Smachtende bruid verandert niet in gevaarlijke vogelspin

Voorstelling: Zij was en zij is, zelfs. Van Jan Fabre. Felix Meritisproduktie. Regie: Jan Fabre. Spel: Els Deceukelier. Gezien: 5-9, Felix Meritis, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t-m 7-9. 7 t-m 9-11 Schouwburg, Rotterdam.

In een toelichting op de kleine voorstelling Zij was en zij is, zelfs die theatermaker-beeldend kunstenaar Jan Fabre voor zijn favoriete actrice Els Deceukelier maakte, schrijft hij dat zij verondersteld wordt “de metaforische betekenis van de sexmachine” te spelen. Wat ik me daarbij moet voorstellen, weet ik niet goed: het begrip is op zichzelf al een metafoor. Een metafoor, die Fabre juist lijkt te willen herleiden tot tastbare praktijk. “Mijn enige functie is de liefde te bedrijven” laat hij Deceukelier zeggen. En telkens weer smacht zij: “En nog eens - en nog eens - en nog eens”.

Fabres tekst is een associatief gedicht over begeerte en de vervulling daarvan, over mannen en hun eenzijdige verwachtingen jegens de vrouw, jegens één vrouw. Die vrouw is De Bruid, The Bride, La Mariée, ontleend aan Marcel Duchamps beroemde compositie op glas La Mariée mise à nu par ses célibataires (1923). En in de voorstelling is die vrouw Els Deceukelier, voor Fabre volgens zijn toelichting “de verpersoonlijking van een extreem gevoel.” Wat hij daarmee bedoelt, is gemakkelijker te begrijpen, zeker voor wie zijn voorstellingen vanaf het begin volgt. Deceukelier is een sfinx, met een ondoordringbare noblesse, die haar talent gemakkelijk zou kunnen blokkeren. Met haar katachtige blik belichaamt zij sereniteit, waardoor de vaak puur fysieke uitputtingsslag die zij op toneel levert, des te meer verrast.

In Fabres hommage aan haar mag zij het, bij uitzondering, rustiger aan doen. Gekleed in een bruidsjurk van het adembenemendste, romantische soort staat zij aan het begin van de voorstelling met haar rug naar het publiek, op een halfrond glimmend podium, omlijst door donkere gordijnen. Ter gelegenheid van haar eerste woorden keilt zij haar biedermeiertje over haar schouder. Plof - bijna op één van de in een zorgvuldige compositie uitgezette opgezette vogelspinnen. De bruid en de spin: Fabre houdt nu eenmaal van dat soort bijna mythologische combinaties, sprookjesachtig, en daarom ook laat hij de bruid denkbeeldig in spiegels kijken, zich afvragend wie in het land de mooiste is?

Zij, zonder meer. Arme stakkers, noemt ze de mannen die naar haar hand dingen. Ze imiteert de mannen spottend met een pijp die ze uit haar satijnen polstasje opduikelt en waar ze de brand in zet.

“Ze kan zeer rigide lijken”, schrijft Fabre, weer in zijn toelichting. Hij heeft jammer genoeg te weinig vertrouwen in zijn eigen oordeel. Wat Deceukelier van nature bijdraagt, brengt hij letterlijk ten overvloede ook nog eens aan. Zijn enscenering is afstandelijk, esthetisch, kunstzinnig, zo niet gekunsteld. Fabre plaatst een glazen stolp over Deceukeliers optreden. En dat verhindert haar zelf een vogelspin te worden, een gevaarlijke, want levende.