"Zwijgen over racisme verhindert strijd ertegen'

LEIDEN, 5 SEPT. “Ik word er langzamerhand zo moe van. Elk argument dat jij inbrengt tegen de stelling dat het racisme in Nederland toeneemt, maakt jou tot een racist. Dat maakt de discussie hierover tot een hopeloze zaak”, zegt dr. R.C. Kloosterman, werkzaam bij het economisch geografisch instituut van de Universiteit van Amsterdam waar hij onderzoek doet naar werkgelegenheidsvraagstukken.

“Je kunt problemen als racisme en discriminatie in Nederland niet op een zakelijke manier aan de orde stellen omdat men zich meteen persoonlijk aangesproken voelt. Hier wordt gezegd: racisme is slecht, dus wij discrimineren niet. Het gebeurt in Nederland natuurlijk wel, maar omdat men het moreel verwerpelijk vindt wordt er niet goed over gediscussieerd en dus is het zo moeilijk te bestrijden”, zegt drs. C. Choenni, verbonden aan de Universiteit van Utrecht en bezig met promotie-onderzoek naar de integratie van allochtonen in de krijgsmacht.

Choenni is een van de sprekers tijdens de vierdaagse conferentie over "Racisme en de arbeidsmarkt in historisch perspectief' die vandaag in Leiden is begonnen. Omdat Kloosterman als voorzitter optreedt wil hij niet nu al de degens kruisen met Choenni die in zijn bijdrage ondermeer stelt dat er sprake is van structureel racisme op de Nederlandse arbeidsmarkt waardoor volgens hem eenderde van de werkloze Turken en Marokkanen niet meer aan bod zullen komen. “Ik wacht tot zaterdag, als hij gesproken heeft.”

Dan zal waarschijnlijk ook J. Beerenhout, lid van de projectgroep sociale vernieuwing aanwezig zijn. Evenmin als Kloosterman ontkent Beerenhout dat in Nederland, net als elders in de wereld, discriminatie voorkomt. “Maar ik laat mij niet door een Turk of een Marokkaan zeggen dat het mijn schuld is of de schuld van de Nederlandse overheid dat zij aan de onderkant van de samenleving zijn blijven steken. Dan vraag ik: wat heeft u al die tijd gedaan dat u hier woont?”, zegt hij.

Bang om zelf voor racist te worden uitgemaakt omdat hij niet vriendelijk genoeg zou zijn voor buitenlandse werknemers en hun kinderen die hij niet alleen op hun rechten maar ook op hun plichten wijst, is Beerenhout allang niet meer. “Ik zeg bijvoorbeeld dat iemand op tijd op zijn werk moet komen. Het was me laatst gelukt een Marokkaanse jongen aan een baan te helpen bij een wasserij. Maandag om negen uur beginnen. Ik krijg een telefoontje van de baas, dat hij er niet is. Blijkt hij zich te hebben verslapen. Dat kan toch iedereen overkomen, zegt-ie. Ja, zeg ik, maar niet op de eerste dag van een nieuwe baan. Ik hoef bij die wasserette niet snel meer met een Marokkaanse jongen aan te komen.”

Hij wàs vriendelijk toen de eerste stroom buitenlandse werknemers begin jaren zestig in Nederland arriveerde. Hij hielp ze: “Nee hoor, u hoeft geen Nederlands te leren. Daar hebben we het tolkencentrum voor.” Het adagium was: integreren met behoud van de eigen cultuur. Beerenhout: “Het leidde ertoe dat ze zich afsloten voor onze cultuur. In mijn kast staan tien boeken over de psyche van Marokkanen die in de WAO zitten. Nog eens tien over de geschiedenis van Turkije. Maar wat hebben zij aan boeken gelezen over Nederland?”

Voor de eerste generatie buitenlandse werknemers waren er destijds voldoende banen, niet vorstelijk betaald weliswaar en door de wat beter opgeleide Nederlander te min geacht. Dertig jaar na dato is dat beeld drastisch gewijzigd. Door de economische herstructurering, die vooral ten koste is gegaan van de industriële werkgelegenheid, is de werkloosheid met name onder Turken en Marokkanen het afgelopen decennium sterk gegroeid.

Volgens Choenni leidde de economische recessie in de jaren zeventig en begin jaren tachtig tot een stijging van de werkloosheid onder Nederlanders die nu niet langer hun neus ophaalden voor het doen van zelfs ongeschoold werk. “Zwarten en migranten werden vervangen door witten. Anderzijds profiteerden de zwarten en migranten niet van de economische groei in de jaren tachtig omdat die plaats had in sectoren waar meer scholing was vereist dan zij hadden”, zegt hij. Maar de hoge graad werkloosheid onder Turken (44 procent) en Marokkanen (42 procent) kan volgens hem niet alleen daardoor worden verklaard. “Op de arbeidsmarkt is al jaren sprake van een selectieproces waardoor zwarten en migranten een veel kleinere kans hebben om werk te vinden dan witten.”

Kloosterman: “Zit een werkgever met een krappe arbeidsmarkt dan neemt hij sneller genoegen met iemand. Als hij kan kiezen uit een ruim aanbod schroeft hij zijn selectiecriteria op. Dan wordt het van belang of je voldoende opleiding hebt, of je Nederlands spreekt. Daarom moeten vooral de tweede generatie kinderen geprest worden een opleiding te volgen. Ze droppen out als gekken, daar moet een eind aan komen. Want als zij niet echt integreren gaat het fout.”

Maar juist zij horen volgens Beerenhout de “vreselijke verhalen van hun ouders”. Hoe die hier naar toe gehaald zijn, hoe ze aan de onderkant zijn blijven steken. Dat het geen zin heeft om je best te doen, omdat je toch wordt gediscrimineerd. Beerenhout: “Leuk voor de kinderen die het wel redden, want die zijn er natuurlijk ook. Natuurlijk, wij hebben de eerste generatie hier naar toe laten komen. Maar, zeg ik als een vader tegen mij zit te klagen over de Nederlandse samenleving: "Wie heeft destijds het arbeidscontract getekend?' ”