Péter Esterházy over woorden, religie en de dood; Ik heb geen gevoelens

Sommige gebeurtenissen, en de gevoelens die erbij horen, zijn bijna te groot voor ons, twintigste-eeuwers zonder religie, vindt de Hongaarse schrijver Péter Esterházy. Toch wilde hij over de dood van zijn moeder schrijven. Maar hoe? Door zoveel mogelijk te beschrijven wat niet het geval is, zodat de waarheid vanzelf zou overblijven? “Van tevoren weet je dat het eigenlijk niet mogelijk is en achteraf, na het schrijven, blijkt dat het inderdaad niet gelukt is,” zegt hij.

Péter Esterházy: De hulpwerkwoorden van het hart. Vert. Ineke Molenkamp-Wiltink. Uitg. Prometheus. 108 blz. Prijs ƒ 24,90

Hoe beschrijf je de dood van je moeder? Zijn daar woorden en zinnen voor? Of gaat het om een emotie die zich voorbij de grens van de taal afspeelt? En hoe groot is het gevaar in deze moderne, cynische tijden dat de lezer zo'n verhaal als larmoyante kitsch afdoet? Peter Handke is in 1972 beroemd geworden met zijn "Wunschloses Unglück' en in 1985 ging de Hongaarse schrijver Péter Esterházy de uitdaging aan. Zojuist verscheen de Nederlandse vertaling van zijn De hulpwerkwoorden van het hart, gewijd aan de dood van zijn moeder.

Esterházy (41) is een telg uit een adellijke familie, een van de machtigste in het pré-communistische Hongarije. Als jongetje werd hij samen met zijn ouders in het begin van de jaren vijftig door de machthebbers als "reactionair element' uit Boedapest naar het ontoegankelijke Noord-Hongarije verbannen. Zijn vader zou daar de rest van zijn dagen slijten met het bewerken van het land. Péter Esterházy zelf wilde later sociale- of literatuurwetenschappen studeren, maar dat werd hem verboden, daarom koos hij voor wis- en natuurkunde. Die studie kon zijn drang om schrijver te worden echter niet onderdrukken: in 1974 verschenen zijn eerste verhalen. Romans volgden, waarvan de belangrijkste in het Duits zijn vertaald. Inmiddels heeft Esterházy zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste schrijvers van Midden-Europa.

De Hulpwerkwoorden van het hart lijkt aanvankelijk een traditionele roman. Esterházy vertelt indringend over de dood van zijn moeder en haar begrafenis. Toch zijn er ook in het begin al aanwijzingen dat de schrijver buiten de grenzen van een gebruikelijke vertelling zal treden. Zo is de tekst kwistig gelardeerd met literaire citaten van andere auteurs, zonder dat hun naam wordt vermeld. Alleen in het voorwoord worden de geciteerde auteurs in alfabetische volgorde genoemd: Bernhard, Borges, Camus, Musil, Sartre, Wittgenstein en vele anderen.

Opvallend is ook meteen dat iedere bladzijde van het boek gevat is in de zwarte rouwrand van een overlijdensbericht. Op pagina 51 eindigt het verhaal over de moeder met een complete zwartgemaakte pagina, in navolging van de stamvader van de 20ste-eeuwse experimentele romans, Tristram Shandy van Laurence Sterne.

Na die zwarte bladzijde is de moeder opeens tot leven gekomen. In een opeenvolging van associaties beschrijft ze haar leven en de begrafenis van de zoon, die daarvoor nog haar begrafenis beschreef.

Péter Esterházy is een schrijver die aan woorden een groot gewicht toekent en dat uit zich ook in een gesprek. Aarzelend, wikkend en wegend, steeds op zoek naar de juiste formulering vertelt hij: “De zwarte bladzijde op pagina 51 is het absolute dieptepunt. Zo gaat dat met lijden. Er wordt een graad bereikt waar het niet verder kan. Op dat moment is het voor de schrijver makkelijker om zich voor te stellen dat hij zelf dood is. Het medelijden met jezelf is bij een begrafenis vaak groter dan je lijden om de dode. Bij een begrafenis huilen we meer om onszelf dan om degene die gestorven is, wat natuurlijk heel beschamend is. De omkering in mijn boek is een pseudo-groots gebaar van de schrijver, die achter de kist lopend, denkt "het ware beter dat ik gestorven was dan jij'. ”

Voordat de moeder de pen van haar zoon overneemt, is de schrijver op zoek gegaan naar het raadsel van het leven. Heeft God ooit bestaan en is hij nog in leven? De zoon komt tot de slotsom dat Hij niet bestaat en vindt dat onbarmhartig van God.

De arts die de moeder behandelt, draagt een andere oplossing aan: “Het enige wat ons in onze ellende troost is het vermaak. Omdat we geen geneesmiddel wisten tegen de dood, de ellende en de onwetendheid en we toch gelukkig wilden zijn, hebben we bedacht er maar niet aan te denken.” Hij neemt de schrijver mee naar twee bekoorlijke verpleegsters en er volgt een erotische uitspatting besproeid met alcohol.

Slippertje

Ook dit blijkt niet de oplossing van het levensraadsel te zijn. Esterházy: “Als iemand zijn moeder verliest, dat kun je niet scherper uitdrukken, dan is hij alleen. Het is een harde confrontatie. In de schaduw is de vader dan nog wel aanwezig, oedipaal zwaar belast. Maar je bent toch alleen. Dat is voor iedereen een nieuwe ervaring. Er komen dan wezenlijke vragen op zoals: alleen, maar waar? Wat is de bodem van het bestaan? In zo'n dramatische situatie probeer je allerlei dingen om de verdwenen nabijheid van je moeder terug te vinden. Alle middelen om dat te bereiken zijn dan ineens toegestaan en niets is te goedkoop, ook niet een slippertje met een verpleegster.”

In het boek vindt de zoon na de dood van zijn moeder geen ander houvast, geen nieuwe basis voor het leven. Esterházy schrijft: “En ik voelde me zo alleen, terwijl ik achter de kist liep, alsof de hele wereld begraven werd, door God.” Esterházy nu: “De laatste zin van het boek kan niet anders zijn dan de opmerking dat ik nog eens zal proberen het nauwkeuriger op te schrijven.” [Lachend] “Hoewel dat een citaat van Handke is.”

Veel schrijvers beschouwen het schrijven zelf als troost, als middel om gebeurtenissen te verwerken. Voor Esterházy geldt dat niet. Het enige inzicht dat zich in de ziel van de zoon grift is de nadering van zijn eigen dood. Esterházy gebruikt daarvoor een regel van een Hongaarse dichter: "De schriele tijd schrompelt ineen.'

De zoon over wie Esterházy schrijft, beklaagt zich dat er geen vorm meer is, waarin het leed betekenis kan krijgen. Vroeger, toen God nog leefde en de religieuze vormen nog zin en inhoud hadden, had ook de dood nog een betekenis. De religie stond in het centrum van de wereld en gaf duidelijke antwoorden op het doel van het leven en de dood. Esterházy: “De cultuur heeft nu de plaats van de religie ingenomen. De vormen van de huidige religie zijn leeg en vormloos, maar de cultuur heeft niet de stevig verankerde fundamenten van de oude religie. Sterker, de cultuur is zich meer en meer gaan afvragen of er wel fundamenten zijn. In die crisis verkeren we nu.”

Voor Esterházy heeft dit ernstige gevolgen voor de literatuur. Die ontkomt er niet aan om de onzekerheid te weerspiegelen. De onzekerheid is het enige fundament van het moderne leven. Het doet denken aan Robert Musil, die opmerkte dat mystiek en irrationalisme in de moderne, verlichte religie geen plaats meer hebben. De mystieke behoefte van de mens zoekt daarom een andere uitweg en "spookt als een nachtvogel die zich in de dag verloren heeft, door onze tijd'.

De nachtvogel die Musil op het oog had was het opkomende fascisme. Esterházy: “Een Duitse dogmaticus heeft eens gezegd: "Of de religie van deze eeuw zal mystiek zijn, of ze zal niet zijn.' Kijk, wij zien in dat ons leven in deze eeuw fragmentarisch is geworden. Dat er geen vast centrum of fundament bestaat. Dat slikken we met een ijzeren gezicht of met een beetje berusting. We zeggen dat ons leven geen bodem meer heeft en dat de melodie eraan ontbreekt. Ook daar berusten we in, dat is nu eenmaal zo, zeggen we. Maar dan zijn er toch weer momenten, die een groot formaat hebben. Wanneer we te maken krijgen met de dood en de liefde bijvoorbeeld. Deze momenten zijn des te dramatischer omdat we inmiddels zo goed met die gefragmenteerde levensopvatting hebben leren leven. Ineens blijkt dat we zo'n gebeurtenis als de dood helemaal niet meer aankunnen.”

Wankelen

Esterházy gebruikt de citaten van andere schrijvers in zijn boek als een soort "hulpwerkwoorden' om tot de eenzaamheid door te dringen. Tegelijkertijd zijn het Fremdkörper, voorwerpen die in de tekst niet thuis horen. Bijvoorbeeld de kreet : "Iedereen hier, ook ikzelf, is zo walgelijk normaal' of "We dachten dat het leven een feest was en dat ons iets te wachten stond'.

Esterházy: “De citaten geven de tekst een bepaalde onzekerheid, die ik nodig heb. Ze bewegen zich "wankelend' door de tekst. Ze maken de indruk zinnen van mij te zijn, tamelijk onopvallend maar tegelijkertijd toch vreemd.

“Die onzekerheid, dat scheve, daar houd ik van. Daar komt natuurlijk bij dat alles al eens een keer gezegd is en dat ik daarom citeer uit de geschiedenis van de literatuur. Maar dat is voor mij minder van belang dan het eerste.”

Ooit ging Esterházy zover dat hij in een van zijn boeken een compleet kort verhaal gebruikte van Danilo Kis, met wie hij toen goed bevriend was. Aan Peter Handke, die in dit boek nogal eens geciteerd wordt, heeft Esterházy eens gevraagd wat hij daar van vond. Handke reageerde niet. Esterházy: “Een zin of een stuk proza is van niemand. Voor mij is het het poëtische gevolg van een werk. Het is als een volkslied, het behoort aan iedereen.” Esterházy geeft toe op dit punt een dubbele moraal te hanteren: “Ik zie niet graag een zin van mezelf bij een andere schrijver staan.”

De hulpwerkwoorden waarnaar de titel verwijst (zijn, mogen, schijnen, kunnen, etc.) staan op de omslag van het boek afgebeeld rond een ouderwets brandend hart. Het is een geslaagde, prachtige metafoor. De hulpwerkwoorden naderen de kern, het brandende hart van de moederloze zoon, maar ze bereiken haar niet. De kern kan niet door woorden, alleen door een afbeelding worden weergegeven. In zijn boek schrijft Esterházy : “We ontkennen door middel van hulpwerkwoorden.” Betekent dit dat iets dat eigenlijk onbeschrijflijk is - de gevolgen van de dood van de moeder - uitgedrukt kan worden door op vele manieren te zeggen wat het niet is, zodat er als het ware een schaduw ontstaat van het onbeschrijfelijke? Esterházy: “Dat doen schrijvers heel vaak. In plaats van benoemen, benoemt men de ruimte eromheen. Wat dan nog overblijft, dat is het dan. De schrijver liegt. Hij liegt de waarheid, zoals het altijd heet. Met louter leugens kun je de waarheid construeren. Van tevoren weet je dat het eigenlijk niet mogelijk is en achteraf, na het schrijven, blijkt dat het inderdaad niet gelukt is.”

Ludwig Wittgenstein schreef "De mensen zijn in het net van de taal verstrikt en weten het niet.' En: "Wat er te zeggen valt, dat laat zich duidelijk zeggen en waarover men niet praten kan, daar moet men over zwijgen.' Esterházy : “Laat ik vooropstellen dat ik als schrijver niets heb, behalve woorden. Geen gevoelens, niets. Ik bouw alles op uit woorden. De dood van mijn moeder, mijn liefde, mijn kinderen; in laatste instantie bouw ik mijn hele leven op uit woorden.”

In het Oosten van Midden-Europa is zoiets een enigszins agressieve uitspraak. De schrijver is daar niet in de eerste plaats iemand die woorden bezit, hij bezit een bepaalde gewichtigheid, hij is een moreel geweten. Esterházy: “Die rol wordt een schrijver bij ons altijd toegedicht, maar volgens mij heeft hij die niet. Ik heb alleen de woorden en die woorden zijn dan ook nog tamelijk ontrouw. Daarin heeft Wittgenstein gelijk. Daarom geloof ik ook dat ieder boek, in ieder geval ieder boek dat ik goed vind, zich aan de rand van het zwijgen bevindt.”

Muziek

Zwijgen of muziek. In het boek citeert hij Handke: “Vaak heb ik bij het werk aan het verhaal gemerkt dat het meer met de gebeurtenissen overeen zou komen als ik muziek zou schrijven. Sweet New England...” Esterházy: “Iedere schrijver heeft een groot verlangen naar muziek omdat de grondelementen van de muziek geen zin, geen betekenis bevatten. En dat is goed. Een boek heeft altijd het nadeel dat het een zin heeft. Een boek gaat niet over een of andere huwelijkscrisis van Madame Bovary. Dat boek gaat over iets wat we met woorden helemaal niet beschrijven kunnen. Bij muziek over de inhoud praten is dom, zinloos.”

Schandaal

Waarom wordt iemand die zich zo bewust is van de onbetrouwbaarheid en de gebrekkigheid van woorden schrijver. Was timmerman misschien geen betere keus geweest? Esterházy lacht: “In de eerste plaats heb ik twee linkerhanden. En verder moet U letten op het motto van het boek, het Wittgenstein-citaat: "Om te kunnen spreken moet men kunnen hopen, en omgekeerd.' Mijn hoop is niets anders dan nieuwsgierigheid. Waarom ben ik nieuwsgierig? Omdat ik niet weet hoe alles in elkaar steekt. Hoe zit het precies? Weet ik niet. Ik wil altijd de verschillende kanten van de werkelijkheid zien en die aan de lezer tonen.” In veel van zijn verhalen en in het tweede deel van het boek, waar de moeder haar jeugd en de dood van haar zoon beschrijft, werkt Esterházy veel met schijnbaar losse associaties. Op het ene moment rouwt de moeder nog om het verlies van haar zoon ("De Tijd is een mooie, bleke vermoeide vrouw') Op het volgende moment eet ze vol smaak een knapperig gebraden haantje. Ineens vallen, in 1944, de Russische soldaten het huis binnen op zoek naar Duitsers en terloops gooien ze het manuscript van een roman van haar man in de open haard. Even later weer zweert ze bij de begrafenis van haar zoon een schandaal te zullen veroorzaken. Esterházy: “Mijn werk heeft niet zoveel kanten of lagen omdat ik daar iets mee bereiken wil, maar omdat ik zo denk. Ik zie of bekijk iets altijd vanuit meer perspectieven. En dat wil ik dan ook op papier hebben.”

Esterházy vertelt dat de revoluties van 1989 in Midden-Europa grote gevolgen hebben gehad voor de taal. “Door de politieke veranderingen ontstonden er veel misverstanden. De woorden in de kranten gedroegen zich ineens anders dan vroeger. Vroeger waren de woorden geheel gepolitiseerd, net als de hele samenleving. Maar nu zitten we in de taal plotseling zonder het vertrouwde woordenboek van het "reëel bestaande socialisme'. De woorden hebben ons verlaten. Dat geeft het gevoel, een heel goed gevoel, dat we de Hongaarse woorden opnieuw moeten leren kennen. Als een kind moeten we alle woorden in de hand nemen en kijken hoe ze zich gedragen.

“Dat kost tijd, net als de economische en politieke ontwikkeling van ons land. De naam van de hoop is de tijd. In het oude systeem bestond de tijd niet. Dat waren tijdloze maatschappijen. Nu leren we voor het eerst de tijd kennen.”