Gevlucht naar de rotsen; Tentoonstellingen in Londen over architect Karl Friedrich Schinkel

De Duitse architect Karl Friedrich Schinkel (1781-1841) is de geschiedenis ingegaan als een streng en classicistisch architect. Toch was Schinkel niet altijd even streng; behalve van classicisme hield hij van gotiek en ook van industriële architectuur, en behalve architect was hij schilder, tekenaar en ontwerper van vazen, meubels en bestek. “Heel spoedig was ik gevangen in een groot labyrint.”

-Schinkel. A Universal Man. In: Victoria and Albert Museum. Tot 27 oktober. Geopend: ma t-m za 10-17.50 u; zo 14.30-17.50 u. Prijs catalogus (217 blz.) ƒ 65,90 -Karl Friedrich Schinkel. Travels in England, Scotland and Wales. In: Goethe-Institut, 50 Princes Gate, Exhibition Road London. Geopend: ma t- m do 10-18u; vr 10-16u; za en zo gesloten.

Het is weinig architecten gegund om het beeld van een stad te bepalen. Ook de Duitse architect Karl Friedrich Schinkel (1781-1841) is het uiteindelijk niet gelukt. In de eerste helft van de negentiende eeuw heeft hij in opdracht van Pruisische vorsten een museum, een theater, een academie, paleizen, pakhuizen en kerken in het centrum van Berlijn gebouwd, maar veel daarvan werden later weer afgebroken of hebben de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. Het heeft dan ook iets wrangs dat juist in het land dat met zijn bommenwerpers een groot deel van zijn oeuvre heeft vernietigd, nu een grote Schinkeltentoonstelling te zien is. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog zijn hiervoor tekeningen, schilderijen, foto's, meubels en gebruiksvoorwerpen uit zowel Oost- als Westduitse collecties bijeengebracht.

"Schinkel. A Universal Man', is de titel van de tentoonstelling in het Victoria and Albert Museum in Londen. Ook de bijbehorende catalogus, het eerste Engelstalige boek over Schinkel, heet zo. Het is een wat saaie maar ontegenzeggelijk juiste titel. In de perzikkleurige kabinetjes blijkt dat Schinkel niet alleen architect was, maar ook schilder, tekenaar en ontwerper van vazen, meubels en bestek. Verder heeft hij diorama's van bijvoorbeeld de brand in Moskou in 1812 gemaakt en tientallen toneeldecors, waarvan die uit 1815 voor Mozarts opera Die Zauberflöte het bekendst zijn geworden. Bovendien heeft hij jarenlang gewerkt aan nooit voltooide architectuurtheorieën en was hij als "Geheimer Oberbaurat' van 1830 tot zijn dood verantwoordelijk voor alles wat de Pruisische staat liet bouwen. In de laatste functie moest hij veel tijd steken in het beoordelen van bouwplannen van anderen en het is alleen aan zijn legendarisch grote ijver te danken dat hij daarnaast nog zoveel zelf heeft ontworpen.

De kwalificatie "universeel' is niet alleen van toepassing op wat Schinkel allemaal deed, maar ook op de door hem gebruikte stijlen. Hij is als Duitslands belangrijkste neo-classicistische architect de geschiedenis in gegaan, maar de gotiek speelde in zijn oeuvre een bijna even belangrijke rol. Voor sommige gebouwen, bij voorbeeld voor de Friedrich-Werder Kirche in Berlijn uit 1824, maakte Schinkel gotische en classicistische varianten, alsof het om inwisselbare stijlen ging. Dit is bijzonder, want voor de meeste classicisten was gotiek een gruwel, een opvatting die de erfenis was van Italiaanse renaissance-kunstenaars. Die dachten dat de omhoogrijzende kerken met hun spitse bogen waren gemaakt door de Goten, een barbaars volk zonder het gevoel voor verhoudingen dat de antieke gebouwen van de Romeinen zo'n verfijnd voorkomen had gegeven.

Op de tentoonstelling wordt Schinkels liefde voor gotiek in verband gebracht met zijn Pruisisch nationalisme. Zijn fascinatie voor de gotiek bereikte een hoogtepunt in de periode 1810-1815, toen de Pruisische legers streden tegen die van Napoleon. Schinkel dacht dat de gotiek typisch Duits was. Grappig genoeg dachten veel tijdgenoten in Frankrijk en Engeland toen juist dat de gotiek echt Frans of Engels was.

Doordat de bouw wegens de oorlog tot stilstand was gekomen, kon Schinkel zijn voorkeur voor de gotiek vrijwel alleen tonen in zijn olieverfschilderijen van landschappen, die niet onder doen voor die van zijn tijdgenoot Caspar David Friedrich (1774-1840). Jammer genoeg hangt er slechts één olieverflandschap op de tentoonstelling, Mittelalterliche Stadt an einem Fluss uit 1815, maar die is wel heel romantisch en treffend: een middeleeuwse Duitse prins keert terug van een veldtocht naar zijn kasteel, dat links van een grote, gotische kerk in aanbouw op een berg ligt. Het is regenachtig, maar tegen de donkere wolken tekent zich een regenboog af en de zon slaagt erin licht te werpen op de prins met zijn gevolg en de stad in de verte.

Functionalisme

Toch was Schinkels eerste belangrijke gebouw, de Neue Wache aan Unter den Linden in Berlijn uit 1818, een streng classicistisch gebouw met "mannelijke' Dorische zuilen. Ook zijn Berlijnse Schauspielhaus van een paar jaar later is classicistisch, al heeft dit theater een openheid die verwant is aan de gotiek. Het "Griekse' uiterlijk van deze gebouwen had zeker te maken met de voorkeur van de Pruisische vorsten voor het classicisme, dat toen de "International Style' was. Maar het zal Schinkel niet veel moeite hebben gekost om zo te bouwen. Tenslotte had hij in 1897 het besluit genomen om architect te worden na het zien van het neo-classicistische ontwerp van Friedrich Gilly (1772-1800) voor een monument voor Frederik de Grote en deed hij zijn eerste ervaring als architect op bij David Gilly (1748-1808), de vader van Friedrich en ook een overtuigd neo-classicist.

Naast de gotische en de classicistische is er nog een derde, zakelijke Schinkel. Die ontstond pas na 1826, het jaar waarin Schinkel een rondreis door Groot-Brittannië maakte. Op een kleine tentoonstelling in het Londense Goethe Institut, vlakbij het Victoria and Albert Museum, is die reis goed te volgen. Naast kopieën van reistekeningen hangen daar delen uit het dagboek dat Schinkel bijhield tijdens zijn reis. De dagboekaantekeningen zijn van een onthutsende oppervlakkigheid. Schinkel maakt voornamelijk opmerkingen over het eten, de hotels en uiteraard het weer en klaagt regelmatig over zijn gebrekkige beheersing van de Engelse taal waardoor steeds misverstanden ontstaan. Over architectuur schrijft hij maar weinig. De meeste gebouwen die hij ziet, noemt hij slechts. Wel onder de indruk was hij van de industriële architectuur, en dat had grote gevolgen. Terug in Berlijn ontwierp hij een aantal gebouwen die duidelijk zijn geïnspireerd op de immense, functionele fabrieken en pakhuizen van baksteen die hij in Engeland zag.

Het zijn vooral zakelijke gebouwen als de in 1961 afgebroken Bauakademie die Schinkel de reputatie hebben bezorgd van proto-modernist. Zoals Claude-Nicolas Ledoux wel wordt beschouwd als de voorloper van Le Corbusier, zo wordt Schinkel vaak afgeschilderd als een soort negentiende-eeuwse Mies van der Rohe, de ex-directeur van het Bauhaus die er in Chicago als een van de eersten in slaagde wolkenkrabbers van alleen staal en glas te bouwen. Men wijst dan altijd op het belang dat Schinkel hechtte aan "de eerlijkheid van de constructie'. “In de architectuur moet alles waar zijn, elk maskeren of verstoppen van de constructie is een fout,” luidt een in dit verband vaak aangehaald citaat van Schinkel. Van deze "waarachtigheid' naar het functionalisme van het Bauhaus is het maar een kleine stap, zo luidt de redenering.

Albert Speer

Maar Schinkel had niet alleen bewondering voor de Engelse industriële architectuur. Hij zag de toekomst en hij schrok: “Het maakt een verschrikkelijke, griezelige indruk: de immense bouwmassa's zonder architectuur, alleen om de allernoodzakelijkste behoeften te vervullen,” is een van weinige boeiende opmerkingen uit zijn Britse dagboek. Voor Schinkel was architectuur toch altijd meer dan een kaal functionalisme, sterker nog, architectuur begon pas waar nuttigheid ophield. “Het vervullen van een behoefte alleen leidt niet schoonheid,” schreef hij, “Alleen iemand die zich vrij boven de (materiële) behoefte beweegt is in staat tot schoonheid.”

Schinkels Bauakademie was veel meer dan een Engelse fabriek op Pruisisch grondgebied. De façades zijn rijk geornamenteerd: de deuren zijn omgeven met basreliëfs en onder en boven de ramen wemelt het van de stenen mensen, goden en dieren. De pilasters van baksteen maken van de Bauakademie een door en door classicistisch gebouw. Albert Speer, Hitlers hofarchitect, beriep zich dan ook op Schinkel met evenveel recht als Mies van der Rohe. Speer wijdde vele pagina's van zijn blad Die Baukunst aan Schinkels werk en Schinkels schilderij De gotische kathedraal kwam in de door Speer ontworpen Reichskanzlei te hangen.

De beoordeling van Schinkels werk hangt nog steeds af van de beantwoording van de vraag of hij nu een voorloper was van Albert Speer of van Mies van der Rohe. Wie het eerste gelooft, ziet in Schinkels Altes Museum niet een negentiende-eeuwse versie van Mies van der Rohe's Nationalgalerie uit 1967 in West-Berlijn, maar vindt de façade van achttien Ionische zuilen "pompeus' en "verdrukkend' en beschouwt het gebouw als een voorbode van Albert Speers tribune voor het Zeppelinfeld in Neurenberg.

De tentoonstelling en de catalogus besteden geen enkele aandacht aan deze kwestie. Schinkels museum wordt gepresenteerd als een originele oplossing voor een toen nog tamelijk nieuw gebouwentype en wordt "vredig' en "vrolijk' genoemd.

Uit het Altes Museum blijkt overigens dat Schinkel het zelf niet zo nauw nam met zijn woorden dat "elk maskeren van de constructie' een fout is. Want van buiten is aan niets te zien dat achter de trappen in het midden van de zuilenrij een Pantheonachtige ruimte ligt. De koepel is aan het zicht onttrokken door een muur, die het museum weliswaar een ordelijker en strenger aanzicht geeft, maar onmiskenbaar "onwaarachtig' is.

Het is het lot van elke grote architect dat iedereen zich op hem beroept en misschien is de nuchtere benadering van de Schinkeltentoonstelling daarom nog wel de beste. Schinkels eigen theoretische geschriften geven in ieder geval geen uitsluitsel over de kwestie. Niet voor niets slaagde hij er niet in om zijn theoretische geschriften te voltooien. Hij kon de tegenstelling tussen de eis tot een functionalistische, "waarachtige' architectuur en de opvatting dat schoonheid pas in vrijheid kon onstaan niet oplossen. Ook slaagde hij er niet in zijn streven naar een echt nieuwe architectuur te verenigen met zijn overtuiging dat de moderne architectuur geworteld moest zijn in de traditie. De Griekse bouwkunst, na 1820 opnieuw Schinkels ideaal, was volgens hem uitdrukking van een vrije, stabiele en gelukkige maatschappij, maar hoe in het moderne Pruisen, dat aan de vooravond van de industrialisatie stond, zo'n soort bouwkunst moest onstaan, wist hij niet.

Tragisch

Het is tragisch om te lezen wat Schinkel zes jaar voor zijn dood, in 1835, schreef: “Het werd me duidelijk dat de oorzaak van de karakterloosheid en de stijlloosheid van zoveel nieuwe gebouwen gevonden moet worden in het willekeurige gebruik van vormen uit het verleden. Het werd mijn levenswerk om op dit punt helderheid te krijgen. Maar hoe meer ik me met deze kwestie ging bezighouden, des te groter werden mijn moeilijkheden. Al snel beging ik de fout van pure, willekeurige abstractie, en ontwikkelde ik een bepaald werk slechts vanuit zijn onmiddellijke, triviale functie en vanuit zijn constructie. Dit leidde tot iets droogs en rigides, tot een gebrek aan vrijheid dat twee essentiële elementen helemaal uitsloot: het historische en het poëtische.

Ik ging verder met mijn onderzoekingen, maar heel spoedig was ik gevangen in een groot labyrint.'

Droog en rigide: niet veel architecten zullen dit over hun eigen werk zeggen. Het is ook wat overdreven. Het geldt niet voor zijn beste werk, zoals het Altes Museum, het Schauspielhaus en de buitenverblijven voor de Pruisische vorsten in en rond Potsdam. Maar de in 1830 ontworpen Nikolaikirche in Potsdam lijdt inderdaad aan een ongenaakbare strengheid en ook de vereenvoudigde baksteengotiek van verschillende van zijn andere kerken heeft iets onverbiddelijks.

Het laatste kabinet van de tentoonstelling is gewijd aan Schinkels slot Orianda op de Krim, dat hij in 1838 ontwierp voor tsarina Alexandra, de zus van de toenmalige Pruisische kroonprins Friedrich Wilhelm IV. Het is alsof Schinkel in dit ontwerp vluchtte voor de onoplosbare tegenstelling tussen functionalisme en schoonheid en geen rekening meer wilde houden met de praktische uitvoerbaarheid. Boven op een rots had hij een gigantisch classicistisch paleis gedacht, compleet met een grote binnentuin en onderaardse kelders. Het moest het "grootste keizerlijke huis op de wereld' worden. Maar de praktijk won: het ontwerp ging zelfs een tsarina te ver en men is niet eens begonnen met de bouw van Schinkels utopie.