BENITO MUSSOLINI: VAN REBEL TOT SUPERMAN

Mussolini immaginario. Storia di una biografia, 1915-1939 door Luisa Passerini 290 blz., Laterza 1991, f 82,35 ISBN 88 420 3738 9

Jarenlang, tot diep in de jaren zestig, was het historische beeld dat wij van het Italiaanse fascisme hadden, bepaald door wat de vijanden ervan gemaakt hadden. Tussen de zwarte revolutie van Mussolini en de bruine revolutie van Hitler bestond geen fundamenteel, hooguit een gradueel verschil. Het waren twee gezichten van hetzelfde kwaad, waartegen alle rechtgeaarde democraten in Italië net zo goed als elders onverzettelijk strijd geleverd hadden.

Dit beeld is daarna flink bijgesteld, niet in de laatste plaats door toedoen van de historici, die vonden dat het veel te ongenuanceerd-simplistisch was en vooral niet-historisch, dat wil zeggen niet werkelijk inpasbaar in de Italiaanse geschiedenis. Door het fascisme vanuit de Italiaanse geschiedenis te bestuderen kwamen zij tot een ander, gedifferentieerder beeld, niet langer zwart-wit gekleurd maar met een heleboel tinten grijs.

De voorstelling die wij thans van het fascisme hebben is die van een heterogene beweging, een verzamelpunt van verschillende, soms zelfs tegenstrijdige krachten en impulsen, met kunst- en vliegwerk bij elkaar gehouden door één man: Mussolini. Sommige historici, onder aanvoering van Piero Melograni, geloven zelfs dat het fascisme het beste gewoon als mussolinismo begrepen kan worden.

Indien de fascistische heerschappij voornamelijk gezien moet worden als een persoonlijke dictatuur, dan ligt het voor de hand de aandacht te concentreren op de Duce, de man die "gelijktijdig alles voor iedereen betekende'. Wat was het geheim van zijn succes? Dat er van de fascistenleider een fatal attraction uitging, daarover waren tijdgenoten, vriend èn vijand, het destijds al wel eens, maar waarin die fascinatie nu precies bestond kon niemand uitleggen. Ook de historici hebben zich van meet af aan voor de "mythe' van Mussolini geïnteresseerd, maar verder dan het verzamelen van losse getuigenissen en het formuleren van een paar voorzichtige hypotheses (zoals bijvoorbeeld Renzo De Felice en Luigi Goglia in 1983 deden in Mussolini il mito) kwamen zij niet.

De publikatie, in februari van dit jaar, van Mussolini immaginario, vrij vertaald Mussolini zoals hij in de voorstelling van de Italianen leefde, is een nieuwe stap voorwaarts. De schrijfster, Luisa Passerini, geboren in 1941, doceert al jarenlang methodologie van het historisch onderzoek aan de universiteit van Turijn. Zij heeft verscheidene opmerkelijke studies van theoretische (Storia e soggettività uit 1988), empirische (Torino operaia e fascismo uit 1984) en psychologische (Autoritratto di gruppo uit 1988) aard op haar naam staan. Voorts is zij gespecialiseerd in oral history. Kortom, zij kan een deskundige genoemd worden op dit bij uitstek grensverleggende gebied.

BIOGRAFIEËN

Passerini heeft de mythe van de Duce geanalyseerd aan de hand van de vele Mussolini-biografieën die in de periode tussen 1915 en 1939 in Italië en daarbuiten verschenen zijn. Uit het omvangrijke materiaal dat zij bestudeerd heeft blijkt overduidelijk, dat het beeld dat destijds van de fascistenleider bestond niet altijd gelijk gebleven is. In het algemeen gesproken waren er verschillende, veelal zelfs tegenstrijdige beelden van Mussolini gelijktijdig in omloop. Daarnaast verschilde het dominerende Mussolini-beeld, het beeld dat de Duce zelf graag van zich gaf, in de jaren twintig nogal van dat van de jaren dertig.

In de jaren twintig, ruwweg de fase van de opbouw van het Mussolini-beeld, wordt de Duce vooral gezien als een bevlogen idealist, een rebel with a cause. Die bevlogenheid dient, zo blijkt, om de reuzensprongen uit zijn carrière, de bekering van neutralist tot interventionist tijdens de Eerste Wereldoorlog en die van de socialist tot fascist daarna, ten overstaan van het grote publiek te verklaren en goed te praten. Passerini voert de lezer mee langs de verschillende etappes in de beeldvorming waar Mussolini zelf (maar niet altijd) de hand in heeft gehad via de keuze van de belangrijkste biografen, onder wie Antonio Beltramelli (L'Uomo Nuovo uit 1923) en Margherita Sarfatti (The Life of Benito Mussolini uit 1925, in Italië verschenen in 1926). Zij laat duidelijk zien dat de figuur van de Duce niet geleden heeft onder de last van die uiteenlopende excursies. Die werden destijds zeker niet gezien als nutteloos, als de omzwervingen van een dolende ridder, maar integendeel als de vroege manifestaties van een politiek genie dat voorbestemd was een historische rol te vervullen, die van schepper van een nieuw Italië.

BAND MET HET VOLK

Pogingen om Mussolini's ideologische Werdegang te reconstrueren, ja elke herinnering aan zijn socialistische verleden, zullen in de loop van de jaren dertig geleidelijk aan verdwijnen. Hetzelfde geldt voor iedere verwijzing naar zijn nederige afkomst. Mussolini, wie er aanvankelijk veel aan gelegen was om zijn machtsovername als een daad van de revolutie voor te stellen, had zich in het begin nadrukkelijk gepresenteerd als een man van het volk. Belangrijk in dat opzicht is zijn Diario di guerra, een vijftiental impressies van het oorlogsfront die tussen 1915 en 1917 in Il Popolo d'Italia verschenen waren en in 1923 nogmaals, als bundel, uitkwamen. Daarin trad hij te voorschijn als een gewoon soldaat, gewaardeerd door zijn superieuren en bewonderd door zijn medesoldaten met wie hij een Messiaanse band zou hebben. ""Wie had ooit kunnen denken dat ik nog eens Mussolini als soldato semplice tegen het lijf zou lopen'', laat hij daarin een kameraad zeggen.

Die band met het volk stelde hem in staat zijn heerschappij in de jaren twintig van een hechte, duurzame basis te voorzien. De socioloog Robert Michels zette in een college in 1926, gewijd aan de opkomst van de massa als politieke factor, uiteen dat Mussolini zijn macht te danken had aan de politieke emancipatie van de brede volkslagen, onder meer als gevolg van het algemeen kiesrecht. ""Dank zij de voordelen van de democratie vond Italië in de Nieuwe Kapitein de belichaming van zichzelf.'' Wanneer de massa Mussolini toejuichte, aldus Michels, applaudisseerde zij dus eigenlijk voor zichzelf, of voor een projectie van zichzelf, ""gehoor gevend aan een stem ergens diep in haar eigen bewustzijn of, laten we zeggen, nog dieper in haar eigen onderbewustzijn.''

WERELDVERBETERAAR

In de jaren dertig wordt de band met het volk allengs losser. Mussolini ontstijgt dan de massa. In plaats van een man van het volk wordt hij een man boven het volk, een superman. Het "tu sei tutti noi' van de enthousiaste volksmenigte die hem toejuichte na de mislukte moordaanslagen in de jaren twintig, verandert in "tu sei la Nazione' en "tu sei tutto'.

In 1929 neemt Mussolini zijn intrek in Palazzo Venezia, alwaar hij in de statige Sala del Mappamondo - 18 meter lang, 15 meter breed en 12 meter hoog - zijn bezoekers ontvangt. Hier vinden in het begin van de jaren dertig de gesprekken met Sylvester Viereck en Emil Ludwig plaats, die het materiaal leveren voor twee belangrijke publikaties die zijn reputatie van staatsman internationaal moesten vestigen. In Glimpses of the Great (1930) portretteert de Engelsman Viereck de Duce niet als een gewone dictator, maar als een wereldverbeteraar, degene die de mensheid zal verlossen uit de ketenen van het kapitalisme en de arbeid.

Zo mogelijk nog verhevener, nog bovenmenselijker is de Mussolini die uit de gesprekken met Ludwig te voorschijn treedt. Deze vermaarde Duitse journalist, bekend met de geschiedenis en de psycho-analyse, was een vurig bewonderaar van de Duce. In 1928 had hij hem al met Napoleon vergeleken. In zijn potsierlijke publikatie, die in 1932 gelijktijdig in Italië, Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten verscheen, portretteert hij zijn held als een superman, een staatsman van Olympisch-Goethiaans formaat.

Niettegenstaande deze verheven, goddelijke statuur die Mussolini in de jaren dertig aangemeten krijgt, blijft het human aspect aanwezig. Parallel aan de ontwikkeling van de fascistische heerschappij in de richting van een rechts-autoritair politiek systeem is het streven om Mussolini te portretteren als een fatsoenlijke, voorbeeldig-ingetogen burgerman. Hij, die de vrouwen altijd geminacht heeft, geldt nu voortaan als een liefhebbende echtgenoot en vader. In 1928, kort na de geboorte van het vijfde kind, verhuist het gezin naar Rome, waar het een vleugel van de deftige Villa Torlonia betrekt, echter zonder de gouvernante, Cesira Carocci, die zich altijd meer met de vader dan met de kinderen beziggehouden had. Van een echt gezinsleven is ook dan geen sprake (Mussolini zal bijvoorbeeld vast blijven houden aan zijn voorkeur de maaltijden buitenshuis te gebruiken), maar in het openbaar wordt dat zorgvuldig afgeschermd. Zo bleef het beeld van de doorsnee-Italiaan ook in die tijd intact.

SPIEGEL

Passerini, die de verschillende etappes in de mythevorming zorgvuldig analyseert en de onderlinge tegenstrijdigheden erin feilloos aanvoelt, trekt aan het eind de conclusie dat die tegenstrijdigheden juist de sterke kant van de hele Mussolini-mythologie gevormd hebben. Het Mussolini-beeld was zo overrompelend, schrijft zij, omdat het, net als trouwens het fascisme zelf, voortdurend alternatieve kanten naar voren haalde: revolutie afgewisseld met autoriteit, het nieuwe met het oude, het uitzonderlijke met het banale. Omdat al die elementen in Mussolini's veelzijdige persoonlijkheid en loopbaan stuk voor stuk ruimschoots aanwezig waren, konden die verschillende toonaarden op overtuigende wijze bespeeld worden. En zo kon de Duce moeiteloos ""gelijktijdig alles voor iedereen zijn'', of, zoals Elsa Morante in 1945 in haar dagboek noteerde, ""spiegel van het tegenwoordige Italiaanse volk''. Vandaar de steun aan, de adoratie van de volksmassa's voor de leider, een band die ver boven en in zekere zin zelfs buiten het fascisme om ging.

De vraag die echter onbeantwoord blijft, is welke rol de ongeveer duizend biografische geschriften waarop de schrijfster zich baseert precies gespeeld hebben in de verbreiding van dit Mussolini-beeld. Over de verbreiding van al deze biografieën, kwantitatief zowel als kwalitatief, valt weinig met zekerheid te zeggen. Bovendien is het nog maar de vraag hoe belangrijk dergelijke geschriften in de jaren dertig waren vergeleken met de constante informatiestroom die op de Italianen afkwam, de dag- en weekbladen en vooral de radio en de bioscoop. De schrijfster verwijst er wel naar, maar zonder er verder iets mee te doen. Het vermoeden bestaat dat toen de rol van de hagiografische geschriften, die in kwantitatieve zin toenam, in kwalitatieve zin juist sterk verminderde. Maar méér dan een vermoeden is het niet.

In haar voorwoord doet Passerini een belangrijke, categorische uitspraak. Zij zegt er persoonlijk van overtuigd te zijn dat wat de Italianen destijds zagen of meenden te zien, veel meer het resultaat was van wat zij zelf wilden zien dan van wat het regime hun voorhield, met andere woorden dat het beeld dat toen van Mussolini bestond veel meer spontaan, van onder af ontstaan was dan van boven af opgelegd. Maar ook daarvoor biedt haar studie, waarin het accent toch vooral ligt op vormen van "geregisseerde' beeldvorming, maar weinig aanknopingspunten. Het onderzoek van Passerini zit boordevol interessante informatie, levert nieuwe bouwstenen voor de theorie van de "uniciteit' van het fascisme, maar laat de lezer op een aantal essentiële punten in de steek.