Recht op luiheid is zo dwaas nog niet

Iedereen doet nu wel knorrig over de oude Marx, maar kent u wellicht dat merkwaardige boek van zijn schoonzoon, Paul Lafargue?

Het heet Het recht op luiheid en hekelde “de woedende hartstocht om te werken”. Dat was, naar de mening van de schrijver, de bron “van alle geestelijke verwording”.

Men spiegele zich aan de klassieke beschaving, adviseerde Lafargue. “De Grieken van het Grote Tijdvak hadden slechts minachting voor de arbeid. De vrije mens kende alleen de lichamelijke oefeningen en de spelen van de geest. Dit was dan ook de tijd dat men wandelde en ademde te midden van lieden als Aristoteles, Phidias, Aristophanes.'

Kunsjt, want die 'vrije mensen' hadden allemaal een hok vol slaven om de tuin aan te harken, de Retsina te serveren en de vaat te spoelen.

Trouwens, die Grieken waren helemaal niet lui, want luiheid staat per definitie in relatie met werk en werken wilden de Grieken niet, opdat zij alle tijd van de wereld hadden om de wijsgerige smoezen te verzinnen waarmee hun lediggang werd gerationaliseerd.

De wereldliteratuur kent de beroemde luiaard Ilja Iljitsj Oblomov. Was die man eigenlijk wel lui? Of had hij, uit begrijpelijke angst voor het naakte bestaan, het beheer van zijn landgoed aan een rentmeester gedelegeerd?

Wat is een luiaard? Dat is de man-vr. die een hekel heeft aan zijn-haar werk. Luie werklozen bestaan in principe niet. Er is maar één soort werk dat de mens degenereert: mensonwaardig werk, zoals het nog steeds, ook in Nederland, miljoenenvoudig wordt verricht. Zelf heb ik natuurlijk makkelijk praten. Mijn betrekking is de aardigste van de wereld. Bij interessante parlementaire debatten zit ik op de eerste rij, de schouwburg bezoek ik gratis, boven mijn blocnote gebogen mag ik ongehinderd laten weten wat er allemaal deugt respectievelijk niet deugt, wat een probaat middel tegen maagzweren is, en ten slotte krijg ik er ook nog geld voor. Luiheid? Ik weet ècht niet wat dat is. Luie journalisten, bestaan ze eigenlijk wel? Ongetwijfeld, alleen ik ken ze niet, werkende in een beschermde omgeving, met mensen die mogen schrijven wat ze willen, zonder daarbij op de vingers te worden gekeken door een patroon met zweetvoeten en een ochtendhumeur.

Mijn collega Frénk van der Linden denkt hier anders over. Hij sprak recentelijk in het vakblad Reporter harde woorden over het "lanterfantvirus' dat de meeste redactieburelen zou teisteren. Het wordt, zei hij, in de branche zelden hardop gezegd: “Het grootste gedeelte van de Nederlandse journalistiek wordt gekenmerkt door laksheid. Te veel redactionele produkten rieken naar gemakzucht en lamlendigheid”.

Zoals elke generalisatie bevat de klacht een kern van waarheid. Er zijn ongetwijfeld journalisten die boven de visserijberichten versuffen, in een provincienest het gezwets van de dorpsburgemeester moeten noteren of met de dood in het hart gedwongen worden de tweede onderstaatssecretaris voor militaire materieelvoorziening uit zijn bed te bellen. Maar regel is dit niet. De journalisten die ik ken, de uitzonderingen daargelaten, zijn allemaal informatieverslaafde werkezels, die er een eer in stellen hun zaakjes zo goed mogelijk uit te zoeken en hun bevindingen vervolgens zo leesbaar mogelijk op te schrijven. Over het "recht op luiheid' zul je hen nooit horen. Wat compensatiedagen zijn weten zij niet en van de achtendertigurige werkweek willen zij principieel niets weten. Zeker, als ieder normaal mens hebben zij in theorie vrije tijd en nemen zij, na de rituele dreigementen van de familie, vakantie: daarin schrijven zij een boek, een toneelstuk of een sociologische analyse van de plaats hunner noodgedwongen evacuatie.

Waarbij ook ik wel weet dat in al dit jagen en jachten de kiem van de Oblomovistische angst voor het leven schuilt. Plus de wetenschap, vergeleken met negentig procent van de mensheid, gebenedijd te zijn.

Tot de leeftijd van 62 jaar. Daarna legt de journalistenvut ons een drie jaar durend - potentieel - schrijfverbod op.

Laat ik (49), vooruitlopend op de aanstaande tragedie, een generaliserende definitie geven van het Nederlandse journalistenbestand:

Een luie, dus slechte journalist gaat fluitend die journalistenvut in.

Een gedreven, dus goeie journalist, daarentegen, verzet zich tegen dit afzichtelijke vakverenigingsgewrocht met alle energie die zijn gerimpelde corpus nog weet op te brengen.

De basisgedachte van Paul Lafargues "Het recht op luiheid' is zo dwaas nog niet. De vroegkapitalistische negentiende eeuw die hij observeerde, werd economisch geschraagd door uitgebuite, afgesloofde arbeiders. Hun was, al werkende, weinig geluk en loutering beschoren. Maar "merkwaardigd modern', laat staan 'visionair' is zijn boek niet, wat de achterflap ook moge beweren. De wereld wordt werkelijk niet bewoonbaarder als de mensheid collectief met de handen over elkaar gaat zitten. Kijk hoe de volgelingen van Lafargues schoonvader het Vaderland aller Arbeiders hebben laten verkommeren. Driekwart eeuw hebben zij, met de pest in het lijf, de lijn getrokken, omdat er aan hun werk toch geen eer te behalen viel, met als gevolg dat de natie thans een grote, verkommerde, failliete ruïne is. "Het recht op luiheid? Laat me niet lachen!' bromde Agnejev Augustovitsj Komkommerovsky in zijn baard, redacteur bolsjevismebestrijding bij de Novy Pravda, en in gestrekte draf repte hij zich naar de conferentiezaal van het Witte Huis.