DONDER EN BLIKSEM

Ik maak nooit iets mee. Maar vroeger wel. Want toen heb ik eens een blikseminslag meegemaakt.

Ik zat op de achterbank van een auto, een Volkswagen Kever. Mijn vader zat achter het stuur. Ik keek naar buiten en zag niet veel, want het was donker en we reden op een provinciale weg zonder lantaarnpalen en het regende dat het goot, zodat de kleine Kever alleen met grote moeite zijn weg vond tussen de witte strepen op het asfalt.

Gelukkig zaten er koplampen op de auto. En ook zat er een kacheltje in, dus je kon lekker warm en droog naar de wolkbreuk kijken. Inmiddels was het ook gaan bliksemen en donderen. Aan de kracht van de knallen kon je wel horen dat het onweer in de buurt moest zijn. Ze hadden gezegd dat je de seconden tussen de flits en de knal moest tellen en dat je dan kon uitrekenen hoe ver het onweer weg was: iedere drie seconden stond voor één kilometer. Dus daar zat ik, kijkend, tellend, luisterend en hoofdrekenend - in die volgorde. Volgens mij reden we regelrecht richting onweer. Hoe zou het midden in een donderbui zijn?

De vraag stellen is haar beantwoorden. Want daar lichtte de weg al fel op, alsof duizend tl-buizen tegelijk aanflitsten, een nanoseconde * later gevolgd door een scheurende knal, alsof duizend bommen en granaten tegelijk tot ontploffing werden gebracht. Op hetzelfde moment passeerden we, in een bocht van de weg, een boerderij met een antenne op het dak. Gelukkig hadden ze daar de gordijnen opengelaten. Ik keek de huiskamer in en zag een tv-toestel waar een steekvlam uit kwam. En vijf mensen in een halve kring eromheen die, terwijl we er langs reden, verschrikt uit hun televisiestoelen omhoog aan het komen waren. Het Kevertje nam intussen behendig de bocht en dook weer de donkere nacht in.

“En zijn jullie toen niet gestopt en omgedraaid om te zien hoe dat afliep?” vroeg een vriend die ik vorige week dit verhaal vertelde. Die gedachte was niet bij me opgekomen. Je kon wel merken dat die vriend nog nooit bij zijn vader achterin een Kever naar een blikseminslag had gekeken. Nu moet ik er wel bij zeggen dat hij nogal bang is voor onweer. Ik niet. Zelf ben ik veel banger voor storm. Zeker als je in een gammel huis woont. Dat rukt maar aan het dak en aan de deuren alsof het niks is. Er kan van alles door de lucht gaan vliegen. Als je een raam dicht wil doen word je zo naar buiten gezogen. En vind dan de weg naar huis maar eens terug.

En nu nog even een gedicht. Het is van Jan Emmens en het gaat over storm en hoe angstig dat kan zijn, ook als je warm en droog binnen zit:

De storm die voor de kust van Schotland drie schepen deed vergaan in Holland twintig bomen heeft ontworteld en een boer gedood had voor mij slechts tot gevolg het akelig bewegen der gordijnen. * Een nanoseconde is een miljoenste seconde.