Homero Aridjis over de ontdekking van Amerika; Hier en daar een uitgerukt hart

Homero Aridjis: Juan Cabezón in de Nieuwe Wereld. Vertaling Aline Glastra-Van Loon. Uitg. Meulenhoff, 422 blz. Prijs ƒ 49,50

Een boek van vierhonderd bladzijden schrijven en tot op de laatste daarvan de suggestie wekken dat het verhaal nog moet beginnen, is ook een kunst. De Mexicaanse schrijver Homero Aridjis, voorheen ambassadeur voor zijn land in Nederland, heeft zo'n boek geschreven. Juan Cabezón in de Nieuwe Wereld luidt de Nederlandse titel, en die lijkt me minder adequaat dan de oorspronkelijke, Memorias del Nuevo Mundo (Herinneringen uit de Nieuwe Wereld), ofschoon ik begrijp dat die te abstract is om het bij ons goed te doen. Maar de vermelding van een persoonsnaam in de titel suggereert een verhaal, een levensgeschiedenis, lotgevallen in een al is het nog zo losse structuur rondom een personage. Onder "herinneringen' daarentegen kan van alles worden gerubriceerd, gebeurtenissen zonder samenhang, figuren die verschijnen en verdwijnen, alles slechts aaneengeregen door het verstrijken van de tijd.

En inderdaad: chronologie is het enige bindmiddel dat in dit boek, dat barst van de gebeurtenissen, te bespeuren valt. Zeker, Juan Cabezón is er, van het begin in 1492 tot aan zijn dood in 1560, maar hij duikt slechts met tussenpozen op. Hij is een van de ontelbare figuranten in het drama van de cultuurschok die begon toen de Spanjaarden voet zetten in Midden-Amerika. Hij ontleent zijn aanwezigheid aan geen enkele literaire noodzaak: zijn aandeel in de episoden die hij meemaakt is niet markant; hij laveert tussen de hachelijkheden door; hij is ooggetuige maar de lezer ziet de gebeurtenissen niet door zijn ogen; vaak is hij hele tijden "weg'.

De eerste zin is een goed begin: "Op de derde augustus van het jaar onzes Heren 1492 monsterde Juan Cabezón als marsgast aan op de Santa Mará.' De tweede zin geeft al te denken: "De roodstenen stad Madrid liet hij achter zich, evenals Toledo, Avila, Trujillo en Puerto de Santa Mará.' Inderdaad, wanneer men, zoals in de volgende zin staat, Spanje verlaat om elders zijn fortuin te zoeken, laat men die steden, en nog een stelletje andere, achter zich. Dit is geen flauwe grap: het is de eerste van vele opsommingen en detailvermeldingen in dit boek, waarvan het overbodige wedijvert met het vermoeiende ervan. Wat wil de schrijver?

Met dit boek laadt Aridjis al meteen een paar onaangename verdenkingen op zich. Ten eerste die van mee-, liefst ópgestuwd te willen worden op de nog steeds zwellende golf van de historische roman, dit al vaak gesignaleerde verschijnsel in de literatuur van de laat-twintigste eeuw. Ten tweede de verdenking van met een bijdrage op de markt te willen zijn bij de viering van het feit dat het volgend jaar 500 jaar geleden is dat het 1492 was.

Dat laatste zal ons misschien niet veel zeggen, maar in de Spaanstalige wereld aan beide zijden van de Oceaan wordt de reis van Columbus, terecht of ten onrechte nog steeds "de ontdekking van Amerika' genoemd, gevierd met een lawine aan herdenkingen, festiviteiten, congressen, alles natuurlijk vergezeld van veel patriottisch gebral. Een gedegen historische roman, met dit año de la Hispanidad als uitgangspunt, komt dus zeer gelegen.

Intrigerend

Maar dat zijn onaardige insinuaties; ik houd me bij het historische aspect van de roman. Dat Aridjis wat dat betreft geen half werk heeft geleverd, wordt duidelijk voor wie de bibliografie beziet. Ik zeg "beziet' en niet "leest', want een lijst van bijna vijfeneenhalve bladzij namen en titels geeft men graag ongelezen het krediet van betrouwbaarheid. Ik heb de bibliografie natuurlijk wel gelezen, en zo kan ik u melden dat de lijst 157 boektitels telt en precies 100 namen van schrijvers (weer andere dan die van de boeken). Een dergelijke bibliografie is intrigerend - vooral als erbij wordt vermeld dat ze nog onvolledig is ook. Want behalve alle vermelde "geschiedschrijvers, geografen, reizigers, schelmen, inquisiteurs en evangelisten' die hem "waardevolle informatie' en een "rijkdom aan details' hebben verschaft, en van wier werk hij "dankbaar gebruik' heeft gemaakt, heeft Aridjis zich gebaseerd op "dagboeken, verslagen, brieven, registers, instructies en andere teksten' van Columbus zelf, heeft hij "geput uit' het werk van latere onderzoekers, van wie hij "slechts enkelen' (dat zijn er 27) bij name noemt, is hij aan de overige 73 vermelde auteurs "dank verschuldigd', evenals aan "allen die hebben geschreven over de stad México-Tenochtitlan' en aan degenen die "studies hebben gewijd aan de vulkanen Popocatépetl en Iztacchuatl'.

Eén ding schijnt Aridjis niet gelezen te hebben, namelijk het adagium dat het aantal personen aan wie men voor de totstandkoming van een boek dank toezwaait omgekeerd evenredig is aan de onafhankelijkheid van geest en de creativiteit van de auteur. Maar ook dat is een onaardige opmerking. Het is duidelijk dat Aridjis alles, alles, alles heeft gelezen wat er over zijn onderwerp geschreven is, vroeger en nu, en dat hij niets aan het toeval heeft overgelaten. Hád hij dat maar. Want hier moet ik toch denken aan wat de vaak verguisde Ortega y Gasset eens heeft gezegd, een uitspraak die ik nog altijd met pervers genoegen pleeg te citeren naar aanleiding van veel geschrijf in wat zich "literatuurwetenschap' noemt: "Een wetenschappelijk boek moet wetenschappelijk zijn, maar het moet ook een boek zijn.'

In het geval van Aridjis: al die geschiedenis maakt dat hij aan een "boek', een leesbaar verhaal, nauwelijks toekomt. Natuurlijk, het schrijven van een historische roman vergt research, je moet wat specialisten raadplegen, en dat vermeld je allemaal keurig in je verantwoording. Maar ik heb het gevoel dat Aridjis zó bang is als schrijver niet voor vol te worden aangezien, dat hij die geleerdheid heeft overdreven. Je moet wel alles van je onderwerp weten, maar je moet het niet allemaal in je verhaal willen stoppen. Dan is het evenwicht zoek en drukt de geschiedenis de literatuur weg. Dan krijg je die nodeloze, vermoeiend gedetailleerde opsommingen van mensen en dingen die later in het boek niet meer terugkomen, zodat elk hoofdstuk de aanzet tot "het' verhaal lijkt, en de lezer na elk hoofdstuk weer met een los eindje blijft zitten.

Zo althans las ik, en toen ik dacht: "Dit boek heeft wel een érg lange inleiding', bleek ik al op de helft te zijn. Daarná kwamen, het moet gezegd, een paar meer uitgewerkte episoden over bepaalde figuren, episoden met begin en eind, handelend over liefde, wreedheid en versterving, maar dat betrof elke keer niet Juan Cabezón, die door het boek dwaalt in een poging daaraan een schijn van eenheid te geven.

De omstandigheid dat de Spanjaarden belust waren op het goud van de Indianen en geen middel schuwden om het te pakken te krijgen, en dat de Indianen een hoogstaande beschaving hadden waarbij het gewoonte was mensenharten uit te rukken en te verbranden om de goden gunstig te stemmen, moest wel tot ongeregeldheden leiden. Men noemt dit de dramatische botsing tussen twee culturen, waarvan die van de Indianen ten slotte tragisch ten onder ging. Het bloed stroomt dan ook over de bladzijden, nu eens hier, dan weer daar, als een wreed onderonsje van totaal inwisselbare personen. De een doet dit, de ander dat, allemaal doen ze wat (behalve Juan Cabezón, die niet veel doet), alsof ze niets met elkaar te maken hebben. Alsof er niet iets is als een politiek, een coherent idee, de grondgedachte van een imperium, de grondslag van een geloof.

Soldaten en sinjeuren

Maar misschien, zo heb ik ook gedacht, is die verbrokkeling juist de bedoeling van de schrijver. Misschien meende hij dat dát de manier was om een kaleidoscopisch beeld te geven van de eerste zeventig jaar van die enerverende confrontatie. In dat geval is hij volledig in zijn opzet geslaagd; het boek biedt inderdaad, met zijn overdaad aan beelden, een totaalbeeld van het dagelijks leven in die tijd, het leven van soldaten, priesters, sloebers en sinjeuren. Zo gezien zou dit boek juist dóór die overgedetailleerdheid een fresco zijn van onuitputtelijke rijkdom en variatie. Misschien. Ik zou de schrijver graag het voordeel van die twijfel gunnen, vele lezers zullen dat ongetwijfeld doen, maar ik denk toch dat deze opzet niet zozeer geniale vinding is als wel gevolg van de onverwerkte last van de geschiedenis. Ook zouden daarvoor, naar mijn idee, de personages geloofwaardiger moeten zijn. Een paar figuren, bij wie wat langer wordt stilgestaan, komen uit de verf, de rest blijft plat, ofschoon zij bijna allemaal poëtisch praten. Want ja, over een mooi, beeldend, lyrisch taalgebruik beschikt de schrijver wel degelijk, en het surrealistische, waar sinds de "boom' vrijwel geen Spaans-Amerikaanse schrijver omheen schijnt te kunnen, steekt ook hier tussen een uitgehakt hart en een ingeslikt geslachtsdeel de kop op. Dit in scherp stilistisch contrast met vertellende passages die zó gortdroog zijn, dat ze lijken te zijn overgenomen uit een van de oude kronieken die Aridjis bij tientallen tot zich heeft genomen. Een voorbeeld:

"Juan de Flandes vernam dat fray Bartolomé de las Casas met zijn vader Pedro de las Casas in het jaar 1502 naar de Indiën was vertrokken met de expeditie van Nicolás de Ovando, die Francisco de Bobadilla moest vervangen. Fray Bartolomé de las Casas, die in Sevilla was getonsureerd, werd op La Española benoemd tot parochiepriester. Hij doorkruiste de provincies van Cibao op zoek naar goud en stuurde de Indianen de mijnen in; mogelijkerwijs streed hij aan de zijde van fray Nicolás de Ovando tegen de cacica van Xaragua, de schone Anacaona. Hij was in Rome tot priester gewijd en aanwezig geweest bij het feest van de Fluiten, waar gemaskerde en als vrouw verklede mannen zedeloze dansen uitvoerden. Toen hij in 1510 terugkeerde op La Española hoorde hij op een zondag dat fray Pedro de Córdoba de kolonisten maande om hun Indiaanse bedienden na het eten naar de kerk te sturen; en op een adventszondag hoorde hij hoe fray Antonio de Montesinos in een preek de Spanjaarden veroordeelde vanwege "de wrede en afschuwelijke slavernij waaraan ze de Indianen hadden onderworpen'. Hij vertrok met Diego Velázques naar Cuba' - en zo gaat het soms bladzijden door, zonder dat de lezer van de meesten van deze mensen weet wie ze zijn. Een wonderlijk boek.

Het zal interessant zijn, straks in 2000, een boek als dit te vergelijken met wat er dan in de Portugeestalige wereld gebeurt. Dan namelijk is die aan de beurt om de ontdekking van Brazilië in 1500 te vieren, en het interessante daarbij is dat die zo geheel anders in zijn werk ging.

Om te beginnen, en om te eindigen, citeer ik alvast, enigszins op de zaken vooruitlopend, uit het logboek van Pero Vaz-'de Caminha, van 1 mei 1500, een scène uit de ontmoeting van de Portugezen met de Indianen: "En temidden van hen liepen drie of vier jongemaagden, heel jong en heel bevallig, met heel zwarte en lange haren tot op de rug, en met hun schaamte zo zichtbaar en zo mooi gesloten en zo geheel en al zonder haar, dat wij, hoezeer we er ook naar keken, geen enkele schaamte gevoelden.'

Een zo bevallige zin staat op geen van de vierhonderd bladzijden van Juan Cabezón in de Nieuwe Wereld, maar daar ging het dan ook heel anders toe. Wie benieuwd is naar het verloop van de ontmoeting tussen Spanjaarden en Indianen in Mexico, komt daarover bij Homero Aridjis alles, alles, alles te weten.