De legende van Parijs-Brest-Parijs

“Waar kom jij vandaan?” Omdat we net weer een heuvel gaan beklimmen schakel ik even terug, voor de zoveelhonderdste keer. “Uit de buurt van Rotterdam, in Nederland.” “Een vlak land, net als bij ons, in Florida. Ik kom uit Miami, ik heet Peter.” “Jan.” “Nice to meet you, Jan.”

Peter en ik fietsen, met nog een drieëneenhalfduizend anderen, van Parijs naar Brest. Stuurtas, zadeltas, rugzak, verlichting, want we zullen een dag of drie onderweg zijn.

Parijs-Brest-Parijs fietsen is een legende beleven die precies honderd jaar geleden ontstond. Charles Terront was toen het eerst terug en werd op slag een beroemdheid. Sindsdien is de rit gereden als race, de laatste decennia steeds als toertocht. En wie echt wil meetellen als toerfietser, moet PBP, zoals men half liefkozend zegt, ooit een keer hebben gereden. Maandagavond om tien uur zijn we vertrokken, twee uur na de allersnelsten. Binnen negentig uur moeten we terug zijn, een volgestempeld controleboekje rijker.

Van dorpje naar dorpje, overal mensen langs de weg met water en "courage'. Heuvel op, heuvel af, en niet aansluiten bij groepjes die sneller zijn, want dan verspeel je je krachten, en die zul je nog hard nodig hebben. Op tijd drinken, ook al heb je geen dorst. En eten, vloeibaar eten, wat mij betreft, dat kleeft en al lang nergens meer naar smaakt. Rusten moet je ook doen. Ik stap 's ochtends om half vijf af, rol mijn slaapzak uit in een weiland, zet mijn wekkertje op half zeven en slaap in, het laatste dat ik hoor zijn zacht pratende mensen, piepende remmen en tikkende versnellingsapparaten.

Dan is het licht, wordt het warmer, tegen de dertig graden, en we gaan maar door. In mijn liezen begint langzaamaan een schrijnend gevoel op te komen, straks maar eens een andere broek aandoen, voorlopig moet een klodder uierzalf helpen.

Bij de stempelposten, om de tachtig, negentig kilometer, heerst een bijna serene rust. Overal staat een deel van de ongeveer vijftienhonderd vrijwilligers klaar om ons te helpen. Er is volop eten, tegen schappelijke prijzen, er is een fietsenmaker, je kunt slapen op schuimrubber matrassen in gymzalen.

Het landschap is onveranderlijk mooi, in het felle zonlicht. Maar rond de middag besef ik, dat erg veel mooi landschap eigenlijk vooral erg veel is. Ik weet intussen ook, dat fietskoeriers in Toronto een diploma moeten hebben, en een kenteken op een fiets, dat Canadese meisje heeft het me zelf verteld. En dat in Noorwegen bij soortgelijke temperaturen, de wind meestal voor wat verkoeling zorgt. En dat Fransen verkeersdrempels slapende agenten noemen.

Halverwege dinsdagmiddag kom ik in Fougères, M. wacht al een paar uur, begint flink bruin te worden. Ze vet een schone broek in, ik vervang een band die net voor het afstappen leegliep. Even rusten, nieuwe bidons met eten en vers water in de houders en voort maar weer. Zes man van de PTT uit Marseille onderhouden een leuk tempo, in zulk gezelschap zal ik Brest wel halen, en dan is de terugweg nog maar zeshonderdvijf kilometer. Een Engelsman begint, zonder directe aanleiding te vertellen hoe leuk deze tocht wel is, die behulpzaamheid, die mensen langs de weg, de voorzichtigheid van die enkele automobilist. Hij heeft gelijk.

Het wordt weer donker, mijn dynamo werkt niet meer, de batterijlamp geeft te weinig licht om nog met zestig, vijfenzestig kilometer per uur af te dalen. Het geeft niet, want we hebben geen haast. Om kwart over tien hoor ik honderd, honderdvijftig meter voor me juichkreten opgaan, ik zie felle koplampen aankomen. De allersnelsten! Op de terugweg, achthonderd kilometer hebben ze er al op zitten! Wonderlijke machines lijken het, maar half zichtbaar in het maanlicht. Geïnspireerd zetten we nog eens aan, nog twintig kilometer tot de controle in Loudéac. Daar heeft M. hopelijk een hotelkamer gevonden, waar ik vier uur wil slapen. Bij het afstappen is daar die snerpende pijn aan het zitvlak. Een douche, en dan eens kijken wat het is. Het is niet om aan te zien, zegt ze. Dus de speciale zalf voor een snel herstel er maar op, de wekker gezet en slapen. Vier uur later is de pijn niet weg, er zijn zwellingen bijgekomen, verder rijden zou onzin zijn, ook die lichaamsdelen waarover je in gezelschap niet zo gemakkelijk spreekt hebben hun grenzen.

Per auto gaan we naar Brest dat inderdaad, zoals de folder van het Office du Tourisme tussen de regels door al zegt, de toerist weinig te bieden heeft. Het oorlogsgeweld in 1944 heeft te veel stuk gemaakt.

Donderdagmiddag zijn we weer in Saint Quentin en Yvelines, waar ik was gestart. Overal liggen en zitten mensen te slapen, op het mededelingenbord hangt een lijst van de eerst aangekomenen. Scott Dickson was, net als vier jaar geleden, het eerst terug, na bijna vierenveertig uur.

In de gymzaal van het sportcomplex slapen mensen op matrassen, stuk voor stuk bruin geblakerd. Achterin de zaal ligt een man bewegingloos op zijn rug. Een verpleger van het Rode Kruis trekt hem zijn broek uit. Er komt een verpleegster naast hem hurken, een schaal dampende vloeistof bij zich. De verpleger rolt de man op zijn buik, de verpleegster dept een doek in het water en wrijft voorzichtig over zijn zitvlak. Onwillekeurig knijp ik mijn benen samen. Dat doet vreselijk pijn.

In de sporthal zie ik mensen elkaar zwijgend omhelzen. Het blijkt dat je ook staande slapen kunt. Over vier jaar is er weer een PBP.