Historische roman van sinoloog Jean Levi; IJzersnijder wint van Pluim

Jean Levi: De Droom van Confucius. Vert. Bert Simons. Uitg. Arena, 357 blz. Prijs: ƒ 59,50.

Na het succes van zijn eerste roman Tj'in, waarin hij op onnavolgbare wijze historische documenten en fictie liet versmelten tot een fascinerend beeld van de Chinese maatschappij tijdens de regering van de eerste keizer (derde eeuw voor Christus), heeft de Franse sinoloog Jean Levi opnieuw een periode uit de oude Chinese geschiedenis bij de kop gevat. De Droom van Confucius beschrijft de periode die begint met de opstand tegen en uiteindelijke val van de Qin (Tj'in)-dynastie (ongeveer 220 voor Christus) en eindigt met de stichting van de Han-dynastie (ongeveer 205 voor Christus). Het is een periode van intriges en veldslagen, uitmondend in een machtsstrijd tussen Xiang Yu (in het boek aangeduid als "Pluim' of Siang Ju) en Liu Bang (Lioe Pang of "IJzersnijder'), waarbij de laatste uiteindelijk aan het langste eind trekt en zich tot keizer van de nieuwe dynastie laat kronen. Het is ongetwijfeld een periode die zich leent voor het schrijven van een historische roman, waarbij het de verdienste van Levi is dat hij niet alleen oog heeft voor moord en doodslag, maar ook voor meer spirituele zaken, want de "wederopstanding' van het Confucianisme, dat tijdens de Han-dynastie "staatsgodsdienst' zal worden, is minstens even belangrijk. Het laatste aspect wordt in het boek vertegenwoordigd door de vele wijze raadgevers van de krijgsheren. Daarnaast heeft Levi een mysterieus occult genootschap, zogenaamd opgericht door Confucius zelf, gecreëerd, dat op de achtergrond het lot en de voltrekkers ervan manipuleert.

Levi's grote kennis van zowel de maatschappij als het woordgebruik en de beeldspraak in de betreffende periode zorgt ervoor dat de lezer opgaat in een typisch "Chinese' sfeer. Daarbij zorgen het overvloedige, brute geweld en de nadruk op de occulte kant van het confucianisme er echter wel voor dat men veel van zijn illusies omtrent de "oude Chinese beschaving' kwijtraakt.

Met name dit laatste, min of meer cynische aspect van het boek heeft mij bij vlagen geamuseerd. Het was helaas echter niet genoeg om voortdurend leesplezier te garanderen.

Ergernis

Wat mij betreft kent Levi's boek twee euvels, die hij zelf in zijn nawoord al aanduidt, maar vervolgens tracht te rechtvaardigen. Ten eerste baseert hij zich gedeeltelijk op historische kronieken, die, zoals hij zelf zegt, vaak niet meer zijn dan catalogi "van plaats- en persoonsnamen.' Hoewel Levi's verbeelding de lacunes in de kronieken heeft opgevuld, gaat ook hij een overdaad aan namen niet uit de weg. Ondanks namenlijst en kaartje aan het eind van het boek, die overigens beter aan het begin hadden kunnen staan, slaat na een bladzijde of 150 de verveling toe als weer nieuwe plaatsen, personen en gebeurtenissen te berde gebracht worden.

Dit hangt samen met het tweede euvel. Levi heeft het gebrek aan samenhang tussen de gebeurtenissen getracht te ondervangen door ze in het (alweer) occulte kader van het Boek der Veranderingen (Yijing) te plaatsen. Ieder hoofdstuk is opgehangen aan een hexagram en bijbehorende tekst. Hij heeft aldus gekozen voor "symbolische momentopnamen' in plaats van een "rechte lijn'. De rechte lijn is inderdaad moeilijk te construeren, maar een kleiner aantal momentopnamen zou de leesbaarheid ten goede gekomen zijn. Het wordt op een gegeven moment allemaal te veel.

In zijn nawoord beweert Levi dat het gebruik van hexagrammen ter inleiding van ieder hoofdstuk deel uitmaakt van het denken van die tijd. Dit is zeker waar, maar Levi weet dit denken al uitstekend te weerspiegelen in zijn schrijfstijl en personageschetsen. Juist het gebruik van de hexagrammen en de plichtmatige verwijzingen ernaar binnen de hoofdstukken, maken een overdreven gekunstelde indruk.

Voor een derde euvel, dat meer dan de andere twee mijn leesplezier vergalde, is Levi zelf niet verantwoordelijk. Ik heb het dan over het grote aantal taalfouten in de Nederlandse vertaling. Wendingen als “flinterdunne laagjes (-) die (-) moest” (in plaats van "moesten'), ontsnappen regelmatig aan de pen van iedere vertaler (mijzelf niet uitgezonderd). Het is echter de taak van goede "proofreaders' om dit soort schoonheidsfoutjes eruit te halen, zodat je als lezer niet om de tien bladzijden in ergernis vervalt. Want dan wordt lezen een kwelling.