Lars Lundkvist: Sprong naar de zon. Vert. Lydia ...

Lars Lundkvist: Sprong naar de zon. Vert. Lydia Dalmijn. Uitg. Marsyas, 52 blz. Prijs ƒ 27,50 Gerrit Achterberg: Symbolen worden tot cymbalen. Uitg. Querido, 168 blz. Prijs ƒ 15,- Louis Ferron: Voor de val. Uitg. De Bezige Bij, 60 blz. Prijs ƒ 29,50

Het is typisch Samisch om te jojken. Dat valt op te maken uit het nawoord van Lydia Dalmijn bij de door haar vertaalde bloemlezing uit het werk van de Zweedse dichter Lars Lundkvist. Deze Lundkvist, geboren in 1928 (niet te verwarren met de vitalistische dichter Artur Lundkvist, geboren in 1906), is een Saam, of bijna een Saam, in ieder geval een dichter die zich uitgebreid heeft verdiept in de cultuur van de Samen, de oorspronkelijke bewoners van Lapland. In hun literatuur speelt de mondelinge overlevering een grote rol. Een belangrijker functie wordt vervuld door de jojk: geïmproviseerde, door keelzang voortgebrachte poëzie, vergelijkbaar met Oosterse mantra's. Men raakt in een lichte trance, zintuiglijke waarnemingen worden versterkt en verfijnd, en al jojkend kàn de sjamaan geboren worden. De sjamaan is de toverpriester die een magische voeling onderhoudt met de bezielde natuur, die boodschappen uit de geestenwereld kan opvangen en aldus contact kan leggen met de godheid. Volgens Dalmijn beschouwt Lundkvist zichzelf graag als een sjamaan.

Dit alles maakt het voor ons moeilijk zijn poëzie naar waarde te schatten. Ik neem tenminste aan dat Lundkvists gedichten aan magie zouden winnen als we ze ook zouden kunnen horen. Intussen is Sprong naar de zon niet een louter uit keelklanken bestaande bundel. In Lundkvists vroege gedichten treft wel een zekere voorkeur voor het raadselachtige, het animistische en het fragmentarische bezingen daarvan, en een enkele keer zien we de dichter dan ook de echte jojk benaderen. Dat gaat zo: ”Dat heb ik gedaan- Omwille van jou-- Mijn ajlika- Omwille van jou-- Tere hiliye- Omwille van jou-- Por ti- Omwille van jou-- Kululwo- Omwille van jou-- Dat heb ik gedaan- Voor jou-- GLORIA IN EXCELSIS DEO!'

Maar uit zo'n laatste uitroep blijkt al dat Lundkvist zich niet alleen met Samische invloeden inlaat. Hij rekent bij voorbeeld ook de bijbel tot zijn bronnen, en nog wel meer. De meeste van deze veertig vertaalde gedichten zijn een stuk toegankelijker en wereldser dan dit jojk-achtige zingen suggereert. Behalve een uitgesproken saunadecor met rendieren, houtzagerijen, sneeuw, mos, sparren, berken, varens, bosbessen en vossebessen treffen we in zijn gedichten ook telefoonpalen, olievaten, politiesirenes, hartinfarcten, spoorwegen en grammofoonzaken aan.

”Geheim' is een voorbeeld van een gedicht dat landelijke en stedelijke attributen verenigt. Het getuigt van een zekere gevoeligheid voor iets geheims, of dat nu het geheim van spelende kinderen of van de bezielde natuur is - en het laat dat geheim mooi intact: ”Kinderen leggen denneappels in een kring- en in het midden een vergeeld blad.-- Eensklaps zijn ze weg- ik ben alleen op een berg in september.-- De lucht is helder, elk geluid hoorbaar:-- het lawaai van de fabriek, de hond die blaft,- geroep van bessenplukkers in het dal.-- Wat ze verborgen zal ik nooit weten --- misschien een bij of een mus of- de kaak van een dood dier.-- Het blad is geel en licht op in de zon.- Het is zwaar als een eiken tafel.”

Lars Lundkvist: Sprong naar de zon. Vert. Lydia Dalmijn. Uitg. Marsyas, 52 blz. Prijs ƒ 27,50

Jan Kuijper zei het onlangs nog, in zijn functie van poëzieredacteur van Querido, in Boekblad: aan levende dichters valt weinig te verdienen. “Alleen aan de dooien verdienen we echt. Wanneer dichters doodgaan, krijg je een scheiding van bokken en schapen. Sommige worden herdrukt, andere - vaak ten onrechte - nooit meer. Zo is het. Na de dood komt er een soort laatste oordeel.”

Gerrit Achterberg is zo'n dichter die na zijn dood, in 1962, gestaag nieuwe lezers is blijven trekken. Van zijn Verzamelde gedichten verscheen dit voorjaar de elfde druk (Uitg. Querido, 1062 blz. Prijs ƒ 79,90); totale oplage tot nu toe ruim vijftigduizend exemplaren. Van Paul Rodenko's bloemlezing uit Achterbergs poëzie, Voorbij de laatste stad, werden tijdens het leven van de dichter twintigduizend exemplaren verkocht; daarna nog eens ruim vijftigduizend exemplaren. Van een andere Achterberg-bloemlezing, Het weerlicht op de kimmen, samengesteld door de weduwe van de dichter, verscheen zojuist een nieuwe, vijfde druk.

Uit de duizend gedichten die Achterberg schreef is nu weer een nieuwe bloemlezing samengesteld - ter vervanging van die van Rodenko, neem ik aan. Symbolen worden tot cymbalen (Uitg. Bert Bakker, 190 blz. Prijs ƒ 24,90), samengesteld door Achterbergkenner R.L.K. Fokkema, is dikker dan de andere twee, maar geeft niet een wezenlijk ander beeld - als dat al zou kunnen bij een dichter die zozeer de dichter van één thema is: een ik en een U die gescheiden zijn door de dood en weer bij elkaar gebracht moeten worden. Wie een directe relatie wil leggen tussen dit thema en Achterbergs biografie ”lijkt over sterke argumenten te beschikken', zegt Fokkema in zijn korte en zakelijke inleiding. Hij verheelt niet dat kennis van Achterbergs leven aan het lezen van zijn poëzie een spectaculaire dimensie kan verlenen. Toch wil hij graag waarschuwen tegen een al te biografische benadering. Het verlangen naar de dode geliefde heeft een verder strekkende, metafysische betekenis. Een betere en algemenere formulering van Achterbergs dichterlijke thema is volgens Fokkema dan ook ”de relatie van het hier en nu met het Andere'.

Neem nu het gedicht ”Werkster' waar de bloemlezing haar titel aan ontleent. Zij, de werkster, ”kent de onderkant van kast en ledikant' en ”zij heeft zichzelve aan de vloer verpand'. Zij leidt letterlijk een kruipend leven, in dienst van de hogere kringen. Maar eens zal zij overeind mogen komen en rechtop mogen gaan: door gouden straten, op weg naar Zijn troon. Achterberg zegt: ”Symbolen worden tot cymbalen in de ure des doods'. Hij bedoelt: voor het oog van God is er geen onderscheid in rang en stand meer, en voor het oog van God gaan zulke aardse symbolen als stoffer en blik, vaste attributen van de werkster, over in bijbelse muziekinstrumenten. Mooi beeld. Een leven lang veegde de werkster het stof op haar blik, en sloeg er daarna met haar stoffer op om zo het al opgeveegde stof naar achteren te laten glijden: dekselse geluiden, maar in de ure des doods en voor het ore des Heren gaan ze klinken als hemels cimbelspel.

Gerrit Achterberg: Symbolen worden tot cymbalen. Uitg. Querido, 168 blz. Prijs ƒ 15,-

“Een dichter is toch bijna, je mag het tegenwoordig niet zeggen, een religieus mens zonder God. Een dichter is bijna een sacraal iemand, denk ik, wat vroeger priesters waren in andere culturen. Bemiddelaars tussen een andere werkelijkheid en de bestaande.” Dat zei Louis Ferron in 1978 in een interview, waarschijnlijk niet vermoedend dat die uitspraken dertien jaar later nog eens geciteerd zouden worden - en al helemaal niet vermoedend dat zijn beweringen dan even gemakkelijk in verband gebracht zouden kunnen worden met het Samisch sjamanisme van Lars Lundkvist als met het dichterlijke thema van Gerrit Achterberg. Want in opvatting hebben deze drie dichters iets gemeen: een hoge, romantische voorstelling van het dichterschap, waarin de dichter de rol van ziener kan vervullen en een brug kan leggen tussen het hier en nu en het Andere.

Maar in de praktijk zijn de verschillen groot, om te beginnen in kwantitatief opzicht. Ooit, in 1962, debuteerde Ferron in Maatstaf met het gedicht ”Kleine krijgskunde' en ooit, in 1967 en 1974 verschenen er twee bundels. Maar daarna maakte hij naam als schrijver van verhalen, toneel, essays en elf romans. Toch bleef de dichter al die tijd ondergronds aanwezig. Zijn sporadische notities, 39 gedichten in totaal, zijn nu verzameld in de bundel Voor de val. De eerste associatie bij die titel, de val van de Berlijnse muur, is meteen de goede. Alle vijf afdelingen spelen zich af op voormalige slagvelden, achter het voormalige IJzeren Gordijn of in het voormalige ”onvrije oosten' - geen verrassend decor voor wie de romans van Ferron kent. Van wat daar voorviel wordt in korte, kale en fragmentarische gedichten verslag gedaan, met veel militaire termen en Duitse leenwoorden: kazematten, guirlandes van Stacheldraht, goulashkanonnen en spekhouwitzers, Kalasjnikov en kamikaze. Zangknapen hebben een ”loden lemmet in de huig,- klepel in het aarsgat' en elders steekt ”een tandestoker in de strot'. Er komt ergens een ”verfijnde grafwalm uit de oksels', terwijl het in de kazematten van Fort Vaux ook al ”zo geuren kon naar stalen oksels'.

Van de ”sacrale' dichter uit 1978 is hier dus niet veel meer over. Ferrons poëzie doet eerder denken aan de slagveldverzen van Armando of aan de Duitse gedichten van Deelder, inclusief de bijbehorende wrange humor en treurige opgeruimdheid: ”Wie daar geen bloed proeft zal het nooit meer proeven', zo varieert Ferron op Rilke. En de Duitsers die een dansje moeten maken op raspende muziek laat hij zeggen:

Ach, wij weten niet beter; wij dansen er de tango op, een Weense wals als 't moet. Want wat moet, dat moet. Zo zijn wij opgevoed.

Louis Ferron: Voor de val. Uitg. De Bezige Bij, 60 blz. Prijs ƒ 29,50