Drieling

Er was eens een schaapskooi, ergens in Drente, Met twee zwarte schapen; het was bijna lente. De een heette Loes, de ander Brutaaltje, Luister nu goed naar de rest van 't verhaaltje: Ik moet je wat vragen, zei Brutaaltje tot Loes, 'k Weet niet wat het is, ik leef in een roes, Ik voel me opeens zo merkwaardig van binnen! Toen antwoordde Loes: O, dan gaat het beginnen. Wat gaat er beginnen? zo kreunde Brutaal, Ik snap 't niet goed, 't is zo vreemd allemaal! Geduld maar, zei Loes, met haar snuit in het voeder, Begrijp je het heus niet? Lieve kind, je wordt moeder. 't Is waar, zei Brutaaltje, dat is het misschien; En te denken dat ik er zo tegenop had gezien. Daar ligt nu Brutaaltje met drie kleine lammetjes, Een hagelwit ooi en twee pikzwarte rammetjes. Dat is een gelukkig moment voor een schaap; Wat een schatjes, dacht Bruta. Toen viel ze in slaap.

- Ja, die beer is voor uw dochter, zei het dametje, speciaal voor haar, Heleen heet ze toch? Hij zit daar al een hele tijd op haar te wachten. Maar ze moet een ding beloven: dat ze hem weer hier terugbrengt als ze niet meer met hem speelt.

Vreemd, dacht Heleens moeder, ik kan me niet herinneren dat ik Heleen bij haar naam heb genoemd.