"Soevereiniteit van Panama geschonden'; In Latijns Amerika hebben dollars de solidariteit vervangen

Na drie maal uitstel begint in Miami vandaag dan toch het proces tegen de voormalige Panamese leider Manuel Noriega. De vermeende drugshandelaar kon pas worden gearresteerd na een militaire invasie door de Verenigde Staten in december 1989. Het proces-Noriega is meer dan een gewone drugszaak. Zo zullen de VS onder meer moeten bewijzen zelf geen vuile handen gemaakt te hebben, want waarom stond "Tony' Noriega jarenlang op de loonlijst van de CIA en de DEA? Latijns Amerika volgt het proces met argusogen; de uitkomst ervan bepaalt de geloofwaardigheid van Bush' drugsoorlog.

Het proces tegen Manuel Antonio Noriega zal in verschillende Latijns-Amerikaanse hoofdsteden met meer dan gewone belangstelling worden gevolgd. Voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis wordt een voormalige hoge buitenlandse gezagsdrager door de justitie van de VS berecht. Weliswaar ging een Boliviaanse minister van binnenlandse zaken Noriega voor in zijn gang naar het Amerikaanse gerecht, maar deze werd door zijn eigen regering uitgeleverd.

De belangstelling van de Latijns-Amerikanen geldt niet zozeer de persoon van Noriega zelf - weinigen twijfelen aan zijn schuld bij het verlenen van faciliteiten voor de Colombiaanse cocaïne-mafia in Panama en het witwassen van drugswinsten - als wel het belang ervan voor de toch al moeizame betrekkingen tussen beide Amerika's.

De Amerikaanse invasie in Panama op 20 december 1989 - operatie Just Cause - had volgens verklaringen van president Bush destijds tot doel de sterke man van Panama uit het zadel te wippen, hem voor het Amerikaanse gerecht te slepen en daardoor de democratie in de landengte tussen de twee continenten veilig te stellen. "Just cause but unjust means', was de conclusie die de Latijns-Amerikaanse landen in de late decemberdagen van 1989 trokken. Noriega, zo luidde vrijwel algemeen de opvatting, was dan wel een dictator en een misdadiger, maar dat rechtvaardigt nog niet de schending van de soevereiniteit van een Latijns-Amerikaans land.

Maar zoals eerder bij Amerikaanse invasies in de Dominicaanse Republiek (1965) en Grenada (1983) verstomden de protesten al snel. De realiteit van het Westelijk halfrond is immers, dat geen enkel land wel vaart bij een slechte verhouding met de Verenigde Staten; Latijns Amerika is vrijwel volledig afhankelijk geworden van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie is zijn invloed zo goed als kwijtgeraakt. Solidariteit heeft plaatsgemaakt voor dollars. Zelfs de Cubaanse leider Fidel Castro ondervindt dat nu dagelijks.

Desondanks heeft Latijns Amerika de afgelopen anderhalf jaar met enig leedvermaak gekeken hoe het proces tegen Noriega tot drie maal toe werd uitgesteld. Door de halve onthullingen en onderhandse suggesties van Noriega's advocaten over de strategie van de verdediging ziet men verwachtingsvol uit naar de onthullingen over de rol die Noriega zou hebben gespeeld als agent in place van de CIA, die destijds onder leiding van George Bush stond. Wanneer tijdens het proces bijvoorbeeld uit geheime documenten zou blijken dat de CIA de drugspraktijken van agent Noriega oogluikend heeft toegestaan, is de morele verontwaardiging die de grondslag van operation Just Cause vormde aanzienlijk aangetast.

De Verenigde Staten hechten om nog een andere reden sterk aan het bewijzen van Noriega's schuld en zijn veroordeling: de geloofwaardigheid van Bush' War on Drugs is ervan afhankelijk. De slagvelden van die oorlog bevinden zich voornamelijk in Latijns Amerika. Zo hebben de VS met alle betrokken landen omvangrijke akkoorden gesloten, waarbij economische hulp afhankelijk is gesteld van militaire samenwerking bij het bestrijden van de drugsproducenten en hun machtscentra.

In Latijns Amerika (en daarbuiten) bestaat grote twijfel aan de effectiviteit van de drugsoorlog: de invoer van cocaïne in de VS neemt niet noemenswaardig af en hoewel de Colombiaanse overheid een aantal leiders van de coke-handel heeft ingerekend, nemen anderen onmiddellijk hun plaats in. Noriega's arrestatie is daarvan een goed voorbeeld; hoewel met hem een sleutelfiguur in de cocaïnedistributie zou zijn verdwenen, blijft Panama een belangrijke doorvoerhaven voor drugs en de miljoenen die daarmee verdiend worden.

Veel Latijns-Amerikanen vinden cocaïne vooral een Westers probleem; weliswaar komt de coca bij hen vandaan, maar de cocaïne wordt voornamelijk geproduceerd ten behoeve van Amerikaanse en Europese consumenten. Zij huldigen slechts het eerbare Westerse principe van vraag en aanbod op de vrije markt, zo redeneren zij. De aanwezigheid van Amerikaanse militaire adviseurs op hun grondgebied wordt door veel Colombianen, Bolivianen en Peruanen dan ook niet beschouwd als nuttige assistentie, maar als een nieuw bewijs van Yanqui imperialismo en wellicht een voorbode van een soortgelijke operatie als de invasie van Panama.

Begin dit jaar zegde de Colombiaanse grondwetgevende vergadering het uitleveringsverdrag met de Verenigde Staten voor drugsmisdadigers op. De vermeende aanslag op de nationale trots - “Colombia kan zijn eigen boontjes doppen” - woog daarbij zwaarder dan het argument dat uitlevering het enige middel was waarvoor de drugsbandieten werkelijk bang waren. Officieel hebben de VS zich nog steeds niet neergelegd bij de strafvermindering die Pablo Escobar, de vermeende leider van het cocaïne-kartel van Medelln, in het vooruitzicht is gesteld, en hebben zij de hoop nog niet opgegeven ook hem ooit nog eens in Miami te berechten.

Vrijspraak voor Noriega zou de kans daarop niet verhogen.