Jean Tinguely

Hoe ouder je wordt, des te meer tijd je nodig hebt om stukjes te schrijven over mensen die dat niet meer over jou kunnen doen. Deze keer doe ik het langs een omweg.

Als kleine jongen was ik verliefd op de heimachine, het glanzend bewegen van haar excentrieken, drijf- en zuigerstangen, de onverzettelijkheid van haar vliegwiel en de geur van haar olie en stoom. Met mijn vader en moeder bracht ik een vakantie in Zwitserland door, we maakten een boottocht over het Vierwoudstedenmeer. "Kom naar de bergen kijken,' beval mijn vader. Ik was liever benedendeks gebleven, over een hekje in de machinekamer me verzadigen aan de bewegende muziek van de stoomreuzin. Met boze ogen heb ik naar de bergen gekeken. Zo loop je landschaptrauma's op.

De stoommachine verdween uit het dagelijks leven; ik vergat mijn verliefdheid. Maar in 1963 werd in het Stedelijk Museum de tentoonstelling Bewogen Beweging gehouden, en plotseling was het oude gevoel in al zijn kracht terug. Het kwam door de constructies van Jean Tinguely. Ze werden aangedreven door elektromotoren, maar dat maakte voor de aanblik geen verschil: daar was in wel tien of twintig variaties de muziek te herkennen die ik me van de heimachine en de Zwitserse raderboot herinnerde: het wiel, de drijfstang, de krukas. Instemming, geluidloze opgetogenheid, de bevrijdingssensatie die misschien in het groot de ervaring van de gevangene is als hij ontdekt dat de tralies 's nachts zijn doorgezaagd, of van de hond die voelt dat de halsband is gebroken, en die nu - om tot de kunst terug te keren - bij sommige toeschouwers is gewekt toen ze voor de gerestaureerde Newman stonden.

Het beste kijken is het kijken naar iets dat beweegt, wat niet wil zeggen dat het bewegende altijd het beste kijken biedt. Op Bewogen Beweging was het werk van andere machinebouwers te bezichtigen maar ze hadden niets van Tinguely's wonderen. Waardoor kwam het? Doordat hij alles mat zwart had geschilderd? Doordat hij er zoveel wielen in had weten te verwerken, meer dan iemand anders? Vaak heb ik sindsdien geprobeerd, onder woorden te brengen wat Tinguely's geheim is. Ik heb me zelfs aan wat kunstkritisch abracadabra bezondigd. "Machines met vakantie.' 't Bleef een omschrijving die niets verhelderde. Ik heb nooit iets gezien in de exegeten die zijn werk beschouwden als kritiek op "onze overgemechaniseerde consumptiemaatschappij'. Misschien had ik het met poëzie moeten proberen als mijn hersens zich daarvoor hadden geleend. Ik houd het op het volgende: in zijn genre was Jean Tinguely meer dan alle anderen, en dit meer heeft de eigenschap van ieder meer dat die naam verdient: je kunt er niet genoeg van krijgen. Daarmee is het enige bewijs geleverd. De rest is liturgie of theologie - onvermijdelijk, maar niets aan het wezen toevoegend.

Overal waar binnen mijn bereik iets van Tinguely te zien was, ben ik gaan kijken. De volgende tentoonstelling in het Stedelijk, Dylaby, was minder omdat er minder te zien was van Tinguely en meer van de groeiende club dergenen die het ook wilden proberen. Elektrisch lassen en de artistieke recycling van oud roest, een wiel in je sculptuur zetten, iets dat geluid maakt: baat het niet dan schaadt het niet. Zo is Tinguely de vader geworden van een grote familie die zich uitput in het doen van dergelijke mechanische vondsten. Hij is niet de oervader. De conceptionist is Marcel Duchamp die in 1913 voor de grap een voorvork met fietswiel in een keukenkrukje plantte. "Ik had er zin in, een wiel in m'n atelier te hebben. Ik vond het leuk ernaar te kijken, zoals ik er ook plezier in heb naar de vlammen in de open haard te kijken. Dat wiel was de open haard in mijn atelier.' Tinguely heeft aan die conceptie zo ontzaglijk veel toegevoegd dat we gerust van een conceptie op, in, of uit de conceptie mogen spreken.

De vondst heeft zich vermenigvuldigd, zoals eilandbewoners zich vermenigvuldigen: ze gaan steeds meer op elkaar lijken en het geheel gaat er niet op vooruit. Zoals in de museums en galeries nu onophoudelijk wordt bewezen: de vondst is in het stadium van bederf gekomen; de kunstenaar is gemuteerd tot vondstenaar. (Ik kan me haast niet voorstellen dat dit woord niet eerder is gebruikt, maar door wie?) Inteelt der vondsten.

Tinguely werd uitgenodigd tot het inrichten van de waterpartij voor het Centre Pompidou. Ik wil niet ontkennen dat daar weer veel staat waarop ik niet uitgekeken raak maar ik voelde een zuchtje twijfel waaraan ik natuurlijk niet wilde toegeven. Het was niet te negeren: was de kunstenaar bezig, zijn eigen vondstenaar te worden?

Toen verscheen in Der Spiegel het bericht dat hij in de bossen van Fontainebleau in het geheim aan het werk was: daar verrees een reusachtige machine, het ding stak al boven de bomen uit, je kon erin wonen, daar zou eindelijk het zonnestelsel van binnenuit worden verslagen. Er stond een onduidelijke foto bij. Rudy Kousbroek, mijn jongste zoon en ik besloten ondanks het jaargetijde een expeditie uit te rusten. Vroeg in de heldere wintermiddag vertrokken we uit Parijs met geen andere wetenschap dan de ruwe coördinaten en dat het om iets zeer groots ging. We bereikten de bossen, af en toe stapte Rudy uit om aan een houthakker of in een eenzame bakkerij in het Frans de weg te vragen. Zo kregen we de overtuiging dat we in een steeds nauwer wordende bijna-cirkel het doel naderden. Maar de lucht betrok, het begon te sneeuwen, het werd tot de dichtste sneeuwjacht die de bossen daar deze eeuw hebben gekend. Ter nauwernood konden we Parijs weer bereiken.

Terug in Amsterdam vertelde ik het verhaal aan Anton Kothuis. Een week later kreeg ik een stapel foto's waarvan er een dit stukje versiert. Hij was meteen naar de bossen vertrokken, had het prikkeldraad en een veldwachter getrotseerd en het kunstwerk met eigen ogen gezien.

Ik was hem dankbaar maar jaloers. Toch kan ik niet de hinderlijke gedachte van me af zetten dat de kunstenaar daar, met de vondst der vondsten, vergeefs heeft geprobeerd zichzelf te overtreffen. Het vermindert niets van het plezier dat hij me heeft gedaan.