"De rechterlijke macht heeft haar eigenbelang te lang verwaarloosd'; Enquête: magistraten ontevreden over loon en relatie met Justitie

DEN HAAG, 6 SEPT. De rechterlijke macht verkeert in een crisis. Blijkens een vandaag gepubliceerde enquête over hun rechtspositie zijn magistraten wel tevreden over de inhoud van hun werk, maar daarmee houdt het op. Hoewel zeventig procent van de ondervraagden zegt “niet voor het geld te werken”, wordt er gemord over het inkomen. Bovendien vertrouwt men “de baas” niet: het ministerie van justitie wordt met argusogen bekeken. En als klap op de vuurpijl blijkt de actiebereidheid verrassend groot: men vindt dat de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) “machtsmiddelen” moet gebruiken om looneisen kracht bij te zetten. En dat betekent een aardverschuiving voor een beroepsgroep die nog altijd de derde macht vertegenwoordigt in het staatsbestel.

De voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Haagse rechtbankpresident mr. A.H. van Delden, lijkt zich wat ongemakkelijk te voelen in zijn nieuwe rol van vakbondsvoorzitter. Hij tracht de scherpe contrasten van het beeld dat oprijst uit de enquête te verzachten. “Ik denk dat er nog geen sprake is van een crisissituatie, maar dit is wel een signaal dat er iets aan de hand is.”

Men voelt zich overbelast, onderbetaald en men droomt van andere banen. De conclusie kan alleen maar zijn dat er iets grondig mis is in de rechterlijke macht.

“Op zich kan het een gezonde situatie opleveren dat mensen niet vastgebakken zitten aan hun baantje. Waarom zou iemand die op zijn vijfendertigste rechter wordt altijd bij de rechterlijke macht moeten blijven? Het gevaar zit er alleen in dat de rechterlijke macht haar aantrekkingsmacht verliest voor goede juristen. Wat ook wel zorgen baart is dat zoveel mensen tegelijk kennelijk zo serieus overwegen uit te treden. Als men er echt collectief de brui aan zou geven dan zou dat inderdaad desastreus zijn. Daarom moet er nu ook een dam opgeworpen worden. Maar op dit moment zou ik de situatie zorgwekkend noemen. Het is een verkeerde interpretatie om te zeggen dat er iets grondig mis is.”

Maar de onderzoekers concluderen dat er sprake is van een verstoorde relatie tussen een ruime meerderheid van de rechterlijke macht en het ministerie van justitie. Hoe beoordeelt u dat?

“Goed, daar moeten we inderdaad niet omheen draaien: daar moet iets aan gedaan worden. De vereniging moet nu eerst de prioriteiten vaststellen binnen de gesignaleerde knelpunten en vervolgens de minister vragen wat hij denkt er aan te gaan doen. Er is op dit moment nog geen reden om naar de Tweede Kamer te gaan. Ik denk dat ook de minister van justitie dit rapport heel goed tot zich zal laten doordringen. In het geval dat we onbevredigende antwoorden zouden krijgen, zullen we ons desnoods over het hoofd van de minister heen met de Kamer verstaan. Maar op dit moment is daar nog geen enkele reden voor.”

Het is niet duidelijk hoeveel meer men wil verdienen. Kunt u daar concreter over zijn?

“Je hebt altijd twee groepen die naar elkaar kijken: de advocatuur en de rechterlijke macht. Het probleem is dat er enorme verschillen zijn in de beloning van advocaten. We willen ons inkomen natuurlijk niet afmeten aan dat van de allergrootste advocaten. Dat is niet reëel, maar we moeten ieder geval onze concurrentiepositie bewaken, zodat je de advocatuur recht in de ogen kunt blijven kijken. Hetzelfde geldt voor de bedrijfsjuridische diensten van de grote bedrijven. Dat is een kwestie van nader onderzoek en daar ligt voor Justitie een taak om dat te onderzoeken.”

Hoe ziet u de functie van uw vereniging in de komende discussie met het departement over de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren?

“Het is iets van de laatste jaren dat de NVvR zich in toenemende mate met de rechtspositie van de leden is gaan bezighouden. De rechterlijke macht telt in totaal zo'n 1.800 mensen waarvan negentig procent lid is van de NVvR. De meeste leden hebben een ambivalente houding ten opzichte van de taak van de NVvR. Dat zit in beetje ingebakken in de zeer weloverwogen wijze waarop rechters over hun eigen positie nadenken. Daarbij vinden ze aan de ene kant wel dat er iets aan hun rechtspositie verbeterd kan worden, maar dat het aan de andere kant veel belangrijker is dat het goed gaat met de rechtspleging in het algemeen. En dan zijn de mensen soms te veel geneigd om hun eigen belangen maar wat op de achtergrond te plaatsen. Maar het algemeen belang en het eigenbelang zijn communicerende vaten. Als je al te lang je eigenbelang verwaarloost, ontdek je opeens dat je in een beroepsgroep zit die in stilstaand water terecht is gekomen. En dan zit je fout.

“Vroeger was de Vereniging voornamelijk een gezelligheidsclub die zich ook wel bezighield met de belangen van de rechtspleging op een zeer hoog niveau, maar die alles wat de eigen rechtspositie betrof als een platvloerse aangelegenheid beschouwde. Dat is veranderd omdat de samenstelling van de rechterlijke macht in de loop der jaren is gewijzigd. Vroeger kwamen de leden - überhaupt mensen die studeerden - toch in belangrijke mate uit de groepen die niet het allerslechtst af waren in de samenleving. Daar was de rechterlijke macht dan weer een afspiegeling van. En binnen die groep was geld niet het allerbelangrijkste gespreksonderwerp. Uit deze enquête blijkt gelukkig dat dat nog steeds niet zo is, maar geld wordt wel als iets wezenlijks gezien. Overigens blijft het teleurstellend dat dit soort zaken wel door de NVvR is opgepikt en niet door het ministerie van justitie. Maar het vervolg moet nu toch zijn dat het departement goede perspectieven creëert voor de leden van rechterlijke macht: ten eerste dat het intreesalaris behoorlijk is, maar ook dat er voldoende promotiemogelijkheden binnen de rechtelijke macht komen.”

Bij een dergelijk "modern' personeelsbeleid horen ook functioneringsgesprekken en dat is een beladen onderwerp voor rechters: ze zijn immers onafhankelijk.

“Dat ligt inderdaad gevoelig, maar het zou te gek zijn als personeelsbeoordelingen niet op een of andere manier zouden kunnen gebeuren. Je moet toch op gezette tijden aan iemand kwijt wat er over zijn of haar functioneren in omloop is. Als er van een rechter gezegd zou worden dat hij niet goed is voor zijn vak moet hij er juist in het kader van een promotietoets toch een keer mee worden geconfronteerd. Dat lijkt me heel zinnig, juist voor mensen die in een onafhankelijke positie verkeren. Binnen de rechterlijke macht is een aantal jaren geleden al wel afgesproken - en de meeste rechtbanken houden zich er aan - dat er op gezette tijden zogenoemde loopbaanprognosegesprekken worden gevoerd. Uit de enquête blijkt nu, en dat heeft me gefrappeerd, dat rechters die beoordeling ook willen. Tot dusver maakte niemand zich er echt druk over, maar nu kunnen we dat nastreven zodat het ook echt goed gedaan wordt. De beoordeling van personen gebeurde toch altijd wel in de wandelgangen, daarom is het goed dat men niet langer de kop in het zand wil steken. Het zijn allemaal tekenen van een verzakelijking van de rechterlijke macht.