Biedverloop (Z-OW): Z: 1 ß5 pas ?

W: 1 ß7 3 ß6

N: 2 ß6 4 ß5

O: 3 ß4 pas

N's 2-ß6-antwoord is niet forcing (1 ß7 nam zijn natuurlijke 1-ß6-antwoord weg).

Laten we maar eens beginnen.

1. Wat moet N met dat 4-ß5-bod? Het antwoord op die vraag kan niet moeilijk zijn. Voor hem staat al vast dat hij 4 ß7 gaat spelen (hij heeft dus ten minste een 5-kaart ß7), maar hij sluit niet uit dat er slem in zit als Z voor zijn zwakke 2-ß7-antwoord precies de juiste kaarten heeft. N heeft dus een bijzondere hand. 4 ß5 kan afhankelijk van de gemaakte biedafspraken een controle tonen (advanced cuebid) waarmee tevens een controle in de overgeslagen ß4-kleur wordt ontkend, of een renonce of singleton in ß5 (splinter bid).

De vraag is nu: heeft Z "precies de juiste kaarten'? Het antwoord is niet moeilijk: ja. ß4 A is goud waard, want N heeft vermoedelijk een gat in die kleur. Verder treedt er in ß5 geen "duplication of values' op, zeker niet als N in deze kleur kort is. Ten slotte vullen ß7 H en ß7 B twee gaten in de N-hand, terwijl de derde ß6-ronde kan worden getroefd wat wellicht ook nog een slag kan opleveren. Dat alles was N onbekend, en toch wilde die naar slem. Z moet nu natuurlijk 5 ß4 bieden: ""Ik heb ß4 A, geen eerste of tweede controle in ß6, maar wel weer een goede troefsteun''. Maar in werkelijkheid bood Z 4 ß7. Dat kostte 12 of 13 imps, want in beide zwarte kleuren zat er een zeer goed slem in.

2. N heeft een zeer sterke twee-kleuren-hand aangegeven, Z heeft alleen voorkeur voor ß4 boven ß6 getoond en een controle in ß6.

Na het 2-ß5- en het 2-ß7-antwoord weet N niet beter of Z bezit verder helemaal niets van enige waarde. Maar Z's ß4 H vult een belangrijk gat in de N-hand en hij bezit bovendien vier troeven; dat zal in combinatie met de aftroefmogelijkheden in ß6 een of twee extra slagen kunnen opleveren, terwijl ß6 V zelf misschien ook nog van belang kan zijn. Kortom: Z heeft hier maar één bod, en dat is 6 ß4. Maar in werkelijkheid bood Z 5 ß4. Een dicht groot slem, en dus ook het klein slem gemist.

3. Je zou er al over kunnen twisten of Z in deze competitieve situatie over 3 ß4 van O niet meteen 3 ß5 had moeten bieden, maar dat is wat kracht betreft wat overboden, hoewel het tonen van de 6-kaart heel nuttig kan zijn. Maar nu biedt N vrijwillig 4 ß5, terwijl hij op niet meer dan een 4-kaart ß5 bij Z hoeft te rekenen. N heeft dus 9 of 10 kaarten in de rode kleuren. Hiervan knapt ß6 B ook enorm op. Kortom: als je nu niet 5 ß5 biedt, dan, enfin vult u zelf maar in. Maar in werkelijkheid paste Z. Het missen van 5ß5 kostte 6 imps.

Chris Niemeijer wijt deze onjuiste beslissingen aan een gebrek aan agressiviteit bij het vrouwenteam. Hij spoort ze derhalve aan in het aanstaande wereldkampioenschap "als tijgerinnen' aan tafel te zitten. Ik ben het met zijn diagnose toch niet helemaal eens. Volgens mij tonen deze biedbeslissingen - en hij laat meer voorbeelden van hetzelfde zien - dat het gebrek veeleer zit in het vermogen de waarde van de onderhavige handen goed te bepalen. Dat is een technisch manco. Eigenlijk is dat gelukkig, want daaraan valt gemakkelijker wat te doen dan aan een gebrek aan agressiviteit. Laten we hopen dat in het voorbereidingsprogramma voor het WK het onderdeel kaartwaardering de aandacht krijgt die het verdient.