De ster

Zoveel hoeden heb je nog nooit bij elkaar gezien. Je kunt ze niet allemaal tellen, omdat de voet van de ene toren achter de andere schuilgaat.

Het zijn er minstens honderdvijftig. Door wie zullen ze worden gekocht? Je probeert het je voor te stellen, net als in een schoenenwinkel, wanneer een deftige heer op glimmende zwarte schoenen de zaak uitstapt. De andere zitten nog keurig in witte dozen of staan al even netjes op de grond. Welke kant zullen ze eens opgaan?

De zwarte hoeden zien er een beetje vreemd uit. Je hebt ze nog nooit eerder gezien. Misschien zijn ze net een beetje in de mode geraakt. Straks zie je er in een café vast een op een kapstok liggen. De andere uit de werkplaats kom je op straat tegen, met grote tussenpozen, want niet iedereen draagt een hoed.

Vooral de zwarte hoeden herken je gemakkelijk. Maar ook de andere, met de smalle randen, ontgaan je niet. Nadat ze zo stijf op een plank hebben gelegen, genieten ze nu van hun eigen beweeglijkheid. Ze schieten langs etalages en taxistandplaatsen, je ziet ze bij het beeld van de kleine zeemeermin aan de haven en natuurlijk cirkelt er een door een windstoot naar de grond.

's Nachts komen ze binnen tot rust. Je zou willen weten waar ze dan terecht zijn gekomen. De meeste waarschijnlijk in huizen van de stad, waar de hoedenmakers werken. Hun werkplaats grenst aan de de winkel. Ook reizigers en dagjesmensen doen er hun inkopen. Daardoor zijn sommige hoeden de stad uit gegaan en over het land verspreid geraakt. De kwaliteit van de hoofddeksels wordt zelfs in het buitenland geroemd.

Van al die huizen zou je een lijn naar de winkel van de hoedenmakers willen trekken. Het zou op papier een ster worden met korte en langen stralen. Een ster met als middelpunt het oude Kopenhagen van Hans Christian Andersen, waar je op een dag in 1912 hebt rondgelopen. In dat jaar werd de foto gemaakt.