Moet een filosoof getrouwd zijn?; Bloemlezing uit het werk van Rudolf Agricola

Rudolf Agricola: Over dialectica en humanisme. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marc van der Poel. Uitg. Ambo, 164 blz. Prijs ƒ 29,50

Volgens een oud en hardnekkig vooroordeel onderschatten Nederlanders de betekenis van hun eigen culturele erfgoed. Niemand heeft ooit onderzocht of Nederlanders werkelijk minder waarde hechten aan hun nationale cultuur dan bij voorbeeld de Denen of de Zwitsers, maar de klacht over de nationale zelfonderschatting vormt op zijn minst sinds het midden van de negentiende eeuw een vast onderdeel van het repertoire van de Nederlandse intellectueel. En dat moeten we ook vooral zo laten, want uit die misvatting zijn al heel veel goede initiatieven voortgekomen. Zoals de boekjes in de serie Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland die met de regelmaat van de klok uitkomen. De gedachte achter deze serie is dat Nederlanders de bijdrage van ons land aan de filosofie altijd onderschat hebben. Ook hier kan een kritische geest zich afvragen of dat echt zo is; heeft Nederland werkelijk, behalve Spinoza en misschien Heymans, filosofen voortgebracht die men ons in het buitenland zal benijden? Maar hoe men daar ook over denkt, niemand kan ontkennen dat in elk deeltje van de reeks steeds weer een merkwaardig, interessant, soms representatief en ook wel eens belangrijk Nederlands filosoof aan een ruimer publiek wordt voorgesteld. Als vijfde deel in de reeks verscheen nu een boekje met een bloemlezing uit het werk van de Noordnederlandse humanist Rudolf Agricola, ingeleid door de Nijmeegse filoloog Marc van der Poel.

Dat Agricola pas als vijfde aan de beurt komt, is eigenlijk vreemd; als er één filosoof is geweest van wie men kan zeggen dat met hem de geschiedenis van de filosofie in Nederland begon, is hij het wel. Maar de redacteuren van de reeks hebben gemeend al diegenen tot de Nederlandse filosofie te moeten rekenen die binnen de grenzen van het huidige Nederland zijn geboren, ook al zijn ze als filosoof uitsluitend in het buitenland actief geweest. Zodoende zijn er ook enkele middeleeuwers in de reeks opgenomen, die hun leven hebben doorgebracht aan de universiteit van Parijs. Onder hen is zelfs Johannes Buridanus, van wie de geboorteplaats niet vaststaat (men denkt aan Béthune in Artesië, dat tot 1659 bij de Nederlanden hoorde) en van wie het helemaal niet zeker is dat hij Nederlands heeft gesproken. Men moet wel erg ver gaan om hem tot de Nederlandse filosofie te rekenen.

Bij Agricola ligt dit allemaal anders. Zijn geboorteplaats staat vast en hij is althans een deel van zijn leven werkzaam geweest in zijn geboortestreek. Hij werd in 1444 geboren als natuurlijke zoon van een geestelijke in het Noordgroningse Baflo, waar zijn vader voor het bisdom Münster het toezicht hield op enkele parochies. Op kosten van de bisschop kon de jonge Roelof Huisman (gelatiniseerd tot Agricola) in Groningen naar school gaan en vervolgens in Erfurt en Leuven de universiteit bezoeken. In Leuven behaalde hij in 1465 de graad van magister in de vrije kunsten, nog geheel volgens het laatmiddeleeuwse patroon. Maar in de Zuidnederlandse universiteit ving hij ook een glimp op van het in vele opzichten zo andere culturele leven in Italië en dat trok hem zo aan dat hij in 1469 zelf naar het zuiden trok, eerst naar Pavia, later naar Ferrara. Als vreemdeling uit het hoge noorden verbaasde hij daar de Italianen met zijn welsprekendheid en in de tien jaar dat Agricola in het zuiden verbleef, werd hij met eerbewijzen overladen.

Hoogleraar

In 1479 verliet Agricola Italië weer. Hij keerde terug naar Groningen en werd daar syndicus (secretaris) in dienst van de stad. In die hoedanigheid ging hij twee keer naar Brussel om er de belangen van de stad te behartigen. Maar Agricola stond ambivalent tegenover zijn geboortestreek, hij miste er het gecultiveerde leven dat hij in Italië gewend was en klaagde erover dat zijn beheersing van het Latijn achteruitging. In 1484 verruilde hij daarom Groningen voor de universiteitsstad Heidelberg waar hij hoogleraar werd.

In 1485 ging Agricola met zijn vriend de bisschop naar Rome om de inhuldiging van een nieuwe paus bij te wonen. Op de terugweg naar het noorden werd hij ziek. Hij bereikte Heidelberg nog wel, maar overleed op 27 oktober 1485, amper 41 jaar oud.

Zijn betekenis als filosoof dankt Agricola vooral aan zijn boek over de argumentatieleer, De inventione dialectica, dat voltooid werd in 1479, en dat vooral in de zestiende eeuw opgang gemaakt heeft onder de humanisten. Agricola week in dat boek op belangrijke punten af van de dialectica (of logica) die aan de middeleeuwse universiteiten was gedoceerd. Bij hem wordt de redeneerkunst niet beperkt tot de zuiver syllogistische redeneringen bij strikt wetenschappelijke bewijsvoeringen, hij wil ook richtlijnen geven voor redevoeringen over zaken die eerder plausibel dan zeker zijn en waarbij ook de welsprekendheid, de goede en pakkende stijl, een woordje meespreekt. Als hij in zijn boek zijn systeem van het vinden van argumenten uitlegt, denkt hij niet in de eerste plaats aan de disputaties die in de universiteit plaatsvinden, maar aan de min of meer geïmproviseerde toespraak die een gezant of een bestuurder moet houden.

Hoe dat systeem werkt legt Agricola uit aan de hand van de vraag: moet een filosoof getrouwd zijn of heeft hij alleen maar last van een echtgenote? Om die vraag te beantwoorden moet men alles nagaan wat er zoal te zeggen valt over zowel "de filosoof' als "de echtgenote'. Daartoe heeft hij een vaste lijst van soorten uitspraken of "loci' bij de hand die men bij de voorbereiding van het antwoord in gedachten langs kan lopen en die soms wel, soms niet bruikbare argumenten kunnen opleveren, al naar gelang het standpunt dat men wil verdedigen (het gaat niet om het oplossen van een probleem, maar om het verdedigen van een bepaald standpunt). Men kan nagaan wat de definitie van een filosoof is, zijn werkzaamheden, voortbrengende oorzaken, doeloorzaken, bedoelde en onbedoelde gevolgen enzovoort. Als men dat voor zowel "filosoof' als "echtgenote' gedaan heeft, kan men vervolgens gaan vergelijken. Zo levert de vergelijking van de definities meteen al een argument voor de stelling op dat de filosoof getrouwd moet zijn. Een filosoof is namelijk iemand die in een streven naar deugdzaamheid goddelijke en menselijke dingen onderzoekt en een echtgenote is een vrouw die als wettige levensgezellin gekozen is met het oog op nageslacht. Omdat het verlangen naar nageslacht op zichzelf al een deugdzaam streven is, volgt uit de vergelijking dat het voor een filosoof passend is om te trouwen. Andere vergelijkingen kunnen op het eerste gezicht tegen die stelling pleiten. De doeloorzaak van de filosoof is de wens een goed en rustig leven te leiden, maar tot de werkzaamheden van de echtgenote behoren behalve het krijgen en verzorgen van kinderen ook het vleien, klagen, ruzie maken en achterdochtig zijn, wat een goed en rustig leven onmogelijk lijkt te maken. Maar dit argument kan men wel onschadelijk maken. Een goed filosoof, zegt Agricola, is ongevoelig voor smart en hartstocht, hem zal het geklaag van een echtgenote niet afleiden; het zijn alleen de mindere filosofen die daardoor uit hun evenwicht gebracht zullen worden.

Dode teksten

Met zijn systeem van argumenten (dat overigens in menig opzicht aansloot bij wat klassieke auteurs als Cicero en Quintilianus hadden geschreven) voorzag Agricola in een steeds groter wordende behoefte aan een methode om het onderwijs in de vrije kunsten op een eigentijdse wijze in te richten. In 1515 verscheen het boek voor het eerst in druk en in de eerste helft van de zestiende eeuw zijn er vele andere gevolgd. Bekende humanistische geleerden als Erasmus en Melanchton hebben er de lof van gezongen. Omdat ook tegenwoordig de scheidslijnen tussen logica en welsprekendheid, het strikte bewijs en de overtuigende stijl, niet meer zo scherp getrokken worden, heeft Agricola's boek nog steeds een zekere relevantie. Terecht heeft daarom Van der Poel het grootste gedeelte van zijn bloemlezing aan de argumentatieleer gewijd. Van de vijfenzeventig hoofdstukken van het boek zijn er tweeëntwintig geheel of gedeeltelijk in een goede vertaling overgenomen.

Toch is het de vraag of Agricola daarmee dichter bij de hedendaagse lezer is gebracht. Hoe belangrijk zijn uiteenzettingen over het vinden van het juiste argument in de zestiende eeuw ook zijn geweest, voor ons zijn het toch dode teksten geworden, waar we ons soms met enige moeite doorheen moeten worstelen. Niemand hoeft zich daarvoor te schamen, want ook in de zestiende eeuw is het niet in de eerste plaats de tekst geweest die Agricola zijn roem heeft bezorgd. Zijn roem berustte in belangrijke mate ook op zijn vertalingen van het Grieks in het Latijn en op zijn introductie van het cultuurgoed van de Italiaanse renaissance in de landen ten noorden van de Alpen. “Het is niet zozeer door zijn geschriften als wel door zijn persoonlijkheid dat hij al snel het symbool werd van een nieuwe tijd”, schrijven de serieredacteuren in hun voorwoord. Zijn reizen naar Italië, zijn redevoeringen en brieven, de propaganda die andere humanisten voor hem maakten bezorgden hem een reputatie die uiteindelijk ook zijn boek over de dialectische vinding tot een "cult-boek' van de humanistische onderwijshervormers heeft gemaakt.

Het is daarom goed dat Van der Poel behalve de gedeelten uit De inventione dialectica ook twee kortere teksten heeft opgenomen in zijn bloemlezing, een lofrede op de filosofie (uitgesproken in 1476 in Ferrara) en een brief over de inrichting van het studieprogramma die Agricola in het jaar voor zijn dood schreef aan zijn Antwerpse vriend Jacob Barbireau. Vooral in die sympathieke brief komt Agricola tot leven als een echte humanistische persoonlijkheid, die het liefst zijn leven in stilte zou wijden aan "de geleerde studiën', maar die ook wel weet dat de praktijk van het leven dat niet mogelijk maakt, die uitvaart tegen de scholastici, die hun dag doorbrengen met disputaties over problemen “die al zoveel eeuwen geen Oedipus gevonden hebben die ze kan oplossen”, die wijze raad geeft over de juiste studiemethode, maar zelf ook nog maar net begonnen is met het leren van Hebreeuws. Pas als we deze brief lezen, beginnen we te begrijpen hoe Agricola kon uitgroeien tot het idool van een jongere generatie noordelijke humanisten. Wie hem op zijn best wil leren kennen doet er daarom goed aan de bloemlezing aan het eind open te slaan, de inleiding van Van der Poel en de gedeelten uit De inventione dialectica over te slaan en eerst te lezen wat Agricola in 1484 zijn goede vriend Jacob Barbireau schreef.