Kaaiman Eilanden draaischijf in netwerk BCCI; Als begunstigde vermelden de statuten "mankind at large', de gehele mensheid

GEORGE TOWN, 6 SEPT. De drie op de Kaaiman Eilanden gevestigde ondernemingen van de in opspraak geraakte Bank of Credit and Commerce International (BCCI) hebben in totaal voor circa 2,5 miljard dollar (bijna 5 miljard gulden) aan moeilijk of niet opeisbare leningen uitstaan aan een groep van ongeveer tien invloedrijke personen en hun ondernemingen, voornamelijk afkomstig uit het Midden-Oosten.

Van dat bedrag is een kleine miljard dollar verschuldigd door personen of bedrijven die op de Nederlandse Antillen staan geregistreerd. Dit blijkt uit rapporten die de officiële bewindvoerders op de Kaaiman Eilanden hebben uitgebracht aan de gouverneur en het Hooggerechtshof in de hoofdstad George Town.

De rapporten, niet voor publikatie bedoeld, maken duidelijk dat het heel moeilijk zal zijn de grote leningen terugbetaald te krijgen. De informatie over die leningen is zeer gebrekkig, soms ontbreekt adequate kredietdocumentatie volledig en vaak is geen enkele dekking verschaft. In sommige gevallen zijn de leningen verstrekt voor aanschaf van aandelen BCCI Holdings SA in Luxemburg, de moedermaatschappij van de BCCI-groep. In een aantal gevallen zijn die aandelen in onderpand gegeven voor de leningen, met een garantie tegen verlies als de koers bij verkoop later lager zou zijn. De aandelen zijn thans vrijwel niets meer waard.

Vooral in 1989 en 1990 is de leningportefeuille bij BCCI (Overseas) Ltd., een van de drie op de Kaaiman Eilanden gevestigde BCCI-ondernemingen, fors toegenomen, met 1,6 miljard dollar. Volgens de bewindvoerders, accountants van Deloitte Ross Tohmatsu, hing dat samen met de veranderingen van de eigendom van BCCI. Begin 1990 breidde de heersende familie van Abu Dhabi haar belang in BCCI Holdings uit tot een meerderheid (77 procent).

De bewindvoerders zeggen dat circa 80 procent van de leningen bij BCCI (Overseas) op de Kaaiman Eilanden (BCCI Cayman; een andere tak exploiteerde filialen in 28 andere landen) wordt gedekt door “een ingewikkelde overeenkomst met een derde partij”. Wie die partij is, wordt niet vermeld.

Evenmin worden de namen genoemd van de grote schuldenaren. Dit houdt vrijwel zeker verband met het strenge bankgeheim op de Kaaiman Eilanden. Uit eerdere rapporten, onder meer van de Fed (de Amerikaanse centrale bank) en van de accountants Price Waterhouse in Londen, valt met grote waarschijnlijkheid af te leiden dat het bij de grote schuldenaren in ieder geval gaat om een aantal Saoedische zakenlieden (onder andere Gaith Faraon, Kamal Adham en de familie Mahfouz) en om Ghanim Faris Al Mazrui, persoonlijk financieel adviseur van heerser Zayed van Abu Dhabi en tevens BCCI-bestuurder vanaf de oprichting.

De leningen die naar de Nederlandse Antillen gingen, wijzen in de richting van de houdstermaatschappij Credit and Commerce American Holdings (CCAH) op Curaçao. Die holding gebruikte de BCCI om, tegen de zin van de Amerikaanse autoriteiten, de meerderheid te verwerven in enkele Amerikaanse banken. First American Bankshares in Washington was daarvan de voornaamste. Clark Clifford, corifee van de Democratische Partij en destijds chairman bij First American, en Robert Altman, president-directeur, hebben hun functies onlangs neergelegd in verband met de dubieuze rol die zij in deze transacties zouden hebben gespeeld. Voor die Amerikaanse operatie gebruikte BCCI een aantal stromannen om de werkelijke eigenaar van de aandelen te verhullen.

Duidelijk komt uit de rapporten van Deloitte Ross naar voren dat de zaken van de drie ondernemingen op de Kaaiman Eilanden - BCCI (Overseas) Ltd, Credit and Finance Corporation (CFC) en International Credit and Investment Corporation (ICIC) - in werkelijkheid niet vanuit deze eilanden werden geleid. Tot 1990 maakte BCCI SA in Londen de dienst uit. Maar daarna verhuisde "het centrale kantoor", compleet met alle archieven en documenten, naar Abu Dhabi waar de "dagelijkse' controle berustte. De bedrijven op Kaaiman werkten slechts met een zeer kleine staf.

De rapporten geven veel informatie over de structuur van de BCCI-ondernemingen, over achtergronden en geschiedenis. Bovendien bevatten zij een financiële analyse “voor zover dat althans mogelijk is”. De bewindvoerders merken over bij voorbeeld BCCI (Overseas) op dat de verstrengeling met de holdingmaatschappij en met de hele BCCI-groep zo groot is, dat zij nog niet alle informatie hebben kunnen controleren. “De groep voerde haar zaken als een eenheid, zonder dat duidelijk was welke onderdelen voor welke transacties verantwoordelijk waren.”

De activiteiten van BCCI (Overseas) in Kaaiman bestonden voornamelijk uit het bijhouden van transacties die elders - in Londen en later Abu Dhabi - werden bedacht, georganiseerd en goedgekeurd. Tevens fungeerde Kaaiman als “een draaischijf” voor surplus-liquiditeit van andere vestigingen en kantoren. Uitvoerige informatie over de status van grote leningen is in Kaaiman niet voorhanden.

In 1985 leed BCCI (Overseas) uitzonderlijk grote verliezen in de optiehandel. Die verliezen werden afgedekt door injecties van in totaal 260 miljoen dollar van de holding. In 1990 kwam er nog eens een grote injectie van Abu Dhadi waar toen de meerderheids-aandeelhouders zaten.

Een andere functie van BCCI (Overseas) was het op grote schaal aantrekken van deposito's en het verstrekken van leningen via BCCI Cayman. Een grote meerderheid van de deposito's - vaak overtollig geld van andere vestigingen en geaffilieerde ondernemingen - werd belegd via de Treasury Portfolio Management Division, bekend als TPMD, in Abu Dhabi.

Bij BCCI (Overseas) deed zich volgens de bewindvoerders in 1990 en 1991 “een dramatische daling” van de winst voor. In '90 was er een negatief bedrijfsresultaat van 284 miljoen, tegenover een winst van 77,3 miljoen dollar in '89. Deze daling werd veroorzaakt door “verschuivingen op de balans”. In 1989 en 1990 daalde het balanstotaal met samen 1,8 miljard dollar. Maar de belangrijkste oorzaak was “een nog dramatischer daling” van 2,7 miljard (48 procent) in liquide middelen. Dit werd gecompenseerd door een stijging van de leningen met 1 miljard dollar. BCCI Cayman, die werkte als een echte offshore bank, leed in 1990 een verlies van 228 miljoen dollar en in de eerste vijf maanden van dit jaar nog eens 45 miljoen. In 1989 was het verlies ook al 45 miljoen. De balansverschuivingen deden zich juist bij deze tak voor: in 1989 en 1990 steeg de leningportefeuille met 1,6 miljard.

De activa van BCCI (Overseas) bedroegen eind juni volgens het rapport van de bewindvoerders 6,6 miljard dollar. Daarvan bestond 3,1 miljard uit leningen en voorschotten. Het geaccumuleerde verlies na 1988 bedroeg 543 miljoen. Daarmee was het risicodragend vermogen bijna verdwenen.

Bij BCCI Cayman maakten leningen groter dan 10 miljoen dollar 2,7 miljard van de portefeuille uit. De tien grootste schuldenaren hadden bij elkaar 2,2 miljard geleend. Die leningen zijn verspreid over 74 rekeningen en belopen 68 procent van het totaal.

Geografisch gezien staan de Nederlandse Antillen (met 992 miljoen dollar) aan de top van de landen waar zich de major borrowers bevinden. Daarna volgen: Liberia (762 miljoen dollar), Saoedi-Arabië (258 miljoen), Kaaiman (204 miljoen), het Verenigd Koninkrijk (168 miljoen), de Emiraten (166 miljoen), de VS (159 miljoen) en Luxemburg (120 miljoen). Een bedrag van 215 miljoen dollar was zelfs helemaal niet te traceren in de boeken van BCCI Cayman.

Informatie over terugbetaling van de grote leningen ontbreekt op de Kaaiman Eilanden. De bewindvoerders kunnen dan ook niet zeggen of de voorziening van 168 miljoen dollar die de directie had getroffen voldoende zal blijken. Zij wijzen erop dat BCCI vóór 22 juli met “een derde partij” onderhandelde die 80 procent van de leningportefeuille van BCCI Cayman zou overnemen. Die onderhandelingen worden nu opgenomen in de discussies met Abu Dhabi en sjeik Zayed over een reddingsplan voor de hele BCCI-groep. Abu Dhabi zou bereid zijn er enkele miljarden in te stoppen.

Pakistan was veruit de grootste vestiging van BCCI (Overseas) met activa van 878 miljoen en passiva van 841 miljoen dollar. Dit is de voornaamste reden dat de bewindvoerders hebben gepleit voor uitstel van liquidatie tot 16 december. Het Hooggerechtshof in George Town besloot daartoe afgelopen dinsdag. Liquidatie nú zou volgens Deloitte Ross betekenen dat “de aanzienlijke waarde van deze activa daardoor goeddeels verloren zou gaan”.

BCCI (Overseas) had kantoren in onder andere Barbados, de Seychellen, Paraguay, de Maladiven, Panama, de Bahama's, Macao, maar ook Frankrijk, Turkije en China.

Credit and Finance Corporation (CFC), het tweede BCCI-bruggehoofd op Kaaiman, functioneerde als “een echte merchantbank”, schrijven de bewindvoerders. Ze bood bedrijven, landen en particulieren leningen aan en deed ook aan projectfinanciering. CFC's activa bereikten in 1987 met 627 miljoen dollar hun hoogtepunt. De zaken werden eerst in Londen gedaan, in nauwe samenwerking met de merchantbank van BCCI SA. Pas in 1986 verhuisden de kernactiviteiten naar Kaaiman.

Het hoofdkantoor van BCCI lijkt volgens de accountants CFC te hebben gebruikt om leningen die men kwijt wilde af te schuiven. De bekende groep “invloedrijke personen uit voornamelijk het Midden-Oosten” had een grote portie van de leningen (157 miljoen van de 226 miljoen dollar) bij CFC lopen. Commentaar van de bewindvoerders: “Niet één van die leningen wordt ondersteund door adequate, wettelijke en juridische kredietdocumentatie op de Kaaiman Eilanden. Betwijfeld mag zelfs worden of die kredieten ooit wel legaal in CFC's boeken zijn terechtgekomen.”

Een intern memorandum van maart dit jaar zegt: “De meeste van die leningen in onze boeken werden in feite op de een of andere manier doorgeschoven zonder dat zelfs de moeite werd genomen om formeel de naam van de kredietgever te veranderen van BCCI in CFC”.

CFC stond op het punt in het kader van de geplande reorganisatie te worden overgedragen aan BCCI (Overseas). Mede daardoor was er op 30 juni jongstleden een minimale liquiditeit. Op de Kaaiman Eilanden zelf leed CFC ook een flinke strop: bij een projectfinanciering van 7,5 miljoen dollar ging het betrokken bedrijf failliet.

Een buitenbeentje in de BCCI-familie op de Kaaiman Eilanden vormde International Credit and Investment (Overseas) Ltd. (ICIC). In de eerste plaats wegens haar doelstelling: de statuten van moedermaatschappij ICIC Apex Holdings Ltd. (die geen aandelenkapitaal heeft) vermelden als begunstigde mankind at large, de gehele mensheid. De onderneming oefende weliswaar bankactiviteiten uit maar had daarnaast tal van "nevenactiviteiten' in verschillende dochters: zoals liefdadigheid, uitgeversactiviteiten op het gebied van Derde Wereldpublikaties, een reisbureau, belegging.

ICIC, opgericht in Vaduz (Liechtenstein) in 1976, valt niet rechtstreeks onder de BCCI Groep maar was er wel heel nauw mee verweven. Een eventuele reddende geldinjectie door Abu Dhabi zit er voor ICIC niet in.

De doelen van de onderneming omschrijven de accountants als volgt: 1. bankactiviteiten om winst te genereren voor de BCCI-werknemers en liefdadige doelen; 2. het “verlenen van diensten aan klanten op vertrouwelijke basis”. Deze diensten “werden aanvankelijk alleen aan BCCI-aandeelhouders verleend, maar geleidelijk uitgebreid naar "contacten' in het Midden-Oosten en Pakistan”. (Met een eigen vliegtuig vloog de BCCI vooraanstaande cliënten de wereld rond, waarbij ze zorgde dat het hen aan niets ontbrak, zo hebben personeelsleden verklaard, red.); 3. het vergemakkelijken van de koop en verkoop van aandelen van BCCI Holdings, “rechtstreeks of via tussenpersonen”.

Aan de boekhouding van ICIC ontbrak nogal wat. De accountants hadden de jaarstukken over 1989 en 1990 niet getekend omdat een aantal zaken niet duidelijk was. Zo waren geen regelingen getroffen voor aflossing van leningen waarvoor aandelen BCCI Holdings als onderpand dienden. Ook de aard van de relatie met BCCI was onduidelijk.

ICIC was volgens Deloitte Ross “ontvanger van fondsen van BCCI (Overseas) en wellicht van andere BCCI-ondernemingen”. De zaken waren “door kruisleningen en -deposito's” verweven. De bewindvoerders hebben sinds het begin van hun onderzoek op 22 juli nog niet kunnen vaststellen wie wat aan wie schuldig is. Alle beslissingen werden door het management van BCCI Holdings in Luxemburg genomen.

Ook bij ICIC duiken weer de major borrowers op, de "groep van tien'. Verschillende grote leningen aan deze groep personen zijn verstrekt om aandelen BCCI te kopen op onderpand van die aandelen. Stukken die volgens bewindvoerders “weinig of niets meer waard” zijn. Er bestonden garanties dat, als de aandelen bij verkoop minder opbrachten, de betrokkenen het verschil vergoed zouden krijgen.

Het ging bij ICIC om 140 miljoen dollar aan dit soort leningen, op een totale leningenportefeuille van 279 miljoen. Daarom verwachten bewindvoerders dat liquidatie op dit moment niets zou opbrengen.

Over de betrokken leningen merken de onderzoekers op: “Zij werden almaar groter; er was geen periodieke aflossing geregeld (de "aflossing' gebeurde in feite door het schuiven met geld van andere BCCI-takken) en sommige leningen zijn volledig ongedekt.” Terugeisen van die leningen kan volgens de bewindvoerders veel tijd kosten.

Ook met de deposito's bij ICIC (200 miljoen dollar) is het nodige mis. Vele ervan staan op nummerrekeningen waarvan de dossiers worden vermist.

Foto: Franse agenten voeren Syed Ziauddin Ali Akbar af. De voormalige BCCI-manager in Londen werd eerder deze week in Calais gearresteerd, nadat de Amerikaanse autoriteiten om zijn opsporing hadden verzocht. Akbar wordt verdacht van betrokkenheid bij illegale transacties. (Foto Reuter)