Biografie van Patrick White; Razend om kritiek, bang voor complimenten

David Marr: Patrick White. A life. Uitg. Jonathan Cape, 727 blz. Prijs ƒ 78,20 geb.)

De romans van Patrick White zijn zeer dik, maar dikker nog is de biografie die David Marr over hem heeft geschreven. Alles staat erin, behalve een bibliografie. Wie zou willen weten wat anderen over White hebben geschreven, en wat Marr daarvan vindt, wordt door dit boek niet wijzer. De reden voor dit in het oog springende gemis is waarschijnlijk dat studies als die van R.F. Brissenden, Geoffrey Dutton, John Colmer, Alan Lawson zich voornamelijk bezighouden met het werk van White, terwijl Marr nadrukkelijk zegt dat hij alleen White's leven beschrijft. Het gaat hem niet om een analyse of interpretatie van het werk, maar om de voedingsbodem ervan. Waar kwam zijn schrijven vandaan, vraagt hij zich af, en wat heeft White tot schrijver gemaakt? De tweede vraag is nog moeilijker te beantwoorden dan de eerste, en het is een buitengewone prestatie van Marr dat hij met behulp van, of misschien ondanks de overstelpende vracht materiaal die hij heeft verzameld, een helder beeld weet te geven van de wordingsgeschiedenis van White's werk. Steeds weer komt hij daarbij terug op de uitzonderingspositie die White in zijn familie innam.

Patrick White werd in 1912 in Londen geboren. Zijn ouders waren zeer rijke Australische grootgrondbezitters. Zijn vader en de vijf broers van de vader bezaten enorme boerderijen in New South Wales waarvan de grootste nog net iets groter was dan België. Literaire belangstelling kwam in die familie niet voor. De gesprekken gingen over schapen, het weer, renpaarden en sport. Wel nam zijn moeder hem al heel vroeg mee naar de schouwburg waar hij op zijn zesde The merchant of Venice zag. Die ervaring was zo overweldigend, beangstigend en verrukkelijk tegelijkertijd, dat het toneel zijn grote en blijvende liefde werd. Hij wilde toneelspeler worden maar zag al gauw in dat hij daar te stijf voor was. Als compensatie heeft hij zijn hele leven lang voor het toneel geschreven, met sterk wisselend succes. Zijn romans schreef hij met de grootst mogelijke tegenzin - een onontkoombare ziekte, noemde hij het - maar aan zijn toneelstukken werkte hij altijd met veel plezier.

Door zijn passie voor het bedenken en opvoeren van toneelstukjes, zijn astma, zijn overgevoeligheid, zijn afkeer van sport en zijn ingekeerdheid viel hij als kind meteen al uit de toon bij de familie. Toen hij zeven was, hoorde hij een vriendin van zijn moeder zeggen dat hij wel een "changeling' leek, een ondergeschoven kind. Hij zocht het woord op en was diep geschokt maar had ook het gevoel dat er nu een kans op ontsnapping bestond. Zijn vader probeerde nog hem te laten opleiden tot schapenboer maar daar kwam niets van terecht. White verveelde zich geweldig en begon te schrijven om de verveling te verdrijven. Al gauw ontsnapte de changeling naar Cambridge waar hij Frans en Duits ging studeren.

Lang daarvoor, op zijn dertiende of veertiende - White wist het zelf niet meer precies -, was het hem duidelijk geworden dat hij homoseksueel was. Dat vervreemdde hem nog meer van zijn ouders en verdere familie. In zijn autobiografie, Flaws in the glass (1981) schreef hij dat zijn homoseksualiteit nooit een kwestie van onzekerheid, aarzeling of keuze was geweest: "I was chosen'. Dat betekende niet dat hij er plezier aan beleefde. Hij reageerde op zijn ontdekking met angst en afschuw van zichzelf. Van die angst is hij volgens Marr afgekomen, van die afschuw nooit. Als jongen al probeerde hij te analyseren wat hem anders maakte dan de anderen, en hij concludeerde dat zijn persoonlijkheid een sterk vrouwelijke inslag had. Heel veel later heeft hij die conclusie vorm gegeven in een van zijn beste romans, The Twyborn affair van 1979.

Na het eind van zijn studie in 1935 ging hij naar Londen waar hij tevergeefs naam probeerde te maken als toneelschrijver. Ook voor de drie romans die hij als leerling schapenfokker had geschreven, kon hij geen uitgever vinden, totdat George Harrap in 1939 eindelijk Happy Valley accepteerde. Het boek werd in Engeland niet ongunstig ontvangen, al vond men dat er teveel Lawrence en Joyce in zat. In Australië kreeg hij de wind van voren om zijn negatieve houding tegenover het eigen land, terwijl het boek in Amerika een groot succes werd. Het gevolg was dat White in het begin zijn boeken eerst in Amerika liet verschijnen en pas met een tussenpoos van jaren in Engeland en Australië, als bescherming tegen negatieve kritiek. Bij elk nieuw boek werd hij razend over iedere aanmerking, maar het is typerend voor zijn persoonlijkheid dat enthousiaste besprekingen hem bang en onzeker maakten. Hij had het gevoel dat lof tot zijn ondergang als schrijver zou kunnen leiden. Hij zag de wereld als vijandig en om te kunnen schrijven moest dat zo blijven.

Overdrijving

White beschouwde zichzelf als een universele lijder: als astmapatiënt, als homoseksueel, als buitenlander en als kunstenaar. Allemaal waar, maar het is ook waar dat hij jarenlang geen last van zijn astma had, dat hij bijna vijftig jaar lang een volkomen toegewijde partner had in Manoly Lascaris, dat hij noch in Engeland noch in Australië als buitenlander werd gezien en dat zijn omgeving hem als schrijver nooit een strobreed in de weg heeft gelegd. Met die indeling bij minderheden zal hij geprobeerd hebben een rationele verklaring te geven voor zijn grenzeloze misantropie. En hij was eerlijk genoeg om toe te geven dat hij in dit opzicht niet helemaal vrij was van overdrijving. Anderen dan Marr hebben ook wel opgemerkt dat er in alle rancunes en ruzies van White, in de angstaanjagende woedeaanvallen waarbij de vrouwen in tranen uitbarstten en de mannen de kamer uit stormden, ongetwijfeld een stukje theater zat.

Merkwaardig is het dat White, die altijd alle prijzen en alle eerbetoon afwees, er wel op belust was de Nobelprijs te krijgen. Hij werd een paar maal kandidaat gesteld en kreeg de prijs in 1973, drie jaar na het verschijnen van zijn beste roman, The vivisector. Heel mooi is Marrs verslag van de aankondiging. De Zweedse ambassadeur in Australië kon het telefoonnummer van White niet vinden, maar de pers wist waar hij woonde en de journalisten dromden om zijn huis heen, waar het, kort na negen uur, al donker was. White liet zich niet zien maar Lascaris stak zijn hoofd uit het raam en riep: “Komen jullie in de ochtend maar terug.” De journalisten gingen op het grasveld kamperen en White sloop in het donkere huis naar beneden om whisky te halen. De volgende ochtend begon het circus en liet White zich grommend interviewen. Toch, zegt Marr, wisten al zijn vrienden dat hij dolblij was. Dat neemt weer niet weg dat hij de prijs al gauw "een destructieve ervaring' noemde. Hij ging ook niet naar Stockholm maar zond zijn vriend, de schilder Sidney Nolan, als afgevaardigde. Het geld gaf hij weg. Hij stichtte er een fonds mee voor oudere Australische schrijvers die financiële problemen hadden. De eerste die gesteund werd, was Christina Stead, de schrijfster van The man who loved children. White mag dan rancuneus geweest zijn, genereus was hij ook, en behalve zijn fonds instigeerde hij ook beurzen voor "aboriginal' studenten, gaf aan de Aboriginal Dance Company, aan het Rode Kruis, aan nieuwe toneelgezelschappen, aan Greenpeace en een paar nieuwe politieke partijen.

In het jaar van de Nobelprijs verscheen The eye of the storm, de grote roman over de dood van zijn moeder, en daarna nog A fringe of leaves, over de legendarische Mrs. Fraser die door een stam van aborigines als slavin werd gebruikt, en The Twyborn affair. In de jaren tachtig schreef hij nog een korte, amusante roman, Many in one, en de autobiografie waarin hij op opzienbarende en uitzonderlijk venijnige manier afrekende met oude vrienden en vijanden. Flaws in the glass heette het boek - Claws in the arse werd het meteen al genoemd. Marr gaat wel in op het schandaal dat dit boek veroorzaakte maar er komt geen woord van kritiek uit zijn pen. Marr staat altijd aan de kant van White. Elke keer dat White een vriendschap afbreekt of een ruzie begint, hoor je aan de toon van Marr dat hij ook vindt dat de ander verwerpelijk is.

Zware symboliek

Op dezelfde manier onthoudt hij zich van alles wat zou kunnen zwemen naar kritiek op White's literaire werk. De criticus die een boek van White gunstig bespreekt, is voor hem per definitie intelligent en gevoelig. Wie bezwaar heeft is provinciaal of bang om zich in de vingers te snijden. Het schijnt niet bij hem op te komen dat White's gemaniëreerde stijl, zijn zware symboliek en zijn geforceerde opeenstapeling van ellende en onsmakelijkheden ook bij serieuze en integere critici op weerstand kan stuiten. Alle boeken van White zijn voor hem even meesterlijk. Nooit zal hij toegeven dat Voss zeer langdradig is of dat in The eye of the storm alle spanning uitblijft. Voor hem staan ze op precies dezelfde hoogte als de meest geslaagde romans: The vivisector, waarin een schilder alles werkelijk met schildersogen ziet zonder dat de schrijver dat er steeds bij zegt, en The Twyborn affair, de bijzonder knappe uitbeelding van seksuele ambivalentie.

White heeft zijn persoonlijke leven altijd afgeschermd en zich voortdurend verzet tegen alle biografisch gesnuffel. Marr daarentegen heeft zijn medewerking gehad en kon daardoor vijfentwintighonderd brieven verzamelen die met elkaar een beeld geven van de complexiteit van White's persoonlijkheid, van zijn wraakzucht en vergevensgezindheid, zijn schrielheid en royaliteit, zijn teruggetrokkenheid en zijn behoefte aan sociaal verkeer, zijn minachting voor het schrijversvak en zijn verlangen naar erkenning. In 1990, twee maanden voor de dood van White, liet Marr hem het manuscript lezen. Hij had duidelijk de goede toon getroffen want White corrigeerde alleen een aantal spelfouten en onjuiste details. Verder hoefde er geen letter veranderd te worden.