Het naambordje

Met een gilletje vlogen de buurvrouwen hun huis binnen.

“Stelletje tetterbellen!” riep meneer Ratti. “Natuurlijk lijk ik op mijn naam en zo hoort het ook, want het is een heel voorname naam! Wat denken jullie wel? Ga breien! Geef je kinderen een pak slaag! In plaats van te leuteren!”

Meneer Ratti had de gewoonte alles wat hij dacht hardop te zeggen. Hij mopperde iedere dag dan ook heel wat af.

“Dus ik heb rooie kraaloogjes, zeggen ze... Ts... En een rare neus, en m'n snor en m'n oren deugen niet... En ik ben een engerd... Ts! Waarom zou ik aardig moeten zijn? En waarom zou ik ha, ha, ha... waarom zou ik mooi moeten zijn? Wat een flauwekul...”

Hij liep een groen uitgeslagen trapje af en duwde met zijn stok de achterdeur open.

“Die suffe Sijp die van schrik gauw met haar Spikkie naar binnen rent. Wat een knakworst van een hondje, precies zijn vrouwtje. Ik hoop dat hij lekker binnen heeft geplast op haar mooie spulletjes... Alsof ik mijn neus ooit in een vuilniszak van dat mens zou steken... Ts! Wat moet ik met aardappelschillen, ouwe hondebrokjes, vuile servetjes of gebruikte pleisters? Ik snuffel nooit in zulke vuilniszakken, ze zijn me te nat.”

Meneer Ratti ging de duistere kelder binnen en pakte zijn kandelaar.

“Ik houd van dingen die een zekere waarde hebben. En mensen zijn nu eenmaal onnozel en gooien veel te snel iets weg. Fijn voor mij.” Hij stak de kaars in de kandelaar aan, blies de lucifer uit en legde hem in een grote, hoge doos die bijna tot de rand toe vol gebruikte lucifers zat. “Als ik deze toch eens allemaal had weggegooid... Vreselijk!” Hij streek er met zijn hand over, het gaf een knisperend geluid. “En dan te bedenken hoeveel van die kleine, fijne houtjes er in de wereld worden afgedankt. Miljoenen en miljoenen... Ts... je zou er iedere dag een paleisje van kunnen bouwen... Er is vast niemand die zoveel lucifers heeft verzameld als ik. En het gaat ook niemand nooit en te nimmer iets aan. Alleen ik kijk ernaar, want als een ander ernaar kijkt, wordt het misschien wel een beetje van hem. En dat is nergens goed voor. Alles wat hier staat is van mij... van mij, de enige Ratti in dit land...”

Hij moest ineens denken aan wat de buurvrouwen over zijn naambordje hadden gezegd.

“Roestig, zeiden ze, en afgeknaagd, en onduidelijk... Stelletje haaknaalden, moet je hun eigen naambordjes zien! Die hebben ze zo glimmend gepoetst... Ts! Die kan je niet eens lezen zonder zonnebril.”

Toch begon meneer Ratti te twijfelen. En nadat hij een rondje door de kelder had gelopen, schoof hij de grendels van de voordeur en stapte naar buiten. Hij draaide zich om, deed een pas achteruit en keek naar zijn naambordje.

“Dat is toch duidelijk genoeg... Of niet..?” Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. “Zo ziet het er nog best netjes uit...” Hij deed zijn ogen weer open en hield de kaars bij het bordje. “Tja...Nou ja, een klein likje verf kan het wel gebruiken.”

Dat likje verf was nodig op de plek waar vroeger nòg een letter had gestaan.

De echte naam van meneer Ratti was namelijk Reindert Adriaan Theodor Tip. Op zijn naambordje stond in het begin dan ook: R.A.T.Tip. Maar op een dag (die meneer Ratti zo vlug mogelijk vergeten was) las hij dat er in Zwitserland een baron leefde die Ratti heette. En hij had een schroevedraaier gepakt en de P van zijn naambordje gekrast.

Meneer Ratti trok zijn lange, zwarte jas aan, stopte zijn portemonnee in zijn binnenzak, zette zijn hoed op, pakte zijn stok en ging eropuit.

(wordt vervolgd)