De vergiftigde bron van de nostalgie

Wat de onlangs overleden Beb Vuyk tegen de haren instreek was aanstellerij en gezwijmel met de mysterieuze Oosterse ziel. Herinneringen aan een schrijfster die jarenlang door de Indische gemeenschap in Nederland op schandelijke wijze is uitgescholden en belasterd.

Beb Vuyk belde mij eens woedend op in Parijs en vertelde briesend dat Rob Nieuwenhuys zich had laten fotograferen met een Javaans masker naast zijn gezicht; hij had er een heel verhaal aan opgehangen over de lichte en de donkere zijde van zijn zieleleven, de culturele erfenis die hij van zijn Soendanese baboe had mogen ontvangen en nog het een en ander. Dat was bij Beb Vuyk niet in goede aarde gevallen: zij had het land aan gedweep met het Geheimzinnige Oosten en de nostalgie die bijna automatisch geassocieerd wordt met mensen die afkomstig zijn uit het vroegere Nederlands-Indië. Vooral tegen deze nostalgie heeft zij zich vaak afgezet ("we spraken over het verleden - O niet uit nostalgie -') en zij verklaarde zelfs haar schrijverschap uit het feit dat zij er niet aan leed.

Toch is het de vraag of dat wel helemaal waar is. Er zijn in Beb Vuyks werk, ook in het latere, gemakkelijk passages aan te wijzen die getuigen van groot verlangen naar "het vaderland in de verte', "de gelukkigste tijd uit mijn leven' (op de Molukken), "de blauwe baai der dromen'. Toen we er eens een gesprek over hadden gaf zij zelf ook wel toe dat de mooiste passages in het werk van dezelfde Rob Nieuwenhuys toch aan de bron der nostalgie zijn ontsproten - en dito voor die van Alberts, Springer, Vervoort en zelfs Maria Dermoût, wier werk Beb Vuyk overigens niet onverdeeld bewonderde; in haar boeken en in interviews, zoals nog in het CS van vorige week, laat zij zich er altijd hoffelijk over uit, maar ik heb haar ook wel eens anders gehoord. Wat haar tegen de haren instreek was aanstellerij en gezwijmel met de mysterieuze Oosterse ziel, omdat dat kritiekloosheid aanmoedigt tegenover dingen die eigenlijk onaanvaardbaar zijn en er zo gemakkelijk een diepzinnig tintje mee kan worden gegeven aan allerlei oppervlakkigs. Beb Vuyk was net als bijvoorbeeld Sjahrir van mening dat een modern Indonesië niet bepaald behoefte had aan tradities van onderwerping aan onzichtbare krachten en in de reuk van heiligheid of tovenarij staande dode of levende personen. Omgekeerd vonden de voorstanders van de traditionele en koloniale verhoudingen dat nu juist altijd zo machtig interessant (en zo nuttig); je moest die dingen begrijpen ("iets dat een totok nooit zal kunnen') en eerbiedigen; het geleidelijke uitsterven ervan werd en wordt door hen altijd als een groot verlies gezien.

Nostalgie was in de ogen van Beb Vuyk voornamelijk nostalgie naar dit soort hocus-pocus en naar die verhoudingen, een terugverlangen naar de gezellige tempo doeloe waarin de Nederlanders het nog te vertellen hadden en de inlander zijn plaats kende. Het is zeker dat dit alles de Indische nostalgie een slechte naam heeft gegeven, maar dat gaat toch voorbij aan de essentie van deze aandoening, die net als het noodlot onschuldigen en rotzakken gelijkelijk treft, zonder voorkeur en zonder hoop op verlossing.

Het is waar dat Beb Vuyk bij uitstek te maken heeft gehad met het deel van de werkelijkheid dat systematisch uit het beeld van de goede oude tijd in Nederlands-Indië wordt weggelaten. Je hoort nu weinig meer over de manier waarop de mensen elkaar daar het leven zuur wisten te maken en aan de hand van groteske criteria op elkaar neerkeken. "Hanks vader is een Indo en een verbitterd man, sedert de verwachte bevordering is uitgebleven en een jong Hollander, nog niet lang op de onderneming, is benoemd', zo begint de novelle Vele namen). Zulke dingen hebben Beb Vuyk en haar man aan den lijve meegemaakt. In een interview met W.M. Roggeman heeft Beb Vuyk een typisch Nederlands-Indisch conflict met het bestuur beschreven, zoals er ontelbare geweest moeten zijn. De aanleiding was een zin, voorkomend in Het laatste huis van de wereld, luidend: "Helaas was mijn man zo onervaren om een Resident der Molukken op zijn woord te geloven.'

Indische bestuursambtenaren waren locale potentaten en als je een slechte trof was die in staat, vooral op de buitengewesten, "het leven ondraaglijk te maken aan Indonesiërs en Europeanen', zoals Beb Vuyk heeft geschreven. De Resident die zij beschreven had was danig in zijn wiek geschoten, maar werd niet lang daarna overgeplaatst. Toen zijn opvolger er van hoorde moet deze gedacht hebben dat hij, voor hem ook zoiets overkwam, eens even zou "optreden'. Nog voor Beb Vuyk aan het eerste hoofdstuk van haar volgende boek was begonnen kreeg zij bericht van de nieuwe Resident dat hij had overwogen haar te vervolgen wegens belediging van zijn voorganger. Hij had daar genadiglijk van afgezien, maar zij moest niet denken dat hij een recidive zou tolereren: dan zou er een strafvervolging worden ingesteld. Met zulke verhalen zouden boekdelen kunnen worden gevuld, en dan waren de bestuursambtenaren nog de fatsoenlijkste groep in de Indische samenleving.

Staatsgevaarlijk

In Het hout van Bara komt een ander geschil voor, ditmaal met de plaatselijke Gezaghebber. In het vorig jaar verschenen Schrijversprentenboek getiteld In Indië geweest is in facsimile een fragment opgenomen van een brief van Beb Vuyk aan E. du Perron, gedateerd 29 Juni 1938, waarin zij deze man beschrijft: "De Gezaghebber is een kerel opgezwollen van N.S.B.-waanzin, afkomstig uit een heel eenvoudig Limburgsch milieu, direct na zijn eindexamen H.B.S. naar Indië gekomen en vanaf zijn twintigste jaar heerschend met de absolute macht van een middeleeuwsch vorst en de vulgaire geest van een winkelbediende." Wat hier en passant ter sprake komt en waarover zowel bij Du Perron als in het dagboek van Sjahrir boeiende details zijn te vinden, is de populariteit van de N.S.B., die in die tijd in Nederlands-Indië veel aanhangers had, evenals de Vaderlandse Club, van vergelijkbaar allooi. (Waar zijn die allemaal gebleven? Wel uit Indië vertrokken maar nooit in Holland aangekomen, zei Beb Vuyk eens tegen me).

Mensen als Beb Vuyk daarentegen golden in Nederlands-Indië als staatgevaarlijk. Jaren later, tijdens de Ambonese treinkaping - zij en haar man woonden al een tijd in Holland - belde zij de politie op omdat zij zich als tegenstandster van de RMS bedreigd voelde. In een interview vertelde zij hoe de politie haar adviseerde een bepaald nummer te bellen: "En zo kwam ik in contact met een man die zei: "Ja, we kennen u wel. We noemen u Vuykie.' Wat bleek? Ze hadden mijn dossier, opgemaakt door de PID (Nederlands-Indische politieke inlichtingendienst), naar de BVD gestuurd'. In Nederland werd zij namelijk als een collaborateur beschouwd naar aanleiding van haar sympathie voor de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. Zoals zij ook weer aan Caroline van den Heuvel vertelde werd haar na de oorlog op initiatief van Top Naeff en Martinus Nijhoff de Van der Hoogt-prijs, die haar in 1942 was toegekend voor Het laatste huis van de wereld, aanvankelijk onthouden. Zij had immers gecollaboreerd, met de Republiek Djokja.

Infaam

Dergelijke dingen maken begrijpelijk dat het begrip "nostalgie naar tempo doeloe' voor Beb Vuyk niet bepaald vertederende associaties oproept. Zij is nog jarenlang door de nostalgische leden van de Indische gemeenschap in Nederland op schandelijke wijze uitgescholden en belasterd. Zo verscheen in Elseviers weekblad van 9 Januari 1960 een infaam artikel, waarin er bij de Minister van Justitie op werd aangedrongen haar naar aanleiding van haar keuze voor de Indonesische nationaliteit en als sympathisante met Soekarno en het communisme het land uit te zetten: "Met andere woorden', schreef H.A. Lunshof, "toen de Indonesische regering onze bezittingen stal, haar schulden niet betaalde en 36000 Nederlanders als honden op straat smeet, vond Beb Vuyk aanleiding om de kant van Soekarno te kiezen, die trouwens nu reeds genoeg van haar begint te krijgen. Wij hebben het allang.' De doortrapte lasterlijkheid van die aanval was de beschuldiging van sympathie met Soekarno en het communisme, terwijl Beb Vuyk juist uit Indonesië was vertrokken als tegenstandster van Soekarno, die haar medestanders Sjahrir en Mochtar Lubis al in de gevangenis had laten opsluiten; het was juist uit protest tegen Soekarno's toenaderingen tot het communisme dat zij wegging.

Dit alles maakt haar afkeer van de tempo doeloe-nostalgie begrijpelijk; ik heb trouwens zelf ook weinig aanleiding om voor dit type de nostalgie belijdende oud-Indischmensen sympathie te voelen; en toch is het verlangen naar de tijd die ik in mijn geboorteland heb doorgebracht iets onontkoombaars, en zelfs iets waarvan ik geen afstand zou doen als ik het kon. Dat houdt niet in dat ik naar de vroegere verhoudingen terugverlang; integendeel, wat ik me daarvan herinner vervult me met schaamte en weerzin. Maar een van de bestanddelen van die nostalgie is nu juist verscheurdheid en ik denk dat geen ander dat zo intens heeft ondergaan als Beb Vuyk zelf. Nostalgie, het gevoel dat ik eens heb beschreven als "de weg weten in een huis dat niet meer bestaat' - dat is per definitie een uitzichtloze emotie, zonder nut, zonder zin, zonder troost. Dat niet meer bestaande huis, dat is het laatste huis van de wereld waar Beb Vuyk zelf in gewoond heeft; en het bestaat ook inderdaad niet meer (het werd in de oorlog door de Japanners als benzinedepot gebruikt en door een Amerikaans bombardement vernietigd). In dat licht zie ik ook haar vasthouden aan haar Indonesische nationaliteit, nadat eerst het regime van Soekarno en daarna dat van Soeharto incompatibel bleken met het (bescheiden) ideaal van een Indonesische democratie. Het betekende: dáár is mijn hart, en niets kan dat veranderen. Het ontroerde mij daarom dat er leden van de Indonesische ambassade aanwezig waren op Beb Vuyks crematie. Het had iets troostends, een teken van verzoening, iets van: we laten elkaar toch nooit in de steek.