Ritzen in de hoek

GEEN ENKELE minister van onderwijs is populair geworden door het lesgeld te verhogen. Minister Ritzen maakt het echter wel erg bont met zijn voorstel om de ouders de gaten in zijn begroting te laten dichten. De verhoging met driehonderd gulden en de financiële straf voor zittenblijvers of voor leerlingen die niet de kortste route door het onderwijs hebben gekozen zijn veel te fors. De leerlingen betalen dan ongeveer eenderde van de kosten van hun onderwijs zelf.

De minister heeft zichzelf in de afgelopen twee jaar bijna automatisch in deze hoek gemanoeuvreerd. Door onvoldoende bestuurskracht bleek hij, anders dan hij had toegezegd, niet in staat de overlegstructuur in het onderwijs aan te pakken. Daardoor kon de traditionele belangenbehartiging ongeremd worden voortgezet. Ritzen beperkte zijn manoeuvreerruimte verder door met steun van de verschillende groeperingen her en der in het onderwijs hoofdlijnenakkoorden en convenanten af te sluiten. Daarbij beloofde hij de verschillende onderwijssectoren te vrijwaren van bezuinigingen.

HET SIERT de minister dat hij die toezegging probeert na te komen, maar daarmee illustreert hij echter ook dat hij de problemen in het onderwijs onderschat. De tekorten blijven komen, maar de ruimte om die met een afgewogen beleid de baas te worden is verdwenen. Twee potten resteren in deze begroting waar Ritzen naar hartelust uit put: het lesgeld en de studiefinanciering. Voor het overige sprokkelt hij wat kruimels bijeen: twaalf miljoen bij Nijenrode, tien miljoen op speciaal en vakonderwijs.

De minister rechtvaardigt de verhoging van het lesgeld met argumenten die niet kunnen overtuigen. Hij vindt kennelijk dat veel scholieren er de kantjes van aflopen en dat zij maar moeten worden gestraft als zij twee of meer keren blijven zitten. Dat is niet helemaal onredelijk en stimuleert eigen verantwoordelijkheid. Maar dat is maar een deel van het verhaal. Zitten blijven is voor de meeste leerlingen een didactisch monstrum: waarom moet een leerling alle vakken van een jaar overdoen als hij in twee of drie onvoldoendes scoort? Een zorgvuldige analyse had de minister misschien ook kunnen leren dat het stijgende aantal zittenblijvers in de voorlaatste klassen van MAVO, HAVO en VWO mede het gevolg is van ministerieel beleid.

(Voor leerlingen die zakken voor hun eindexamen krijgen de scholen in het volgende schooljaar maar een gedeeltelijke vergoeding, reden voor veel scholen om voorzichtig te zijn bij het toelaten van leerlingen tot de examenklas.)

OOK DE ARGUMENTATIE van de minister om door boetes te proberen zogeheten ondoelmatige leerwegen af te remmen, deugt niet. Vorig jaar had hij al een bedrag van driehonderd miljoen in zijn begroting vermeld dat hij dacht te kunnen bezuinigen als leerlingen allemaal de kortste weg kiezen naar hun eindonderwijs. Dus geen stapeling van MAVO, HAVO, VWO naar universiteit of hogeschool meer. Of met een VWO-diploma naar MBO. Maar juist de basisvorming, die nog moet worden ingevoerd, was bedoeld om de leerlingen door een latere keuze op het goede pad te krijgen. Ook de aangekondigde veranderingen in de tweede fase van het voortgezet onderwijs zouden tot kortere wegen door het onderwijslabyrint moeten leiden. Kennelijk heeft de minister weinig vertrouwen in de uitwerking van deze onderwijskundige maatregelen.

Het navrante is bovendien dat Ritzen door zijn sancties op de "ondoelmatige' leerweg vooral leerlingen uit de lagere sociale inkomensgroepen treft. Juist die kinderen blijken moeizamer hun weg door het onderwijs te vinden dan leerlingen uit de "betere' sociale milieus. Door de dreiging met boete zullen juist ouders uit de lagere inkomensgroepen eerder geneigd zijn hun kind voortijdig van school te halen (“Ga maar werken, ik heb genoeg betaald”). Daarnaast maken de onontkoombare uitzonderingen, voor bijvoorbeeld leerlingen die langdurig ziek zijn geweest, de maatregelen fraudegevoelig en moeilijk uitvoerbaar.

VOOR HET STANDPUNT van de minister dat het verantwoord is om de sterkste schouders de zwaarste lasten te laten dragen - wat hij wil doen door de verhoging voor de laagste inkomensgroepen voor het grootste deel te compenseren - is soms weleens wat te zeggen. Al moet er meteen aan worden toegevoegd dat dit inmiddels op alle terreinen van ontkoppeling tot onroerend-goedbelasting weer een sport aan het worden is die menig modaal verdiener geleidelijk aan doet snakken naar een minimum-inkomen en alle daarbij passende voordelen. In dit geval kunnen er ook nog constitutionele vraagtekens bij worden gezet. Onderwijs is volgens de Grondwet een primaire taak van de overheid en het hoort geen instrument voor inkomenspolitiek te zijn. Daarvoor bestaat een belastingstelsel.

Ritzens beleid ten slotte staat haaks op het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten dat ook Nederland heeft ondertekend. Daarin verplichten de aangesloten staten zich onder meer het secundaire onderwijs “in het bijzonder door geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs algemeen beschikbaar en voor allen toegankelijk te maken”. Daarmee is niet gezegd dat de overheid geen eigen bijdrage van de leerlingen mag vragen voor hun onderwijs. Maar juist ook met het oog op het verdrag mag worden verwacht dat daaraan een behoorlijke, bij voorkeur onderwijskundige argumentatie ten grondslag ligt. In de Memorie van toelichting is veeleer sprake van boekhouden dan van visie.