Zoek maar niet, ik ga een verre reis maken; Het tragische lot van Leonid Dobytsjin

De Russische schrijver Leonid Dobytsjin (1894-1936) schreef een novelle die bij de communisten niet in de smaak viel: “De verheerlijking van het verleden vormt de kwintessens van een werk dat we met een gerust hart ons ten diepste vijandig kunnen noemen.” Dobytsjin geloofde dat de critici gelijk hadden en pleegde zelfmoord. Maar het is een bij- zonder mooie novelle. Een eerbetoon aan een miskende schrijver.

Leonid Dobytsjin: De stad N. Uit het Russisch vertaald door Helen Saelman. Uitg. Wereldbibliotheek, 135 blz. Prijs ƒ 24,50

Er worden in de Sovjet-Unie boeken geschreven en uitgegeven waar men vroeger niet van droomde. Van nieuwe schrijvers, oude emigranten, voormalige dissidenten. Maar ook van vergeten Sovjetschrijvers. (Een krankzinnig predikaat eigenlijk. Radenschrijver, want dat betekent het; een ”Sovjet' is ten slotte een ”raad' en een Sovjetrepubliek een radenrepubliek). Tot de laatstgenoemde categorie behoort Leonid Ivanovitsj Dobytsjin.

Dobytsjins naam is meer dan vijftig jaar uit de roulatie geweest. Hij is ook nooit beroemd geweest en er is weinig over hem bekend. Maar zijn werk en zijn lot verdienen het om aan de vergetelheid te worden ontrukt. Zijn werk is van wereldformaat, zijn lot was tragischer dan dat van de dichters Jesenin en Majakovski, twee andere Sovjetzelfmoordenaars. Zij vonden het communisme misschien niet zo leuk als ze gedacht hadden, maar ze werden er niet echt door tot zelfmoord gedreven. Dobytsjin wel.

Op 28 januari 1936 verscheen in de Pravda het geruchtmakende artikel: ”Chaos in plaats van muziek', waarin het ”formalisme' van Sjostakovitsj aan de kaak werd gesteld. In ”Literair Leningrad' van 27 maart staat een verslag van een bijeenkomst in het Majakovski-huis van twee dagen eerder. De spreker Jefim Dobin wordt daarin op de volgende wijze aangehaald: “(-) Als het gaat om concentraten van formalisme in de literatuur, dan dient ”De stad N' van Dobytsjin als voorbeeld te worden aangevoerd.

“Dobytsjin treedt volledig in de voetsporen van Joyce... ”De stad N' is een verheerlijking van het verleden, en wat voor verleden! Het verleden van iemand, afkomstig uit de meest reactionaire kringen van de Russische bourgeoisie - de gezagsgetrouwe, rechtsradicale religieuze. De verheerlijking van het verleden en het verdriet om het feit dat het verloren gegaan is, dat vormt de kwintessens van een werk dat we met een gerust hart ons ten diepste vijandig kunnen noemen.” Andere sprekers volgen, niemand neemt het voor Dobytsjin op. Bij Venjamin Kaverin, die er bij was, lezen we:

“Na de beraadslagingen, was het woord aan Dobytsjin. Hij liep de zaal door, klein van stuk, in zijn beste pak, een beetje zenuwachtig, maar absoluut niet bang. Op het podium gekomen, zweeg hij even, liet zijn vingers kraken en zei toen met een zachte, holle stem:

“Tot mijn spijt kan ik mij niet verenigen met wat hier gezegd is.”

Hij daalde het trapje af, liep de zaal door en verdween.''

(”Leonid Dobytsjin', in V. Kaverin: Epilog, p. 199-206)

Hij verdween voorgoed. De ”beraadslagingen' werden op 28 en 31 maart, op 3, 5 en 13 april voortgezet. Maar naar alle waarschijnlijkheid was hij toen ze eindelijk uitvergaderd waren, al lang niet meer in het land der levenden.

Een dag na de eerste bijeenkomst in het Majakovski-huis heeft Kaverin voor het laatst contact met hem, telefonisch. Sprekend over de tegen hem gerichte aanval van de dag tevoren, zegt Dobytsjin: ”Ze hebben gelijk'. Weer een dag later slaan vrienden alarm. Hij heeft Nikolaj Tsjoekovski gevraagd zijn schulden aan vrienden te voldoen van het geld dat hij meende tegoed te hebben voor een ingezonden verhaal. Vervolgens had hij op een raadselachtige manier afscheid genomen: “Zoek maar niet, ik ga een verre reis maken.” Zijn kamer is leeg, zijn paspoort ligt in de la: hij is niet naar zijn ouderlijk huis in Brjansk, hij is ook niet gearresteerd. Twee weken later smeekt zijn moeder, die zonder een woord van uitleg zijn kleren had toegestuurd gekregen, om uitsluitsel over het lot van haar ”ongelukkige' zoon. Een paar maanden later wordt zijn stoffelijk overschot uit de Neva gevist. Althans volgens Kaverin, een officiële bevestiging van deze berging is er niet. Zijn boeken werden uit de bibliotheken verwijderd en vernietigd.

Roem

Als een donderslag bij heldere hemel is de naam van Leonid Dobytsjin uit de lucht komen vallen. Ik kwam zijn naam voor het eerst tegen in de beschouwing die Viktor Jerofejev (schrijver van ”Een schoonheid uit Moskou') in deze krant wijdde aan zeventig jaar Sovjetliteratuur. Daarin geeft hij een opsomminkje van de interessante namen uit deze periode. Tussen enkele vertrouwde namen staat daar ineens de naam van Dobytsjin. Nooit van gehoord. De Leidse Universiteitsbibliotheek heeft alleen zijn eerste bundel ”Ontmoetingen met Liz' (1927).

Inmiddels zijn er twee Russische uitgaven op de markt: een selectie korte verhalen plus de novelle ”De stad N' en een verzamelbundel van drie verguisde en vergeten Leningradse schrijvers (Vasili Andrejev, Nikolaj Barsjev en Leonid Dobytsjin) met daarin het volledige werk van Dobytsjin: 150 pagina's, twee verhalenbundels en een novelle.

Tweeslachtig

Leonid Dobytsjin werd in 1894 geboren in de Letse stad Dvinsk (nu Daugavpils). Zijn vader was arts, zijn moeder vroedvrouw. Hij doorliep het plaatselijke gymnasium en de Technische Hogeschool in Petersburg. Na de revolutie woonde hij samen met zijn moeder, zus en broer in Brjansk. Hij werkte als statisticus en soms helemaal niet. Hij debuteerde in 1924. Nadien verbleef hij vaak in Leningrad, waar hij zich vanaf 1934 ”voorgoed' vestigde: in een kamer van de Schrijversbond, Mojka 62. Hij nam een tweeslachtige houding aan tegenover zijn eigen werk, enerzijds deed hij er laatdunkend over, anderzijds hunkerde hij naar roem en vond hij ”De stad N' van wereldformaat. In een brief aan collegaschrijver Slonimski schrijft hij: “Een keer heb ik iets van roem gesmaakt: op straat werd ik aangesproken door een man die zei: “U bent geloof ik de schrijver van een bepaald boek.”

Het nu bij de Wereldbibliotheek in de Nederlands verschenen ”De stad N' is een novelle van 122 bladzijden. Het boek bestaat uit 34 hoofdstukjes, die tezamen de jeugd van een Russische, orthodoxe jongen uit Dvinsk beschrijven, ruweg van zijn vijfde tot zijn vijftiende.

Het is ”petite histoire' van het zuiverste water. Het is een grote verzameling kleine observaties en invallen en geeft een meeslepend en ontroerend beeld van de eerste schreden van een kleine jongen in de grote wereld van een kleine stad. Er is geen intrige, het boek is een tableau vivant. We kennen zijn kennissen, we weten wat hij leest, wat voor kleren hij aanheeft en wat hij denkt. We maken de op- en ondergang van zijn familie mee. We zien vriendschappen en verliefdheden ontstaan. We zien hem de puberteit bereiken, de ”gevaarlijke leeftijd' volgens zijn moeder, met wie hij het voor het eerst soms niet eens is. En dat allemaal tegen de achtergrond van de echte grote wereld: nieuwe technische vindingen (fonograaf, elektrisch theater, vliegtuigen, rubberbanden), de oorlog met Japan, de revolutie van 1905, Gogols honderdste geboortejaar, Tolstoj's sterfdag. In goed honderd pagina's krijgen we een persoonlijke levensgeschiedenis en een sociologische monografie van de stad Dvinsk en het land Rusland. Zonder een zweem van socialistisch realisme, en dat voor een in 1935 in de Sovjet-Unie gepubliceerd werk!

Dvinsk was dan wel een vergaarbak van nationaliteiten en godsdiensten, maar bepaald geen smeltkroes: allerlei soorten mensen leefden er vooral langs elkaar heen: Russen, Letten, Polen, Duitsers, Joden, Karaiemers, orthodoxen, oudgelovigen, protestanten, katholieken, uniaten, joden. De dubbelzinnigheid van het vreedzaam samenwonen komt aardig tot uiting in de bonte verzameling dienst- en kindermeisjes van het gezin van de - naamloze - Russische, Russisch-orthodoxe hoofdpersoon, die meestal om redenen die we tegenwoordig discriminerend zouden noemen, de laan uitvliegen.

Kindermeisje

Maar de stad N, is dat wel Dvinsk? Nee, eigenlijk niet. Op verschillende plaatsen blijkt dat de stad N van Dobytsjin dezelfde is als de stad N uit Gogols Dode zielen waar Dobytsjins kleine hoofdpersoon zo van droomt. Op pagina 10 staat al: “Ik pakte een boek en las hoe Tsjitsjikov in de stad N aankwam en bij iedereen in de smaak viel. Hoe ze de kales inspanden en op weg gingen naar de landeigenaars, en wat ze daar aten. Hoe Manilov van Tsjitsjikov ging houden en op het bordes stond te dromen dat de tsaar van hun vriendschap zou horen en hen tot generaal zou bevorderen.” En op pagina 13: “Terwijl ik door het kindermeisje werd uitgekleed, bedacht ik wat we met dat geld konden doen. We zouden een kales kunnen kopen en naar de stad N rijden. Daar zou iedereen van ons gaan houden. Ik zou vriendschap sluiten met Themistokles en Alkid Manilov.”

De naamloze jongen woont in Dvinsk maar droomt van N. Hij sluit Gogols deugnieten in zijn hart, getuige de volgende prachtige ontboezeming tegenover zijn vriend Serge, de ”enge jongen': “Heb jij gehoord, Serge, dat Tsjitsjikov en alle bewoners van de stad N en Manilov schurken zouden zijn? Dat leren ze ons op school. Ik heb erom gelachen.”

Zoals in het nawoord terecht wordt gesteld, zien we bij Dobytsjin een voor de Russische literatuur tamelijk zeldzame aandacht voor het leven van de ”kleine luyden'. Voor een groot deel bestaat die Russische literatuur namelijk uit het getob en gepalaver van mensen uit de hogere kringen over de grote levensvragen (Tolstoj's Oorlog en Vrede, Toergenjevs Vaders en zonen, Dostojevski's Misdaad en straf). Uitzonderingen zijn Gogol en Tsjechov: de eerste toont de hogere kringen in al hun naaktheid, de laatste laat ook de middelste kringen zich het hoofd breken over de levensvragen. Dobytsjin combineert iets van beide laatsten: hij toont de middelste kringen in al hun naaktheid. Overigens zonder dat de mensen er antipathiek door worden, ze zijn klein maar aandoenlijk. We voelen ontroering en berusting als we ze zien schutteren en denken bij onszelf: ja, zo zijn de mensen, zo is het leven.

Dobytsjin hanteert een heel bijzondere schrijfstijl. In een soort telegramstijl lijkt hij afwisselend door een microscoop en door de verkeerde kant van een verrekijker te kijken. Met een voorbeeld wil ik Dobytsjins schatplichtigheid aan Gogol laten zien. Nabokov gaat in zijn monografie over Gogol uitvoerig in op diens ”homunculi', mensjes die door een zinsnede een ogenblik aan de anonimiteit worden ontrukt om er vervolgens weer voor eeuwig aan te worden prijsgegeven. Fameus is Ivan Kirilovitsj, uit het toneelstuk De Revisor. Hij komt alleen aan de orde in de brief van ene Tsjmychov (zelf een homunculus) die de burgemeester (van een naamloze stad) waarschuwt voor de komst van een onderzoeksambtenaar, de gevreesde revisor: “ . . . mijn zuster Anna Kirilovna logeert hier met haar man; Ivan Kirilovitsj is erg dik geworden en speelt almaar viool . . .”. Het ene detail is zo banaal en het andere zo excentriek dat daardoor voor de lezer een klein tipje van de mysterieuze sluier van het leven wordt opgetild.

Soortgelijke figuren treffen we in de novelle van Dobytsjin aan. Hij gaat alleen nog een stapje verder. Hij geeft die efemere figuren toch hun eigen, afgeronde geschiedenis mee. Ter illustratie volgt hier de geschiedenis van Madame Strauss en Kapelmeester Schmidt:

“Een mars weerklonk. Een compagnie naderde en het orkest speelde blinkend. Kapelmeester Schmidt zwaaide majestueus met zijn gehandschoende hand. Madame Strauss kwam in rode japon de vleeswarenzaak uit en knikte hem gelukzalig glimlachend eindeloos toe. (pag.10) De dikke Strauss kwam langsrijden in een grijs jasje en een kleine hoed met groen veertje. Met de ene hand mende hij, de andere hield hij om het middel van madame Strauss. (14) Apothekersvrouw von Bonin kreeg bezoek van madame Strauss, en zolang zij daar te gast was kwam kapelmeester Schmidt vaak langs. (28) In de deuropening van de vleeswarenzaak zag ik madame Strauss. Kapelmeester Schmidt praatte zachtjes met haar. Een vergulde ham wierp al schitterend een schaduw over hen. (37) Tussen de kachels stond het militaire orkest te spelen onder leiding van kapelmeester Schmidt. Madame Strauss wilde van wat dichterbij luisteren, ze ging naar de kachels toe en stond daar vol aandacht, met in haar handen de suikerpot die ze gewonnen had in de ”loterij allegri'. (67) Aan het einde van de zomer kreeg madame Strauss een ongeluk. De koperen ham liet los en viel op haar hoofd, en ze stierf voor de ogen van kapelmeester Schmidt, die samen met haar in de ingang van de vleeswarenzaak stond. (86).”

In een paar zinnen wordt een heel drama geschilderd. De nasleep is trouwens niet minder treffend:

“De begrafenis was erg plechtig. Voorop liep een politieman die iedereen zijn muts liet afnemen. Daarachter reed de dominee. Achter de koets liep als eerste meneer Strauss. Hij werd ondersteund door Jozes (piano's) en Jutt. Daarna kwamen madame Jutt, madame Jozes en mevrouw von Bonin, die uit het plaatsje hierheen was gekomen. Daarachter kwam de grote massa. Daarin liepen Pferdchen, Sachs (lucifers), Bodriewicz, Schmidt, Griliches (leder), de vader van Mitrofanov. De klokken van de Kirche luidden. Treurig keek ik uit het raam. Ik stelde me voor dat ooit misschien Nathalie zo zou worden vervoerd en dat ik, net als Schmidt vandaag, een plaats zou krijgen achteraan, tussen de buitenstaanders.”

Buitenkant

Hoewel ze beiden over de verloren tijd schrijven is er bijna geen groter contrast denkbaar dan tussen Proust en Dobytsjin. Proust beschrijft alles van binnenuit, Dobytsjin heeft alleen oog voor de buitenkant. Zijn keuze van details maakt redeneringen overbodig. Over de door zijn hoofdpersoon gehate leraar schoonschrijven:

“De tijd dat ik niet daar was las ik Dostojevski. Hij trof me diep en tijdens het middageten zei maman dat ik als verdwaasd was.

De dagen verstreken. Op de rivier verschenen al zandbanken en de Progress moest manoeuvreren om niet vast te lopen. In een zwart kadertje berichtte de Dvina over de voortijdige dood van de leraar schoonschrijven.

Op een keer kwam ik Osip tegen. Hij was vriendelijk. Hij bood me aan me een plek te laten zien waar gehangenen begraven waren. Ik vertelde hem het geval met de leraar. “Osip”, zei ik, “zou jij bereid zijn geweest hem te doden als hij niet zelf dood was gegaan?” Ik nam zijn hand en keek hem vol opwinding aan. Hij antwoordde dat voor een kennis alles mogelijk was. Ik vond het jammer dat ik hem zo laat ontmoet had.”

De naamloze jongen moet heel wat afgetobd hebben, in navolging van de Raskolnikov uit Misdaad en straf. Maar hoeveel veelzeggender zijn deze paar regels van Dobytsjin dan het eindeloze gezever bij Dostojevski.

Het aardige en waarachtige van deze kleine ”Bildungsroman' is de grote mate van overeenkomst in de wereldbeschouwing van ouder en kind. Zomin als de meeste kinderen ziet de naamloze jongen aanleiding aan de inzichten van zijn ouders te twijfelen. Op subtiele wijze laat hij de banaliteit van hun leven zien. Zonder commentaar. Pas als ”de gevaarlijke leeftijd' aanbreekt, is de jongen het niet altijd met zijn moeder eens. Zo hoort het ook.

Het einde van het boek is heel symbolisch. Er gebeurt iets dat hem zijn verleden zowel als zijn toekomst met andere ogen doet bezien: na een toevallige blik door de pince-nez van de naar Amerika vertrekkende Peisach een attribuut dat hem de wereld met heel andere ogen doet bezien: een bril!

Er zou nog eindeloos kunnen worden uitgeweid over ”De stad N' (de boeken die de jongen leest, zijn vriendschappen, de plaats van Dobytsjin in de Russische literatuur, zijn heel bijzondere techniek). Dat zal ik niet doen. Wel beveel ik deze novelle van harte bij u aan. Het wachten is nu op de vertaling van de rest van Dobytjins werk, de korte en zeer korte verhalen.