Ierse gedichten van Seamus Heaney; Schijnbewegingen bij het knikkeren

Seamus Heaney: Seeing Things. Uitg. Faber and Faber, 114 blz. Prijs ƒ 22,10. Seamus Heaney: Vereffeningen. Vertaling en nawoord Peter Nijmeijer. Uitg. Meulenhoff, 72 blz. Prijs ƒ 34,50.

Veel stukken over het werk van de Ierse dichter Seamus Heaney beginnen met een verhandeling over het eerste gedicht uit zijn eerste bundel. Daarin schaart de beginnende dichter zich in de traditie van zijn vader en grootvader die met de schop, al gravend, hun brood hadden verdiend, de vader als boer en de grootvader als turfsteker. De laatste was de beste turfsteker uit de buurt. Soms moest de kleine Seamus zijn opa in het veen een fles melk brengen, met een prop papier als kurk. Opa ging dan even rechtop staan, dronk de fles in één teug leeg en viel vervolgens meteen weer op zijn plaggen aan. Tegen hun werklust en vakmanschap moet de jonge Heaney het afleggen. Hij beschikt niet over een schop, maar hij neemt zich in zijn eerste gedicht voor met de pen hun voorbeeld te volgen: ”Tussen mijn vinger en mijn duim- Rust de logge pen.- Met hem zal ik graven.'

En dat is wat hij vervolgens is gaan doen, graven met de pen: letterlijk, in jeugdherinneringen en in vele aan het platteland ontleende beelden, en figuurlijk, want al gravend legde hij in zijn poëzie ook een ander soort kennis, verborgen of vergeten waarheden bloot. Tot zijn bekendste gedichten behoren die over de in Jutland gevonden veenlijken, duizenden jaren geleden vermoedelijk ter dood gebracht om de godin van de vruchtbaarheid in haar moeras gunstig te stemmen. Het is niet moeilijk om het lot van deze slachtoffers te verbinden met dat van andere mensen uit andere tijden, bijvoorbeeld de slachtoffers van de godsdienststrijd in Noord-Ierland.

Maar Heaney is niet alleen de graver met turf aan zijn schoenen en zand aan zijn pen, gericht op het aardse, het concrete en het zichtbare. Naast het eerste gedicht uit zijn eerste bundel kan een van de laatste gedichten uit zijn laatste bundel geplaatst worden. Daarin is de blik niet op de voeten, maar op de horizon gericht, en daarin gaat het niet om het zichtbare, maar om het net niet meer zichtbare, om een vermoede werkelijkheid. Dat klinkt filosofisch en vaag, maar iedereen zal de hier beschreven ervaring wel kennen:

De zichtbare zee net buiten de kust Of voorbij waar schepen voor anker gingen, Werd het ruime sop of het verschiet genoemd.

Hoe leger het was, des te dwingender Het oog het had afgetast. Maar als je het eenmaal de rug had toegekeerd

Was je rug plots een en al oog als destijds Argus. En als je dan opnieuw keek, leek het verschiet Nog steeds onbetreden, en toch ergens ontruimd

Alsof een frivool peloton dat exerceerde Op de grenzen van je zicht zich terugtrok Achter de einder om te manoeuvreren en hergroeperen.

ew,2 Hier wordt gekeken naar een stuk van de zee, een weinig nauwkeurig afgebakend stuk, in het Engels aangeduid met ”the offing' en door Peter Nijmeijer zekerheidshalve maar vertaald met ”het ruime sop of het verschiet'. Er valt, behalve zee, niets te zien. Zo'n leegte is zoals bekend nu juist bij uitstek geschikt om een lichte fantasie in gang te zetten, een dagdroom waarvan de aanwezigheid pas beseft wordt als zij is verdwenen. Hier wordt iets gemist dat er nooit geweest is, althans niet in het echt. Hier wordt een verzinsel betast, de afdruk van een droom gevoeld, het gebied tussen verbeelding en werkelijkheid verkend - een tussengebied waar veel van Heaney's latere gedichten ontstaan, subtiel gelegen tussen herinnering en heden, zichtbaarheid en fantasie, verwondering en nieuwsgierigheid.

Het gaat in de laatste, negende bundel van Heaney vaak en op allerlei manieren om deze bijzondere vorm van zien. De titel, Seeing Things, geeft daar nog weinig uitsluitsel over, maar het driedelige titelgedicht maakt aan de hand van drie dichterlijke herinneringen duidelijk dat woorden als ”zien', ”kijken' en ”zichtbaarheid' meer dan één betekenis hebben, en dat men met een dichterlijk oog ook heel goed kan zien wat er niet is.

Een mooi voorbeeld geeft Heany in het tweede gedicht waarin hij een voorstelling in steen beschrijft. Jezus staat met droge knieën in de rivier, terwijl Johannes de Doper water over zijn hoofd uitgiet - gezien in helder zonlicht, op de buitenmuur van een kathedraal. Zo helder geeft de steen het rivierwater weer, dat de dichter er als het ware doorheen kan kijken en er dingen in ziet die er niet in afgebeeld zijn:

And yet in that utter visibility

The stone's alive with what's

invisible:

Waterweed, stirred sand-grains

hurrying off,

The shadowy, unshadowed stream

itself.

Dat is mooi, en het is jammer dat de dichter niet vermeldt om welke kathedraal het gaat, zodat we zelf nog eens, op een heldere dag en met een helder gemoed, deze transformatie van steen in water zouden kunnen ondergaan. Wie wil kan in Heaney's verdediging van de heldere, doordringende, dichterlijke blik een verzet lezen tegen het al te rechtlijnige, door tweekampen en standpunten geleide zien zoals dat in bijvoorbeeld Noord-Ierland noodgedwongen nog beoefend wordt. Het schijnt het lot van iedere Ierse en Noord-Ierse dichter te zijn om politiek gewogen te worden. Ook als hij of zij geen standpunt inneemt, kan dat uitgelegd worden als een standpunt - iets wat Heaney (geboren en opgegroeid in Noord-Ierland, gestudeerd en gewerkt en publicerend in Engeland, sinds 1972 wonend in Ierland) ook is overkomen.

Hoe dit ook zij, voor de Nederlandse lezer is Heaney's werk even Iers als universeel en in zijn laatste bundel in toenemende mate ”dichterlijk'. Dat blijkt vooral uit het tweede deel van zijn bundel, de afdeling ”Squarings' die nu meteen al in de Nederlandse vertaling van Peter Nijmeijer is verschenen. Die afdeling bestaat uit maar liefst achtenveertig gedichten (allemaal bestaande uit twaalf regels en allemaal verdeeld in vier terzinen), ondergebracht in vier afdelingen van ieder twaalf gedichten. Ze dragen omcirkelende titels als ”Lightenings', ”Settings', ”Crossings' en ”Squarings', door Nijmeijer vertaald met resp. ”Verlichtingen', ”Situeringen', ”Overstekingen' en ”Vereffeningen'. Het zijn vage aanduidingen voor de licht thematische samenhang die er in de vier dozijnen aan te wijzen valt en voor het lichte reekskarakter dat aan de gehele afdeling ten grondslag ligt.

Bolwerk

De reeks begint als het ware in het niets. Er moet eerst een bouwval opgekalefaterd, een huis gebouwd worden dat kan dienen als ”the bastion of sensation', ”het bolwerk van de indrukken', zoals het in het tweede gedicht heet. In de eerste twee afdelingen zijn het vooral jeugdherinneringen, dicht bij huis, waaraan onderdak verleend wordt. In de laatste twee afdelingen gaat het om ervaringen verder van huis, in de buitenwereld, nieuwe inzichten die in een gedicht worden ondergebracht. Maar daarmee is over de poëzie van Heaney nog weinig gezegd. Zijn echte onderwerp is niet de anekdote of de herinnering. Zijn achtenveertig squarings zijn voorbeelden van een subtiele en heldere omgang met ervaringen, sensaties en gewaarwordingen waarvoor in de normale spreektaal eigenlijk geen geëigende woorden bestaan. Vaak worden woorden op hun betekenis en bijbetekenis geproefd, soms ook voor de gelegenheid van een particuliere betekenis voorzien. De squarings uit de titel worden door Nijmeijer nu eens met ”vereffeningen', dan weer met ”rechte hoeken', dan weer met ”viseringen' vertaald. Viseringen? In het derde gedicht wordt deze kennelijke knikkerterm uitgelegd:

Viseringen? Bij het knikkeren waren dat Al die aanleggingen, schijnbewegingen en loense blikken Die waren toegestaan voordat je speelde, al

Dat hurken, schrapzetten, drukken op de duim, De uitproberingen, terugtrekkingen, heroverwegingen,

Al de manieren waarop je armen bleven hopen Op blinde zekerheden die zouden zegevieren

Voorbij het eenmalig moment van het mikken. (...)

Uit die laatste regels blijkt al dat Nijmeijers vertaling niet altijd even lekker loopt. Nu lijkt mij Heaney niet de gemakkelijkste dichter om te vertalen, maar in deze versie blijft er toch wel heel weinig van zijn subtiliteit over. Nijmeijer had kennelijk haast. Dat is jammer, zeker als het gaat om het werk van een van de beste Engelstalige dichters van het moment. Het ergste is nog wel dat Heaney in vertaling de vaag-diepzinnige kwezel kan lijken die hij nu net niet is. Nijmeijer maakt, om maar eens wat te noemen, fouten tegen het Nederlands. ”Uitproberingen' is geen mooi woord, en bovendien een germanisme. Hij schrijft ”Voor hij die' in plaats van ”Voor hem die', waar het origineel trouwens To those who geeft. Hij laat de tante van de dichter ”scheep nemen' in plaats van ”scheep gaan'. Hij vertaalt vaak al te letterlijk, dus al te anglicistisch. Staat er arrived, dan lezen we ”arriveerden'. Staat er attractive, dan lezen we ”attractief'. More memorable wordt ”memorabeler' en a million million accuracies passed wordt gewoon ”een miljoen miljoen nauwkeurigheden passeerden'. Nog erger is de grote regelmaat waarmee hij al vertalend op kreupele regels uitkomt. ”De ondubbelzinnige- aanwezigheid die je zich voelde terugtrekken die eerste keer', lezen we. En: ”Op winteravonden hield ik van zijn stank en risico', gezegd van rattengif. Van een massa keien moeten we geloven dat ze werden ”omhoog gestraald in mijn droom van vliegen' (the ones that beamed up in my dream of flying). De koeterwaalse aansporing ”maak impuls één met koppigheid' is de vertaling van make impulse one with wilfulness. Zou Heaney met chairs on all fours werkelijk ”stoelen op handen en voeten' hebben bedoeld? Betekent to draw attention tegenwoordig ook al ”aandacht schenken'? Met set questions kunnen verschillende dingen bedoeld zijn, maar toch geen ”gezette vragen'. In een gedicht waarin duidelijk verwezen wordt naar de Griekse god Hermes spreekt Heaney van de guardian of travellers, beschermer van de reizigers, en van psychopomp: epitheton voor Hermes en Charon, Grieks voor geleider van de zielen der gestorvenen. Nijmeijer maakt er uit arren moede maar een Engels neologisme van en vertaalt: ”Beschermheer van reizigers en psychopraal.'

Visioen

Zulk onbegrip is des te vreemder omdat de hele bundel Seeing things zo nadrukkelijk in het teken staat van een bezoek aan de onderwereld. Hermes is als het ware ook de hoeder van deze gedichten. De bundel begint en eindigt met twee door Heaney zelf vertaalde fragmenten uit de Aeneïs en uit Dante's Inferno. In het begin vraagt Aeneas toestemming de onderwereld te betreden om nog één keer zijn overleden vader te kunnen zien. Aan het slot weigert Charon een levende ziel over te zetten. Daartussen plaatst Heaney zijn eigen poëzie. Het is vast geen toeval dat in het eerste gedicht de schim van Larkin optreedt, citerend uit Dante. Het wordt gevolgd door nog meer in memoriam-gedichten, eveneens van Dante doorschoten. En het is vast ook geen toeval dat in het tweede, door Nijmeijer vertaalde deel zoveel pogingen worden ondernomen om over te steken en tegendelen te verzoenen. Het laatste gedicht eindigt met een Larkin-achtig visioen, waarin het vertrouwen wordt uitgesproken dat er een dag zal komen, ooit, ”wanneer het licht over me heen spoelt' - de dag waarop de dichter eindelijk ”in de pas zal lopen met wat mij ontglipte.'