Het vermijden van grandeur; Oude opnamen van dirigent Pierre Boulez opnieuw uitgebracht

In de jaren vijftig ging de componist Pierre Boulez zelf voor het orkest staan om moderne muziek te dirigeren, omdat andere dirigenten er weinig belangstelling voor hadden. Zijn lange repetitietijd en liefde voor het repertoire zorgden voor een hoge kwaliteit van de concerten. De belangrijkste oude opnamen van Boulez worden nu opnieuw uitgebracht.

In de film Prova d'orchestra gebruikt Fellini het orkest als een metafoor voor een autoritair geleide maatschappij, met de dirigent als dictator. Het beeld ligt voor de hand. Een orkest kan onmogelijk democratisch zijn, er is een persoon die de leiding heeft en die alle anderen zijn wil oplegt. Sommige dirigenten hebben, ondanks hun liefde voor het vak, moeite met dat autoritaire karakter. Ze zien dirigeren als een soort noodzakelijk kwaad, waarvoor ze dan maar het liefst zelf verantwoordelijk willen zijn.

Pierre Boulez is zo iemand. Muziek heeft volgens hem nu eenmaal uitvoerders nodig, dat is zowel haar kracht als haar zwakte. En waar meer uitvoerders bij elkaar komen, zal iemand de zaak toch in de gaten moeten houden. Maar "dirigent' beschouwt Boulez als een achterhaald woord. Hij spreekt liever van "coördinator', iemand die de verhoudingen tussen de musici regelt, die een overzicht heeft van de functie van het individu binnen de totale compositie en hem daarop wijst. Een dirigent moet volgens Boulez aan een musicus in het orkest duidelijk kunnen maken hoe een toon logisch volgt uit de voorgaande en leidt naar de volgende. Door te reageren op het temperament van de orkestleden probeert hij de verhouding tussen individu en collectief op een fijngevoelige manier zichtbaar te maken en te voorkomen dat een musicus alleen handelt uit gehoorzaamheid tegenover zijn "baas'.

Boulez doet erg zijn best om er op het podium zo gewoon mogelijk uit te zien. Alle vormen van pracht en grandeur waarmee dirigenten zich graag omringen, probeert hij angstvallig te vermijden. Een dirigeerstokje, het toonbeeld van gezag, heeft hij nog nooit gebruikt. Applaus neemt hij met bescheidenheid in ontvangst en sluist hij zo snel mogelijk door naar zijn musici, die het eigenlijke werk hebben verricht. Achter die eenvoud schuilt echter de zekerheid van een man die precies weet wat hij doet en overtuigd is van zijn gelijk. En ook dat is op het podium goed te zien. Boulez wekt met zijn stabiele, gedrongen gestalte een zelfverzekerde en eigenzinnige indruk.

De combinatie van nuchterheid en vastberadenheid leidt bij Boulez tot een heel persoonlijke manier van dirigeren. Zoals gezegd, gebruikt hij geen dirigeerstokje, zijn handen doen voor hem het werk. De vingers houdt hij vrijwel steeds strak naast elkaar en gestrekt. De rug blijft recht en de armen bewegen zich vaak ver voor het lichaam. Zeker in uitvoeringen van moderne muziek lijkt Boulez daardoor eerder een stugge verkeersagent dan een zwierige orkestleider. Het nadrukkelijke van zijn gebaren wekt een wat houterige indruk en verraadt dat Boulez eigenlijk een dilettant is, die niet precies weet hoe het "hoort' omdat hij het vak in de praktijk heeft geleerd. Maar zijn bewegingen zijn trefzeker, ondubbelzinnig en zonder franje.

Sony Classical, de opvolger van de platenmaatschappij CBS, ploegde het oude CBS-archief door, en brengt nu met enige tussenpozen de belangrijkste opnamen van Boulez als dirigent opnieuw uit. Inmiddels verscheen onder meer het verzamelde werk van Webern, een heruitgave op drie cd's van de beroemde doos met vier vinylplaten in de serie CBS masterworks, een dubbel-cd met de koorwerken van Schönberg, en cd's met muziek van Varèse, Alban Berg en van Boulez zelf. Ook oude CBS-opnamen komt men voor weinig geld nog geregeld in platenzaken tegen, zoals de uitvoering van La Mer van Debussy met het New Philharmonia Orchestra uit 1968, en de Watermusic en Music for the Royal Fireworks van Händel, die Boulez in 1975 met de New York Philharmonic maakte. Bij Erato verschenen opnamen waarbij Boulez optreedt als dirigent van eigen werk.

Domaine Musical

Boulez stichtte in 1954, in de tijd dat hij als componist werkte aan Le marteau sans matre, het Domaine Musical, een soort concertorganisatie die muziek uit de tijd voor Mozart combineerde met meesterwerken uit de twintigste eeuw en splinternieuwe composities (onder meer van Messiaen, Stockhausen, Nono en Maderna). Instrumentalisten om de muziek uit te voeren waren er voldoende, maar van de bekende dirigenten uit die tijd waagden alleen Hermann Scherchen en Hans Rosbaud zich regelmatig aan het lastige hedendaagse repertoire en zij waren van voor de eeuwwisseling. Boulez verbaasde zich over de geringe belangstelling voor moderne muziek onder jonge dirigenten en besloot in arren moede maar zelf voor het orkest plaats te nemen. Zorgvuldige voorbereiding, lange repetitietijd en de grote liefde voor het repertoire garandeerden een hoge kwaliteit van de concerten die de Domaine Musical organiseerde.

In de jaren zeventig bleven Boulez' activiteiten als dirigent niet meer beperkt tot de moderne muziek. In 1971 werd hij chefdirigent van zowel het BBC Symphony Orchestra als de New York Philharmonic. Bij de BBC bleef hij tot 1974, in New York vertrok hij vier jaar later. Boulez, die er ooit nog voor had gepleit alle operahuizen af te breken, behoorde tot de gevestigde muziekpraktijk. Na zijn vertrek uit New York heeft Boulez zijn activiteiten als dirigent weer voornamelijk beperkt tot hedendaagse muziek met het Ensemble InterContemporain, dat hij in 1976 oprichtte.

Boulez wil in de toekomst uitsluitend nog muziek van deze eeuw uitvoeren. In een interview met de beroemde Mahler-kenner Henry-Louis de la Grange (Luister, 9-90) beweert Boulez zelfs, dat hij heel goed zou kunnen leven zonder ooit nog voor een orkest te staan. Maar het is de vraag of dat waar is. Onlangs tekende de componist-dirigent een contract met Deutsche Grammophon om twintigste-eeuwse werken op te nemen. Welke, wil hij voorlopig nog niet zeggen, maar het is niet ondenkbaar dat hij een aantal van zijn oude opnamen zal overdoen. Want muziek is volgens Boulez vergelijkbaar met nieuwe kleren, die in het begin nog wat stug zijn, maar na een paar keer dragen lekker zitten: “Dan hoef je niet meer over details van de interpretatie na te denken (-) Je voelt je geheel opgenomen in de gedachten van de ander en kunt deze modelleren.”

Modelleren - dat is precies wat Boulez als dirigent doet. Niet voor niets heeft hij een voorkeur voor muziek van Debussy, de late Webern, Alban Berg en de vroege Strawinsky. Hij houdt van de doorzichtige structuur, die zich schuil houdt achter een expressieve klank. Hun muziek vraagt volgens Boulez om een analytische benadering, het zijn noten waarin hij zich stevig kan vastbijten, in tegenstelling tot bij voorbeeld een werk als Daphnis et Chloé van Ravel, dat hij eerder beschouwt als een krachtig, eenmalig virtuoos gebaar.

Werken waarmee Boulez zich minder gemakkelijk kan identificeren, bij voorbeeld doordat ze in stijl of in tijd verder van zijn eigen composities verwijderd zijn, benadert hij vaak vanuit een onverwachte invalshoek. Dat betekent niet dat stijlzuiverheid hem niet interesseert. Een dirigent hoort volgens Boulez een vanzelfsprekende relatie te hebben tot de periode waarin een werk ontstond, maar de blik op het verleden wordt nu eenmaal voortdurend verrijkt door de filters van de eigen ervaringen. Boulez kan onmogelijk naar de Zevende symfonie van Beethoven luisteren, zonder daarbij aan de Sacre van Strawinsky te denken. Bij Beethoven vindt hij, net als bij Strawinsky, "een ritmisch leven, (dat) alle andere elementen van de muzikale taal overheerst'. Zo modelleert Boulez ook de muziek van Beethoven, of Mahler, of Wagner, componisten die ver van zijn stijl verwijderd zijn, naar zijn eigen muzikale beeld. Waarschijnlijk zou hij niet eens anders kunnen, want voor hem liggen dirigeren en componeren in elkaars verlengde.