Ritzen wil subsidie instelling schrappen; "Instituut voor Luchtkartering beschikt over te kostbaar specialisme om teniet te doen'

ENSCHEDE, 6 SEPT. In Enschede staat een wetenschappelijk instituut dat de twijfelachtige eer geniet een van de meest onbekende instituten te zijn die door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen worden gesubsidieerd: het ITC. Voor wie in Enschede gaat kijken biedt het beeld dat voor de ingang van de Schermerhorn Hall staat en dat dient als het ITC-logo zonder uitleg ook weinig houvast. Pas met enige achtergrondkennis kan de sculptuur van Charles Hammes worden begrepen: ze stelt een figuur voor die half vliegtuig en half vredesduif is, zwevend boven de aarde. De sculptuur symboliseert "werk en missie' van het Instituut voor Luchtkartering, dat zich kortweg ITC noemt. Een afkorting die de tegenwoordige Engelse naam al niet meer dekt: The International Institute for Aerospace Survey and Earth Sciences. Alles in het ITC is Engels, het lesmateriaal is in die taal geschreven, maar ook het onderwijs wordt in het Engels gegeven en zelfs tijdens de recreatie is Engels voertaal. Het instituut kent dan ook bijna geen Nederlandse studenten. Dat moet een van de redenen zijn geweest voor onderwijsminister Ritzen om onlangs voor te stellen het ITC in ieder geval van zijn begroting te schrappen, in het kader van de maatregelen waarbij ook in de subsidie aan Universiteit Nijenrode flink het mes wordt gezet. Even ontstond er paniek in Enschede en ITC-rector prof. dr. ir. K.J. Beek toog zelf ijlings naar Den Haag om te vernemen wat er aan de hand was. Hij lijkt daar gerust gesteld: als Ritzen de 31 miljoen die jaarlijks naar het ITC gaat al van zijn begroting wil schrappen, dan zal die volgens Beek zeker weer bij Ontwikkelingssamenwerking opduiken. De rector is optimistisch: “We zullen er eerder geld bijkrijgen, dan dat er afgaat. Het specialisme dat wij in huis hebben is te kostbaar om teniet te doen.”

Het specialisme van het ITC is de fotogrammetrie: de techniek om met behulp van luchtfoto's en satellietbeelden topografische kaarten te maken. In die en aanverwante disciplines worden jaarlijks honderden studenten uit voornamelijk Derde-Wereldlanden onderwezen. “Er is nog steeds een enorm gebrek aan geografische kennis in die landen”, weet Beek, “en de behoefte eraan wordt alleen maar groter. Als je geen kaarten hebt, kan er tenslotte geen spa de grond in.” Met kaarten kunnen stedelijke en agrarische ontwikkelingsplannen in beeld worden gebracht, maar ook veranderingsprocessen in het aardoppervlak en milieuvervuilingen. Topografische kennis is dus van groot belang voor de ontwikkeling van de Derde Wereld. Die gedachte stond ook in 1951 al centraal toen het ITC werd opgericht door dr. Willem Schermerhorn, die de meeste Nederlanders slechts kennen in zijn hoedanigheid van minister-president (1945-1946), maar die ook een vermaard fotogrammetrist was, begaan met het lot van de Derde Wereld. De vredesduif en het vliegtuig in het ITC-logo vallen nu op hun plaats. Beek over het werk van zijn instituut: “We houden ons bezig met het waarnemen van de aarde uit lucht en ruimte en met veldonderzoek met het doel informatie en kennis te verzamelen om ontwikkelingsprocessen waar nodig te ondersteunen.”

Schermerhorn was tot 1964 rector van het ITC, dat toen nog in Delft zat en verbonden was aan de technische universiteit daar. In 1971 verhuisde het grootste deel van het instituut naar Enschede, in het kader van het toen gehanteerde "spreidingsbeleid'. Beek: “We waren een soort troostprijs voor Enschede, toen Twente geen medische faculteit kreeg.” Er werken nu 350 mensen op het ITC en jaarlijks volgen zo'n 900 studenten de cursussen die er worden gegeven en die recht geven op diploma's en academische graden. Het instituut onderhoudt bovendien nauwe contacten met zusterinstellingen in Derde-Wereldlanden, die vaak mede door het ITC zijn opgezet. Azië en Afrika zijn de voornaamste continenten waar de ITC-studenten vandaan komen. Zij zijn bijna allemaal intern gehuisvest, in het DISH-hotel, dat aan het instituut is gebouwd. “De filosofie is dat onze studenten door goede huisvesting veel tijd houden om te studeren”, vertelt Beek, “ze maken dan ook twee maal zoveel uren als de gemiddelde Nederlandse student. Maar dat doen ze graag, want ze weten dat hun opleiding belangrijk is voor hun eigen toekomst maar ook voor die van hun land.” De studenten en het instituut hebben dus, volgens Beek, een zelfde soort bevlogenheid over zich. Die uit zich ook in het feit dat het instituut via een eigen wetenschappelijk kwartaalblad nog steeds contact houdt met bijna alle 10.000 oud-studenten overal in de wereld.

De begroting van het ITC beslaat jaarlijks zo'n 43 miljoen gulden. Daarbij zijn dan niet gerekend de 7 tot 8 miljoen aan studiebeurzen van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, die jaarlijks via het ITC aan de buitenlandse studenten worden verstrekt. Het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen is zoals al eerder gememoreerd "goed' voor 31 miljoen van de ITC-inkomsten. Beek vindt die subsidiering niet meer dan terecht en is tegenstander van directe financiering door "Ontwikkelingssamenwerking': “De minister van onderwijs is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs is Nederland. Daartoe behoren wij. Het zou niet goed zijn ons te isoleren van de rest van het wetenschappelijk onderwijs.” De rector ziet ook weinig kans, vertelt hij, om andere financieringsbronnen aan te boren, mocht het toch tot bezuinigingen moeten komen. In het verleden is de buikriem al voldoende aangehaald. “We zitten nu aan onze 'kern-staf'. We kunnen onze basistaken uitvoeren.”

Het ITC verwerft uit "projekten voor derden' al 6 miljoen jaarlijks. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om advisering van kadastrale en topografische diensten. Om die inkomstenbron op te voeren vindt Beek niet passen binnen de missie van het ITC.

Wat daar wel binnen past is het onlangs via het ministerie van defensie aan het ITC overgebracht verzoek van de West Europese Unie (WEU) om mee te werken aan de opzet van een soort centrum voor satellietbeelden-interpretateurs. Vanuit dat centrum zou toezicht gehouden kunnen worden op internationale ontwikkelingen, de naleving van ontwapeningsafspraken en dergelijke. “Vanuit de lucht kun je dat soort zaken goed bekijken”, zegt Beek enthousiast, “en zo'n centrum, dat past natuurlijk uitstekend in onze doelstelling. Met weinig moeite zouden we het aan het ITC kunnen vastbouwen.”