Uitverkoop van bodemschatten

Africa in the Picture Part III Festival van de Afrikaanse film. Amsterdam, Rialto; Rotterdam, De Evenaar; Maastricht, Lumière; Wageningen, Molenstraattheater.

In de programmakrant van Africa in the Picture, een tweejaarlijks festival van films uit zwart Afrika dat vanaf morgen voor de derde keer van start gaat, wordt openlijk toegegeven dat de esthetische kwaliteiten van de geselecteerde films niet voorop staan: "Africa in the Picture kiest, op zijn eigen bescheiden manier, voor een bredere benadering, in de wetenschap dat de markt te krap is voor distributie van meer Afrikaanse films en tegelijkertijd de weg bereidend voor een kleurrijker filmaanbod'. De redelijk grote publieke belangstelling voor de vorige twee edities van het festival lijkt te bewijzen dat er een grote honger is, althans bij een bepaalde, hechte groep van liefhebbers, aan authentieke beelden van Afrika.

Vier jaar geleden was al duidelijk dat de produktieomstandigheden van Afrikaanse filmmakers verre van optimaal zijn. Relatief de belangrijkste Afrikaanse filmlanden beneden de Sahara zijn voormalige Franse koloniën, in volgorde: Senegal, Burkina Faso, Mali en in veel mindere mate Kameroen en Mauretanië. Mede dank zij een actief ondersteuningsbeleid, in de vorm van coproduktiegelden en andere faciliteiten, geeft de Franse regering blijk belang te hechten aan de ontwikkeling van een Afrikaanse filmcultuur. Het heeft mede geleid tot interessante, op internationale festivals bekroonde produkties als Ceddo (Ousmane Sembene, Senegal, 1974), Yeelen (Souleymane Cissé, Mali, 1987) en Yaaba (Idrissa Ouedraogo, Burkina Faso, 1989), alle ook in Nederland uitgebracht. Het leek er even naar uit te zien dat die Afrikaanse cinema, ook tweejaarlijks belicht op het FESPACO-festival van de Burkinese hoofdstad Ouagadougou, een interessante ontwikkeling doormaakte.

Helaas moest Mariët Bakker, directeur van Africa in the Picture, tijdens het laatste FESPACO-evenement constateren dat die ontwikkeling niet echt doorzet. In ieder geval kwantitatief was de nieuwe oogst te klein om de derde editie van het Nederlandse festival geheel te vullen met recente produkties. In Cannes waren weliswaar weer vier nieuwe Afrikaanse produkties te zien van acceptabele, zij het in het licht van de voorgaande jaren toch enigszins teleurstellende kwaliteit, maar die waren voor het grootste deel al gereserveerd door het komende Filmfestival Rotterdam. Het met dit festival verbonden en voor een aanzienlijk deel door NCO gevulde Hubert Bals Fund had immers in verschillende nieuwe Afrikaanse produkties geparticipeerd.

Bakkers beslissing om het programma dan maar aan te vullen met wat oudere, minder bekende Afrikaanse films, zoals de vroegste films van Sembene en Cissé's Baara (1978), alsmede de evergreen Touki Bouki (Djibril Diop-Mambety, Senegal, 1973), valt alleszins te billijken, maar kan toch niet verbloemen dat de nog zo jonge Afrikaanse cinema aan bloedarmoede lijdt.

De aardigste nieuwe film is wel een wereldpremière voor Amsterdam. Toubab Bi van Moussa Touré, een Senegalees-Franse coproduktie, werd voor het grootste deel in Parijs opgenomen en is naar de vorm een westerse film met een vrij traditionele verhaalvorm. Door de ogen van een filmstagiaire uit Dakar in Parijs (gespeeld door de aantrekkelijke Oumar Diop Makena met pretlichtjes in de ogen) en zijn jonge protégé, die hij bij diens vader moet afleveren, vertelt Touré op een ook voor ons toegankelijke wijze veel over de verschillen tussen Afrika en Europa, over de kilte die zwarten in een Europese metropool ervaren, zonder te vervallen in pamflettisme. De hoofdpersoon gaat ook op zoek naar zijn in Parijs wonende jeugdvriend, die als souteneur en cokesnuiver in de Rue St. Denis vervreemd lijkt van zijn Afrikaanse wortels, maar in zijn huis in een buitenwijk de Afrikaanse tradities in ere gehouden heeft. Met een beetje magie zal hij de weg naar huis weten te vinden.

De combinatie van westerse dramaturgie en de racistische misverstanden tussen Noord en Zuid krijgt grimmiger vormen in de laatste film van Ousmane Sembene, Camp de Thiaroye (1988). De manier waarop Frankrijk afrekende met de in de Tweede Wereldoorlog betrokken militairen uit Senegal laat niet na te schokken, maar de film heeft weinig te maken met de esthetische vernieuwing die Sembenes eerdere werk kenmerkte.

Bij het zoeken van een eigen Afrikaans ritme van scenario en montage, gaan de filmers niet alleen te rade bij oeroude, orale vertelvormen. Ook de muziek is een geschikt vehikel om een Afrikaanse film vooruit te helpen. In de korte documentaire Yiri Kan van Issiaka Konate (Burkina Faso, 1989) draagt het geluid van de balafon, een traditioneel slaginstrument, de voortgang van het verhaal. Hoewel de progressie van de niet-francofone Afrikaanse cinema nog steeds minimaal is, konden toch een film uit respectievelijk Zimbabwe en Angola geselecteerd worden. Zowel Mbira Music, Spirit of the People (Simon Bright, 1991) als Mopiopio (Zeze Gamboa, 1991) verkennen in documentaire vorm nationale muzikale tradities. De kwaliteit van laatstgenoemde film is niet bepaald bemoedigend, evenmin als die van de Nigeriaanse speelfilm Kasarmu Ce (Saddik Balewa, 1991) over de uitverkoop onder kostbare bodemschatten.

Ook in die minder geslaagde films zijn de beelden van de kale landschappen, van de vriendelijke mensen en van de onder druk staande, maar moeilijk kapot te krijgen tradities soms zo innemend dat de Afrika-verslaving van de stamgasten van Africa in the Picture te begrijpen valt. In dat opzicht voldoet het best een korte, recente Senegalese film van Amet Diallo, Buxulmaleen (1991). De laconieke, soms zeer komische beelden van een bidonville in Dakar, waar de bevolking zijn eigen politiemensen en burgemeester benoemd heeft als parallel-autoriteiten, zijn soms Fellini of Pasolini waardig.

Het zijn zwaluwen die nog geen zomer maken. Als het de doelstelling van Africa in the Picture is om Nederland te bestoken met kleurrijke beelden van onbekende samenlevingen, dan is daar met steun van de NCO wederom aan voldaan. Of een dergelijk festival ook blijvend gesubsidieerd moet worden door de afdeling filmkunst van het ministerie van WVC, daar valt iets voor en iets tegen te zeggen.