Over toneel dat geen toneel wil zijn; Wij zijn Sprakelozen

Voor het Theaterfestival zijn door een jury elf Nederlandse en Vlaamse toneelvoor- stellingen genomineerd die het afgelopen jaar te zien waren. Acht daarvan worden tijdens het festival in Den Haag (van 28 augustus tot en met 8 september) en Antwerpen (van 7 tot en met 15 september) opnieuw opgevoerd, drie moesten om technische redenen afvallen. Van deze voorstellingen wordt er één bekroond met de Dommelsch Theaterprijs. Willem Jan Otten ging naar Den Haag en keek. “Ik kon niet anders denken dan: deze mensen hebben mij hierheen gelokt om mij op een ingewikkelde manier te vertellen dat zij precies weten hoe het hoort.”

Vanavond in Den Haag: Café Lehmitz van Theatergroep Carver, morgenavond en zondag: Andromache van Toneelgroep Amsterdam. Reserveringen dagelijks van 10 tot 22 uur tel. 070-3617710. Inlichtingen en reserveringen voor de voorstellingen in Antwerpen: 09-32-3-2483800

Afgelopen vijf jaar ben ik alles bij elkaar hooguit maar tien keer naar toneel geweest. Tot tien jaar geleden bezocht ik, als toneelmedewerker van Vrij Nederland, bijna wekelijks twee voorstellingen. Ik was een betrokkene; ik wilde toneel schrijven; ik wilde in de familie der acteurs verkeren; ik hield van gluren naar repetities.

Natuurlijk vraag ik me wel eens af waarom ik het toneel uit mijn handen heb laten vallen als een stapel borden. Misschien wilde ik daarom wel naar het Festival - om mij te vergewissen van de juistheid van mijn desinteresse.

Het omgekeerde gebeurde. Weliswaar heb ik mij gedurende de dertien uur toneel die ik inmiddels heb bijgewoond onbeschrijflijk verveeld - ik voelde me de verslaggever van een slakkenmarathon - maar paradoxalerwijs stond mij de droom van het theater weer helder voor ogen. Zodra ik er weer zat, en de vreemde, veel te ruime, onbewoonbaar geheimzinnige wereld inkeek waar echte mensen konden verschijnen die mij zouden verzoeken te geloven in hun dood (na eerst hun liefde en verlangen navolgbaar gemaakt te hebben), wist ik het: de droom van het toneel, dat is het personage.

Er is een ervaring, en die slaat ons ieder afzonderlijk met klunzigheid, kribbigheid en paniek. Elke formulering van deze ervaring neemt de vorm aan van een vraag: er is een einde, maar we kennen het niet; iedereen verdwijnt, maar waarheen; er moet aan dit alles een zin te geven zijn, maar welke - en deze ervaring die ons opsluit in ons eigen bewustzijn wordt dankzij personages voor de duur van een voorstelling een raadsel, een rite, een geheim waar iedereen, ondanks zijn of haar afgeslotenheid, aan deel neemt.

Mensen gaan eraan. Koning Lear gaat eraan. Maar Lear is een personage. Hij gaat er niet echt aan. Tijdens het slotapplaus staat hij op. Toch heeft hij mijn ervaring gedragen, waar die mij in werkelijkheid verkleint en verlamt. Nooit zal ik weten wat eraan gaan nu is, daarvoor moet ik er eerst aan gaan. Toch kunnen we dankzij het personage iets meemaken wat we niet kunnen kennen. We ervaren het onvermijdelijke als een raadsel.

Het is raar om van dit personage te dromen terwijl je je verveelt. Voor de goede orde: als ik dit schrijf heb ik nog maar vijf van de acht te bezoeken voorstellingen gezien. Dit is dus een tussenstand. Het is goed om die meteen te verraden (voorkennis van de afloop verhoogt het genot). Als waar is wat de jury beweert - dat dit de beste voorstellingen zijn die afgelopen seizoen te zien zijn geweest, en dat afgelopen seizoen een goed jaar was - dan zijn we getuige van een nederlaag.

Laat ik met de schrikbarendste voorstelling van deze eerste vijf beginnen. Iwanov (Tsjechov), gespeeld door Het Nationale Toneel in de regie van Luk Perceval. Dit stuk eindigt met een hoofdpersoon die zelfmoord pleegt. Ergens halverwege betreurt hij radeloos zijn verlies aan idealisme. Er was een tijd waarin hij "in de toekomst keek als in de ogen van een moeder'. Iedereen verbaast zich over zijn huidige gevoelloosheid, zijn onverdraaglijke cynisme. "Hij is zo koud, zo harteloos'. Dit alles is hij ook. Zijn vrouw lijdt aan t.b. en is terminaal. Iedereen weet dit, alleen zij zelf niet. Ondertussen legt Ivanov het aan met een mooiere, jongere, rijke vrouw. Op gegeven moment scheldt hij zijn vrouw uit voor "vuile jodin'. Daarna vertelt hij haar dat ze zal sterven. Ook zij is rijk, maar haar geld zal hij niet krijgen: de schoonouders hebben, uit onvrede met hem, de erfenis geblokkeerd. Het lijkt alsof hij eieren voor zijn geld aan het kiezen is, nu hij een andere vrouw wil.

Waardeloos

De mensen om hem heen zijn precies even onverschillig en hypocriet als zij denken dat hij is. Niemand voelt zijn wanhoop, de Tsjechoviaanse radeloosheid van de man die niet begrijpt waarom een ander hem liefheeft omdat hij zich zelf totaal waardeloos vindt. Hij wil haar, en zij lijkt hem een klein beetje beter te begrijpen dan de anderen. Maar hij maakt onophoudelijk zijn eigen hartstocht verdacht, en die van haar belachelijk. Waarom? Dat zegt Tsjechov niet. Hij probeert een bewustzijn te besluipen dat Russisch is, en modernistisch - het is van zijn geloof gevallen, maar zoekt nog houvast. Meer dan de anderen op het toneel vraagt Ivanov zich af: waarom leef ik. Wat eens met idealistische antwoorden is begonnen eindigt met een reeks zelfontmaskeringen. De waarheid die hij zoekt maakt hem dol, de waarheid is dat er geen waarheid is. Alles, zelfs, of juist, de liefde is verdacht. Een illusie die hij omdenkt tot wespennest.

Een gruwelijk personage, dat zich zelf dwingt om te denken "dood = dood', een acteurgeworden depressie, maar een ziektebeeld is hij niet. Van lithium wordt deze wanhoop niet minder. Je wenst hem, samen met de anderen, dood - maar wat wens je dan? Zo gemakkelijk kom je niet van hem af. Het is toch de waarheid dat er geen waarheid is?

Alles staat of valt met de spanning die de voorstelling weet op te roepen tussen de indruk van harteloos cynisme die Ivanov willens wekt, en het langzaam groeiend besef bij de toeschouwer dat hij de enige is die de vragen des levens grondig stelt, iets van zichzelf verlangt, en uit dit leven een uitweg zoekt. Deze spanning is bij uitstek erotisch. Je moet, samen met de rijke, jonge minnares, in de illusie verkeren dat liefde hem verlossen kan. Deze illusie is nu eenmaal de beste die er is.

Ivanov werd gespeeld door Roelant Radier, en die speelde van meet af aan een goede mens. Dit speelde hij niet, nee, Radier was goed. Deze acteur lijdt aan een onuitroeibare acteerziekte; hij vertikt het om onaardig te zijn. Alles wat hij aanraakt valt onder invloed van zijn verstokte goedheid, van zijn categorische onvermogen om maar één seconde onsympathiek te zijn, plat op z'n bek. Hij meent wat hij speelt, en hij speelt wat hij is - een vliegende dokter. Je begrijpt niet dat hij een cynicus wordt gevonden.

Ondertussen is de voorstelling zelf, ondanks Ivanovs ethische gestaar, één langgerekte poging om het toneel hetzelfde succes te laten boeken als Jack Spijkerman of Karin Bloemen of welke krokodillentranenkleinkunstenaar dan ook. Een personage vertelt Marokkanenmoppen, flirtend met het schandaaltje dat een jodenmop thans zou kunnen veroorzaken. Een ander personage voert een clownsact op met wat snot. Iemand dept haar oksel met deodorant. Nog weer een ander draagt een straalkachel over het toneel. Dit zou bij benadering vergeeflijk kunnen zijn, toneel in Nederland is nu eenmaal een gymnasiale kunstvorm met een neiging tot studentikoosheid - ware het niet dat ons om de haverklap wordt ingepeperd dat ook deze jongelui van de Koninklijke Zeilvereniging tijdens hun bonte avond au fond Tsjechoviaans waren, en dus wanhopig, en dus, onder, of achter, of tussen hun lolbroekerij drommels verdrietig. Bijaldien begon er tijdens een stilte altijd wel iemand te snikken. Of, very Kersentuin, te fluiten.

Het ellendige van deze voorstelling is niet alleen dat zij genomineerd heeft kunnen worden. Het is vooral de volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee Perceval en de zijnen hun wapens hebben laten vallen. De waarheid is dat er geen waarheid is - kennelijk kunnen deze toneelmakers hiermee leven. Geen seconde vraagt hun voorstelling zich af wie Ivanov nu is, waarom iemand van hem houdt, waarom anderen zo verbijsterd over hem zijn. Nergens geeft iemand er blijk van desondanks een waarheid te willen kennen, een uitspraak te willen doen over de gevolgen van dit cynisme, of weerzin te willen betuigen tegen het tomeloze verdriet dat Ivanov, gedreven, verwend, depressief, wanhopig en wel, veroorzaakt. Het lijkt wel alsof er een taboe rust op verdriet. Gij zult vooral niet laten merken dat u ontroerd bent door hetgeen een personage kan aanrichten. Gij zult alles op alles zetten om te voorkomen dat u uw publiek een ervaring bezorgt.

Modieus

Van deze angsthazerij naar Stallerhof (Kroetz), van toneelgroep Hollandia, dat lijkt een grote en onbillijke stap. Is dit dan geen integere voorstelling van een spaarzaam boerendrama, streng vormgegeven, gereformeerd uitgewerkt? Boerenknecht doet het met vrijwel blinde, vermoedelijk achterlijke boerendochter. Daar komt een kind van. Moeder doopt breipen in zeepsop. Boerenknecht wordt verstoten. Kind komt toch - barensweeën tijdens slotapplaus. Wie durft er nu nog met zo'n lineair drama te komen, met zulke korte, sobere scènes uit een leven dat wij alleen kennen van langsrazen met de trein door Zuid-Duitsland? Wie dit aandurft kan toch geen modieuze, postmoderne meeloper zijn?

En toch. Wat bij Iwanov de kleinkunsterij was, dat was bij Stallerhof de esthetiek, de smaak, de gestileerdheid. Zin voor zijn, en vooral: stilte voor eindeloze stilte waarin de onderhuidse spanningen bovenhuids moesten worden, werd ons ingepeperd: dit nu is kunst. Wij zijn niet wat u op grond van het stuk meende te mogen verwachten. Niks geen boeren zijn we, niks geen eenvoudigen van geest. Wij zijn Sprakelozen. Wij waggelen nu en dan weliswaar komiek over een kippebalk naar een vlonder, maar wij zijn Verwikkeld in Stilte. Die vlonder bestond overigens uit vitrines, en we zagen bonen, en aarde, en gewas, de ontwerper waande zich een hele Joseph Beuys. Weer, net als bij Iwanov, wilde niets zijn wat het was. De acteurs geen boeren maar Boeren, de vlonder geen vlonder maar Ontwerp, de gezichten geen gezichten maar Expressies.

Wat is dit toch? Waarom willen deze voorstellingen geen wereld oproepen, geen lichaam zijn, waarom moet alles per seconde, per vlondersegment, per gebaar iets Betekenen? Net als bij Iwanov kon ik niet anders denken dan: deze mensen hebben mij hierheen gelokt om mij op een ingewikkelde manier te vertellen dat zij precies weten hoe het hoort. Wij hebben goede manieren. Ruik maar, wij ruiken niet uit onze mond, zelfs al naaien we de dochter in haar kont. Wij verschonen u van alles wat naar ervaring riekt. Het verdriet van het boerenmeisje met de flessebodems op haar neus, kijk maar, u ziet het niet. Al wat u ziet dat is ons, van werkelijkheid maken we een galerie.

Vlaams

Ook Strindbergs De vader, gespeeld door De blauwe maandag, regie Luk Perceval, was een ontwijkvoorstelling. Er was in de pers unaniem hoog opgegeven van het feit dat er gespeeld werd in dialekt. Een "vertederend' Vlaams. De voorstelling heette dan ook Voader. Het onmiskenbaar protestantse Scandinavische, rationele milieu waarin de tekst zich afspeelt was vervangen door een dorpse "Katholieke', Hugo Claus-achtige familie. Misschien dat alles had kunnen werken als er werkelijk geprobeerd was om dit nieuwe milieu te typeren, maar zoals het er nu voor stond werden we niet geacht personages te zien, ervaring op te doen, maar tekens te ontcijferen. Weer moesten we doorzien, in plaats van dat we tot inleving werden verleid. Ondertussen wist je zeker dat als het gelukt was om op zijn Claus een benard katholicisme heus op te roepen, er niets van Strindberg zou zijn overgebleven. Adolf, de vader, is nu eenmaal een moderne man, ondanks zijn burgerlijkheid. Hij worstelt niet met zijn geloof maar met zijn nihilisme. Dat hij gek wordt van het idee dat hij nooit zeker zal weten dat zijn kinderen echt van hem zijn - ik heb dat altijd een beetje een koddig uitgangspunt gevonden, maar het is een manier van een vroegtwintigste-eeuwse Zweed om de consequenties van echte, rücksichtslose gelijkwaardigheid van man en vrouw door te denken. Van deze alom nagestreefde gelijkwaardigheid kan vastgesteld worden dat hij, zolang er begeerte in het spel is, een hypothese is, een krankzinnige opgave die tot veel schijnheiligheid en schöngeisterei leidt,- en die gelijkwaardigheid durft dit stuk tot een nachtmerrie te maken.

Zo niet Perceval en de zijnen. Die dromen niet van het personage, die beperken zich tot vondsten. Strindberg in dialekt. Een toneelvloer die kleddernat is, zodat er lekker kan worden gegleden. Een dominee die een pastoor wordt. Een vrouw die een dokter speelt en de hele avond met een koffer moet blijven staan. Acteurs die voortdurend op het toneel blijven, waardoor je niet meer weet wie nu wat wel of niet van de ander al weet. De voorstelling eindigde met een scheet. Letterlijk, een kind deed een scheet na. Ik begrijp dit wel. Als je niks verlangt van toneel, dan trek je het 't liefst door.

En al deze voorstellingen zijn geprezen! Genomineerd! Zij maken kans op de Dommelsch Theaterprijs! Martin Schouten vond ze mooi! Dus kwam ik bij Ajax-Antigone terecht, van Sophokles, gespeeld door het Zuidelijk Toneel in de regie van Ivo van Hove. Veel dramaturgische bespiegelingen zijn vuil gemaakt aan het feit dat Ajax en Antigone op één avond werden vertoond, alsof zij elkaars uitbreiding zijn. Zelf vond ik Antigone zo oneindig veel beter dan Ajax, dat ik de regisseur vervloekte om zijn koppigheid. Ajax had van het repertoire afgevoerd moeten worden, want Ajax leed aan de ziekte die ik in dit overzicht probeer te beschrijven, en waarvan het eerste symptoom de lulligheid is. Het begon met een godin Athene die cola dronk en chips at en het periodiek Vorsten doorbladerde. Het eindigde met een zelfmoord waar op een Kuifje-achtige wijze de draak mee gestoken werd. Er waren meer van zulke vondsten, en ze deden me vrezen dat Van Hove datgene wat hij niet begrijpt wil oplossen met ironie. Aan een Griekse tragedie valt over het algemeen veel niet te begrijpen, je kunt zelfs stellen: de Grieken hielden zich bij voorkeur in hun toneel bezig met datgene wat hun verstand te buiten ging, maar waar ze toch, op een voor ons onvoorstelbaar ernstige wijze bevreesd voor waren. En het angstaanjagendste is het lot. Het denkbeeld dat de goden door en door onverschillig zijn. Natuurlijk geloofde Sophokles niet in goden. Maar hij kon "onverschilligheid' denken, wat lijkt op denken dat dood dood is en weg weg. Ditmaal, in Ajax, is deze onverschilligheid Athene, die Ajax met waanzin geslagen heeft.

Laklaarzen

Wat Van Hove met zijn Athene doet, stripfiguurgewijs, dat is: van iets huiveringwekkends een enkelvoudige, lokaliseerbare, in laklaarzen gestoken pop maken. Hij vervangt iets wat een ervaring op moet leveren, en dus de grote uitdaging is, door ironie; daardoor wordt het personage een rebus, je ontcijfert het en denkt: gunst een beeld van onverschilligheid, en het beeld wordt een ornament, de voorstelling een Franse tuin met gipsen godinnen. Ondanks het feit dat alles vervolgens nogal bloederig was, en krachtdadig, en een poging tot Fassbinderiaans geweld. Het werkte niet, niet alleen doordat de hoofdrolspeler niet tegen Ajax opgewassen was, maar vooral doordat de voorstelling uiteindelijk zo esthetiserend was, zand uit het plafond in een zandloper om mooi de monoloog over de tijd af te kunnen leveren, een koor van zeelieden in matrozenpakjes, en, ten slotte, een episode (na de slappe lacherige zelfmoord) waarin Odysseus, die als enige het lijk wèl wil begraven, ten tonele werd gevoerd als een soort Quisling. En passant werd er wat gesmeten met een pop die Ajax' zoon moest voorstellen, en dusdoende werd één van de sterkste, meest melodramatische scènes van Sophokles verkwist. Dit is onvergeeflijk. Hier was de kwaal van Perceval, zoals die heerste in Iwanov, het duidelijkst diagnostiseerbaar: als je niet wil weten wat je personage aanricht, en de verwoesting van andere levens dan alleen dat van de suïcidale hoofdpersoon niet in het gezicht wil zien, dan ontduik je het toneel, en laad je de verdenking op je dat je bang bent voor de ervaring die het personage je zou kunnen bezorgen.

Maar na de pauze, in Antigone, leek het tij gekeerd. Eindelijk een voorstelling die duidelijk maakte dat het stuk Kreoon had moeten heten. Antigone is weliswaar een fabelachtig en sterfziek personage, maar Kreoon, die haar verboden heeft om het lijk van haar broer te begraven, is de accu van het stuk. Alles laadt hem op, brengt hem in vertwijfeling, doet hem wankelen; hij is degene die de grootste verliezen lijdt, en van wie de voortgang van het drama, wat zeggen wil: het bestaan van Thebe, afhankelijk is. Wanneer hij eindelijk om gaat, na de profetie van Teiresias, is het te laat, en heeft zijn zoon zich al verhangen naast het lijk van Antigone. Kreoon werd gespeeld door een jonge voor mij nieuwe acteur Warre Borgmans. Hij is tenger, spitsneuzig en stil. Er kleeft hem iets onwaarschijnlijks aan, de jongen die altijd tienen haalt en het klasseboek mag halen speelt Gorbatsjov. Het was weliswaar een reductie van het raadsel Kreoon tot iets bijna ambassadeurlijk begrijpelijks, maar je merkte dat regie en spel hier stoelden op een ervaring. Een te kleine, misschien, een te gewone, welbeschouwd werd er zoiets verbeeld als "besluitvorming', maar het werkte. Je voelde hoe deze kalme Kreoon zich als een fret in zijn gelijk vastbeet, en dat er een raadselachtig verband bestond tussen het feit dat hij begon te voelen hoe fout hij zat en de frettigheid waarmee hij zich bleef vastbijten in zijn Wet.

Toch waren er ook in deze voorstelling weer storende ontwijkmanoeuvres te zien, zoals die van Teiresias, die als een spierzieke clown werd opgevoerd, kennelijk omdat wederom het huiveringwekkende (iemand die het Lot kent omdat hij de onverschilligheid rechter in het gelaat durft te zien dan de anderen) werd misverstaan. Zieners bestaan niet, ze hebben kennis van iets wat niet kenbaar is, dus slaan we maar een slag. Deze en dergelijke reducties maakten de voorstelling ten slotte toch weer gemakzuchtig. Wat ontbrak was een uitspraak over de grondslag van het conflict. Een man verbiedt een vrouw haar broer te begraven. Ik vind dit gruwelijk. Iedereen die het recht op dodenverering een goddelijke wet noemt heeft gelijk. Juist omdat deze Kreoon in zijn habitus zo welvaartstaatachtig redelijk was, had ik ook willen ervaren wat het verbod nu eigenlijk betekent. Maar het was alsof de voorstelling het op een bepaalde manier eigenlijk wel met Kreoon eens was; alsof dood = dood een feit is temidden van feiten. Het eindigde allemaal gelaten, een beetje plechtstatig, alsof Wim Kok toch maar aftrad, en niemand laat een traan.

Slakkegang

Duurde deze avond bijna vier uur, tijdens Platonov (Tsjechov) zou ik vijf hele uren tot de slakkegang van het hedendaags theater veroordeeld zijn. De voorstelling is van De trust, en was geregisseerd door Theu Boermans. Het is raar hoe kort je kunt zijn over iets wat veel te lang heeft geduurd. Eigenlijk was alles in orde aan Platonov. Met een schokje realiseerde ik me dat ik voor het eerst tijdens dit festival acteurs zag glimlachen terwijl zij optraden. Het was een beetje als bij je baby van zes weken - als op hem de eerste glimlach doorbreekt verandert hij van wezen in verwant. Er werd razendsnel, lenig en subtiel gespeeld. Hier was de titelheld, in feite ook een Ivanov, wel gelukt: Eelco Velleman heeft iets van een vos, en kan boosaardig zijn, hij heeft een mooie stem die ook tweedehands auto's overtuigend aan zou kunnen prijzen, en dat er door alle vrouwen op hem gevallen werd, ondanks zijn horendol makende onbetrouwbaarheid, dat kon ik wel geloven. Ditmaal leed het toneel zijn nederlaag door toedoen van de auteur, de eenentwintigjarige Tsjechov, die ons later onder dezelfde naam eens en voor al zou leren met hoe weinig woorden, en vooral: met hoe gecondenseerde scènes, je de ervaring van het personage kunt veroorzaken in je publiek. Juist omdat we weten wat er van Tsjechov geworden is, en omdat we ons dramatisch bewustzijn niet meer los kunnen denken van zijn prestatie - ongeveer zoals we ons oor niet meer los kunnen horen van Bach - is de integrale voorstelling van dit praatzieke en, na drie bedrijven uitgesproken theoretische stuk au fond overbodig. Platonov moet en zal dood, en zelfs al hebben we hem lang en breed doodgedacht, uitgerangeerd, uit ons systeem verwijderd, dan nog moet hij er ook nog echt aan en dat levert te veel handenwringende scènes op. Uiteindelijk is deze voorstelling - in veel opzichten de beste van de eerste week, de aanstekelijkste en de intelligentste zonder dramaturgisch te zijn - alleen van academisch belang. Hij lijdt niet aan de kwaal van Perceval, de humor ging gepaard met ontroering, en ontroering met humor. Maar door merg en been ging nergens iets, behalve in de scène waarin Platonovs vrouw haar kind ter sprake brengt, en plotseling moet erkennen dat haar echtgenoot slecht is, wanhopig, maar slecht. Alles heb je dan gehad, - maar dan duurt het nog anderhalf uur. Als deze voorstelling al ergens aan lijdt, dan is het aan plichtsbesef. Toen het vierde uur in ging wist ik: ik zit hier omdat Tsjechov Tsjechov is. Ik was hier, in Den Haag, omdat toneel toneel is. Ik heb hier al die dagen lang geen andere reden voor mijn aanwezigheid kunnen bedenken dan dat het Nederlandse toneel er nu eenmaal is. Dit herinnerde ik me ineens van vroeger, toen ik recenseerde - dat ik mij tijdens de voorstelling voornamelijk verheugde op het schrijven over de voorstelling. Als ik eerlijk ben kan ik het mij niet voorstellen - dat ik naar dit toneel gegaan zou zijn zonder het voornemen er over te schrijven. Dames en heren, u bezorgt mij de ervaring van het personage niet.