Zen of het belang van een bloeiende bloem

Waarom vertrok Bodhi-Dharma naar het oosten? (Dharmaga tongjoguro kan kkadalgun?). Regie: Yong-kyun Bae. Met: Pan-yong Yi, Won-sop Sin, Hae-jin Huang. Amsterdam, Desmet; Utrecht, 't Hoogt; Nijmegen, Cinemariënburg.

“Wie heeft die mensen eigenlijk toestemming gegeven de bioscoop te verlaten?”, riep Yong-kyun Bae in 1989 op het festival van Cannes geërgerd uit. Acht jaar lang had de Koreaanse regisseur, een autodidact die schilder van beroep is, aan zijn eerste speelfilm gewerkt. Alles deed hij zelf: scenario, dialogen, regie, licht, camera, montage, geluid in een produktie die geheel onafhankelijk van de zo'n 120 films per jaar afleverende Zuidkoreaanse filmindustrie stond. Maanden had hij besteed aan de geluidsband, in een poging de stilte optimaal te manipuleren. En dan had zo'n gezelschap doorgewinterde westerse festivalbezoekers niet eens het geduld om drie uur lang te blijven zitten. Het klappende geluid van hun stoelen had zijn vertoning grondig verpest.

Het misverstand is begrijpelijk. In de heksenketel van een internationaal festival, waar voortdurend twintig interessante nieuwe films tegelijk draaien, heeft slechts een enkeling de tijd en vooral de rust om drie uur te luisteren naar het geluid van de stilte en zich "leeg' te maken voor een door het Zen-boeddhisme geïnspireerde oefening in meditatie. Alle vooroordelen van een kunstenaar over de verdorvenheid van westerse filmparasieten worden door die gang van zaken bevestigd, maar gelukkig werd Bae enkele maanden later op het festival van Locarno, waar een van 175 tot 137 minuten ingekorte versie draaide, gerehabiliteerd en met een Gouden Luipaard gelauwerd.

Nu twee jaar later de korte exportversie in Nederlandse première gaat, heb ik het met alle respect voor de integriteit en de bedoelingen van de maker nog steeds een beetje moeite met Waarom vertrok Bodhi-dharma naar het oosten?. Het antwoord op die vraag, verwijzend naar de grondlegger van de Zen-filosofie, een Indiase monnik die in de zesde eeuw naar China reisde, werd eens door een ingewijde gegeven door te wijzen naar een boom. Bae lichtte toe dat het antwoord op dergelijke vragen minder belangrijk is dan de noodzaak ze te stellen, als hulpmiddel tot meditatie en de weg naar zelfverwezenlijking. Je mag zijn film niet opvatten als religieuze propaganda en zelfs liever niet als een film over Zen. Maar er gebeurt zo weinig in de film dat een illustratie bij het gedachtengoed van Bodhi-dharma toch de meest voor de hand liggende interpretatie vormt.

De schoonheid van Bae's beelden staat buiten kijf, maar ook tegen die lof verzet de regisseur zich. Hij zou zelfs opzettelijk geprobeerd hebben esthetiek te vermijden en heeft de mooiste plaatjes eigenhandig bij de montage verwijderd. Bae voelt zich gevleid door vergelijkingen met de religiositeit van Andrej Tarkovski's oeuvre, maar heeft vrij weinig films van Tarkovski gezien.

Het povere verhaal samenvatten zou geen recht doen aan de intentie van Bodhi-dharma, daar heeft de regisseur gelijk in. In een afgelegen berglandschap woont een oude Zen-meester met twee discipelen, een monnik en een kleine jongen. Men zou hen kunnen zien als een en dezelfde mens in drie verschillende stadia van geestelijke ontwikkeling. De jongen wordt voor het eerst geconfronteerd met de paradoxen van leven en dood (die volgens de Zen-leer geen tegenstelling vormen) als hij met een steen een vogel doodt en achtervolgd wordt door diens achtergebleven partner. De monnik krijgt van de Zen-meester opdracht hem na diens dood ritueel te verbranden. Door het verrichten van de crematie doet de monnik een belangrijke stap voorwaarts en ondergaat een soort initiatie tot een hoger ontwikkelingsniveau.

Dat is zo ongeveer het belangrijkste wat er in ruim twee uur gebeurt. Herstel: het belangrijkste is het ruisen van een beek, het bloeien van een bloem, de eenzaamheid van een van de kudde losgeraakt rund. "Aan de discipel die hem naar de Waarheid vroeg, toonde hij zwijgend een bloem', zo luidt het motto van de film.

De regisseur benadrukt in vele verklarende interviews dat om zijn film te begrijpen voorkennis over het Zen-boeddhisme niet vereist is, sterker nog: alleen maar in de weg kan staan. Maar ik vrees dat wie, zoals ondergetekende, nog geen enkele stap gedaan heeft op weg naar de ontwikkeling van het authentieke Zelf, de schoonheid van Bae's film hoogstens als een verre echo kan ondergaan. Voorlopig houd ik er meer van om als filmkijker agressiever benaderd te worden.

De internationale ontvangst van Waarom vertrok Bodhi-dharma naar het oosten? strookt met verschillen tussen de respectievelijke culturen. In Zuid-Korea werd de film door een vrij groot publiek positief ontvangen en zelfs ingehaald als symbool van het protest tegen het Amerikaanse culturele imperialisme. Ook in landen als Frankrijk, Duitsland en Zwitserland, waar filosofie en spiritualiteit in hoog aanzien staan, werden lovende beschouwingen aan film en regisseur gewijd. Men kan er veilig van uitgaan dat een Russisch publiek nog enthousiaster zal reageren, wanneer Bodhi-dharma er ooit doordringt. Maar Engelse of Amerikaanse lofredes op Yong-kyun Bae heb ik nergens kunnen vinden.