Een dorpsgeschiedenis van Jacq Vogelaar; Het varken in ons

Jacq Vogelaar: De dood als meisje van acht. Uitg. De Bezige Bij, 301 blz. Prijs ƒ 34,50.

”Liever de katechismus dan Kaleidiafragmenten', schreef Jacq Vogelaar in 1974 honend over de passieve houding van zijn landgenoten tegenover het gedrukte woord. De lezende Nederlander, zo veronderstelde hij in het voorwoord van zijn essaybundel Konfrontaties, laat zich liever de wet voorschrijven en een kant en klaar wereldbeeld voorschotelen dan zich zelf in de materie te verdiepen en bij voorbeeld aan de hand van de door hem, de schrijver van Kaleidiafragmenten, aangeboden brokstukken te laten inspireren tot een heel wat verrassender visie op het leven. Het is een kwestie die hem is blijven irriteren, die lamlendigheid van de gemiddelde lezer. Want ook in zijn laatste essaybundel Terugschrijven (1987) liet hij zich erover uit. De ideale lezer, zo merkte hij vermanend op, is ”de uitvoerder van het scenario' dat de schrijver hem voorlegt.

Hij heeft een hekel aan luie lezers, maar ook aan schrijvers die zonodig voorschriften uit moeten delen en die precies weten hoe de vork in de steel zit; de schrijvers van wat hij het autoritaire boek noemt. Al evenmin houdt hij van literatuur die zich in een maatschappelijk vacuüm, in gesloten binnenkamers afspeelt en waarin de schrijver breeduit op de praatstoel zit om het bij voorkeur over zichzelf te kunnen hebben.

Vogelaar is altijd pleitbezorger geweest van de ook door hemzelf beoefende, ”moeilijke' literatuur, waarin ruimte is voor het volle en chaotische leven, voor ingewikkelde maatschappelijke verhoudingen en voor de verraderlijkheid en dubbelzinnigheid van de taal.

Dat hij zichzelf met maatschappijkritische werken in een steeds groter isolement manoeuvreerde werd echter steeds pijnlijker duidelijk. In een analyse van Vogelaars roman Vijand gevraagd (1967) wees Rein Bloem erop hoe lastig het parket was waarin hij zich bevond. “De tekst wordt er in al zijn openheid niet toegankelijker door, de paradox waarvoor een schrijver als Vogelaar steeds dwingender komt te staan, die het lezersbestand steeds kleiner ziet worden terwijl de aanval op maatschappelijke konventies steeds geladener wordt.”

Zelfs Vogelaar moest er een keer genoeg van krijgen om te schrijven voor anderhalve man en een paardekop. In 1984 verschafte hij zich een tweede literaire jeugd door als Koba Swart te debuteren met de tamelijk conventionele roman Nora. Een val. Toch kun je niet zeggen dat hij zichzelf verloochende met deze tegemoetkoming aan de lezer. Gebleven zijn de grimmige ondertoon, een argwanende blik op de leugenachtige wereld en de onwil van zijn personages om zich aan wie of wat dan ook te conformeren. Erg geslaagd was deze roman met zijn stroeve gepsychologiseer intussen niet, integendeel zelfs. Maar achteraf kan ik me wel met dit pseudo-debuut verzoenen, omdat het de opmaat blijkt te zijn geweest tot De dood als meisje van acht, een wonderlijk mooie, nieuwe roman waarin Nora pas echt aan haar val toekomt. Vogelaar eist er deze keer zelf de verantwoordelijkheid voor op, al wordt achterin het boek vermeld dat het is geschreven ”m.m.v. Koba Swart'. De Nora van toen en die van nu hebben overigens weinig meer met elkaar gemeen dan hun naam en een moeder die koeltjes met ”de moeder' wordt aangeduid.

Vogelaar is er in deze roman beter dan ooit in geslaagd om zijn ongenoegen over de gang van zaken in de wereld vorm te geven. De wereld is hier zo groot als het plaatsje Moorgat, waar het meisje Nora woont. Zij is een eenzaam en boos meisje omdat zij ongevraagd verzeild is geraakt in een wereld waarin zij zich niet thuis voelt en waarvan zij zich zo afzijdig mogelijk houdt. Bij de veelbetekende plaatsnaam Moorgat kan aan een modderpoel gedacht worden, of aan een zwart gat, maar ook aan een moordgat of moordkuil, want er vallen verschillende doden in dit verhaal.

Men kan zich dit Moorgat niet akelig genoeg voorstellen: een zompig oord vol achterbakse dorpelingen die samenspannen tegen alles wat afwijkt van hun bekrompen normen. Het varken - bij Vogelaar wel zo ongeveer de verpersoonlijking van het kwaad - wroet er wellustig in de modder rond.

De roman zet uitgesproken traag in, met lange, associatieve zinnen waarin de lezer kalmpjes een beetje kennis kan maken met een paar romanfiguren. Geleidelijk voert Vogelaar de snelheid op door de zinnen korter en bondiger te maken, en door eenvoudiger en spreektaliger woorden te kiezen. Vooral verhoogt hij de spannning door gaten te laten vallen tussen de alinea's en hoofdstukjes, zodat het verhaalverloop steeds raadselachtiger en grilliger wordt. Het is een merkwaardige sensatie die hij zo teweeg weet te brengen. Het lijkt alsof de roman zichzelf opzweept tot een steeds grotere verwarring en razernij, zodat een catastrofe tenslotte niet uit kan blijven.

Moerasvirtuoos

Dit moet wel ongeveer de schrijfwoede zijn waarop Vogelaar zinspeelde in het nawoord van Terugschrijven toen hij zichzelf omschreef als iemand met ”de pen in de aanslag'. In hetzelfde gepeperde nawoord betoonde hij zich afkerig van al te mooie literatuur, van ”glanzende zinnen'. Hieruit mag niet worden afgeleid dat Vogelaar er zelf maar wat op los zou schrijven. Want hoe modderig, drassig en klef deze Moorgatse geschiedenis ook mag zijn, een doffe woordenbrij is het bepaald niet, die Vogelaar presenteert. Net als zijn halve naamgenoot Jacques Hamelink betoont hij zich hier juist een ware moerasvirtuoos, onder andere wanneer Nora door een paar dorpsjongens in de modder wordt geduwd. “Het zwart drong haar neus binnen, sopte in haar oren, papte tegen haar oogleden, brobbelde haar mond binnen, knarste tussen haar tanden, ze moest kokhalzen en kon niet. Ze vocht terug, feller dan een kat, haar adem piepend als een rat, ze spartelde, kronkelde, maar de modder zoog harder, geholpen door het gewicht en het duwen van twee of drie van die vetlappen.”

Moorgat is een gevaarlijk oord voor de eenling; voor de zigeuner, de voddenjood, de zwerver en de kermisklant, maar ook voor kleine meisjes die zich niet aan willen passen en die ze dus, in de volksmond, zien vliegen. En vliegen, dat is nu precies wat Nora het liefst zou willen kunnen, uitstijgen boven de modderpoel van het leven.

De dood als meisje van acht is een vrouwengeschiedenis. Er komen wel mannen in voor, akelige types veelal, liefst met varkenssnuit en varkenshaar en een enkele zachtaardige man voor het contrast. Maar de meeste aandacht gaat uit naar de vrouwen, die trouwens ook niet altijd aan het varken in zichzelf weten te ontkomen. Behalve Nora is er de geheimzinnige moeder, en het mooie maar botte meisje Lydia op wie Nora verliefd is. De belangrijkste vrouw in het verhaal is ”de klomp vlees die door de naam Mona bijeengehouden werd'. Zij is de maat van alle dingen in deze roman. Zij is de onbetwiste koningin van het gezelschap, loodzwaar en vederlicht tegelijk, onbeweeglijk en rap. Zij trekt zich van niemand iets aan en valt dus ook niemand lastig, omdat zij genoeg heeft aan zichzelf. Een engel is zij, in de gedaante van een monster, maar vooral moet zij gezien worden als een godin, als een mythologische figuur. Nora herkent in haar de vrouwelijke pendant van Daedalus, van wie zij kan leren vliegen. Maar als Mona eindelijk opstijgt - voor het geestesoog van Nora althans - dan laat zij haar kans voorbijgaan.

Net zo min als Icarus is het Nora gegeven om het modderige labyrint te ontvluchten, laat staan om daarna als reuzenwolk een spectaculaire, want alles en iedereen verpletterende landing te maken. Haar val beperkt zich dan ook tot een door niemand opgemerkte plof uit een boom.